Marlies Sas
Exclusief Les Big data & innovatieve methoden
Intro: (zie PP)
• Praktische oefening 50%
• Examen 40 MC 50% => beide slagen
• 12/12 groepswerk indienen PP
• Goed voor en nadelen leren en details!!!
DEEL 1: Conceptueel ontwerp
Projectontwerp (1) - Doelstelling (H2) - Onderzoeksmodel (H3) - Vraagstelling (H4) -
Begripsbepaling (H5)
Hoofdstuk 1: projectontwerp
Boek: ‘Onderzoeksontwerp in de criminologie’
Onderzoeksontwerp --> 2 delen:
• Conceptueel ontwerp: wat wil je met onderzoek bereiken?
o Doelstelling = wat wil je bereiken met je onderzoek?
▪ Projectkader (binnen doelstelling) = bestaande problematiek waarbinnen
je onderzoek plaats geeft (bredere context). Resultaat is omschreven
probleem waar onderzoek een bijdrage tot levert.
o Onderzoeksmodel = visuele schema, weergave stappen in onderzoek
o Vraagstelling = vragen die doorheen onderzoek beantwoord worden
o Begripsbepaling = begrippen die centraal staan
1
, • Technisch ontwerp: hoe, waar, wanneer onderzoek doen
o Onderzoeksmateriaal = onderzoekspopulatie bepalen, bronnen selecteren
en beslissen hoe gegevens verzamelen
o Onderzoeksstrategie = wijze waarop onderzoeksobject benaderen
o Onderzoeksplan = planning opmaken
Van conceptueel ontwerp -> onderzoekstechnisch ontwerp (bv. Van drugscriminaliteit
naar concrete data verzamelen)
Iteratief ontwerpen = voortdurend heen en weer slingeren tussen fases van ontwerp --
> tussen verschillende fases herwerken, herbekijken.
➢ Goed om een plaats te geven aan persoonlijke interesses en wensen
➢ Ontwerpen een zeer complexe aangelegenheid is
➢ Bevordert efficiëntie van het onderzoek
(Nu hebben over het conceptueel ontwerp)
H2: Doelstelling
Waarom kiest men voor een onderzoeksprobleem?
1) Politieke context (wensen van de opdrachtgever)
• Politieke mode-trends, grote WE instituten, opdrachtgevers
o Bv. ‘one shot projects’ = enkel tijdens corona te onderzoeken
2) Sociale context (wensen van de opdrachtgever)
• Universiteiten, staten, ministers
3) Criminologisch paradigma = theoretische school of traditie (in praktijk onderzoeken)
• Individueel positivisme, marxistische theorieën, micro theorieën...
o LET OP VOOR! Theoretical blindness = blindelings theorie volgen ipv vanuit
onderzoek vertrekken
4) Waarden en maatschappelijke problemen
• Maatschappelijke projecten, opvattingen over sociale rechtvaardigheid...
o LET OP VOOR! Objectiviteit behouden
5) Voorkeur voor een methode
• Kwantitatief of kwalitatief, dataverzamelingsmethode...
o LET OP VOOR! Reactiviteit = openstaan voor kiezen van meest geschikte
methode
6) Voorkeur voor een theorie
2
, • Link tussen jezelf als persoon en een theorie (bv. Vrouwen, etnische
minderheden)
o LET OP VOOR! Behouden van de nodige afstand
7) wetenschapsfilosofische opvattingen
• Veralgemeenbaarheid, unieke en particuliere, traditie van onderzoeksgroep
8) Reikwijdte van de studie: ‘Ruimte’ & ‘Tijd’
• Individuen, groepen, populaties?
• Momentopnames, vergelijkingen?
9) Zuiver vs. Toegepast we onderzoek
• Theorieën ontwikkelen, hypothesen toetsen?
• Exploreren, actie-onderzoek?
Wat, Waarom, Waar, Hoe => probleemstelling & onderzoeksplan
De probleemstelling:
• Nadruk op ‘uitvoering’ (bovenbouw)
• Gebrek aan onderzoeksplan (onderbouw)
• Onderzoeken = ‘Doelbewust en methodisch zoeken naar nieuwe kennis in de
vorm van antwoorden op tevoren gestelde vragen.’
Onderzoeksplan:
• Onderzoeken /=/ studeren (productie van nieuwe kennis vs. Reproductie van
bestaande kennis)
• ‘Waarom’ = relevantie & doel van onderzoek
• ‘Wat’ = welke kennis heb je nodig om het doel te bereiken
• ‘waar’ = object
• ‘hoe’ = methode
• (‘Hoeveel’ = beperken qua tijd, geld, menskracht & technische hulp)
• (‘Wanneer’ = begin en einde van elke fase)
Bv. Parachutte moord:
3
, → Waarom? Mediatisering van criminaliteit, impact media op perceptie bevolking
→ Wat? Mediaberichtgeving over assisenprocessen
→ Waar? Parachutemoord, 3 kranten
→ Hoe? Inhoudsanalyse
Doelstelling:
Doelstelling = afbakenen
• Formulering doelstelling moet:
o Nuttig: belang van onderzoek voor de organisatie, instelling
o Realistisch: geloofwaardig zijn dat je een reële bijdrage kan leveren
o Haalbaarheid: onderzoekstechnische relevantie
o Uitvoerbaarheid
o Eenduidig: waaruit zal de bijdrage aan de oplossing bestaan?
• Externe doel (doel VAN het onderzoek)
• Interne doel (doel IN het onderzoek)
Theoriegericht onderzoeken: Constateer ik aangaande bestaande theorieën?
= projectkader gevormd door proces van kennisvorming binnen het vakgebied van
onderzoek --> niet enkel kennis uit bibliotheken, ook mensen die zich met deze
kennisvorming bezighouden
➢ In theoretisch kader: streven naar ontwikkelen van nieuwe theorieën en
inzichten.
• Theorie ontwikkeld onderzoek: start bij hiaten in theorievorming --> wat zijn de
blinde vlekken, waar weinig of geen info over is.
o Zijn bestaande theorieën generaliseerbaar?
• Theorietoetsend onderzoek: toetsen van bepaalde inzichten en verfijnen
o Kan een bestaande theorie eenvoudiger worden gemaakt?
o Houdt een bestaande theorie stand als we deze toetsen aan de huidige
ontwikkelingen?
Bv. Sociale desorganisatietheorie
Praktijkgericht onderzoeken:
= projectkader is binnen een organisatie als problematisch ervaren situatie, waarvan je
met resultaten vh onderzoek bijdrage wil leveren aan de oplossing.
➢ In praktijkkader: streven naar het oplossen van handelingsprobleem, creëren
van nieuwe situatie, op gang brengen van nieuwe ontwikkeling.
• Probleemanalytisch: men brengt het probleem onder de aandacht van de
belanghebbenden = agendasetting
• Diagnostisch: bestuderen van de achtergrond en het ontstaan van het probleem.
4