DEEL 1: Multiple Choice
VRAAG 1
Welke stelling is juist?
A. Het toestaan van een hypotheek op zijn onroerend goed is een daad van beheer.
B. Het ontvangen van huurgelden is een daad van economisch beheer.
C. Het aangaan van een autoverzekering is een daad van beheer.
D. Het ontvangen van een dividend, gekoppeld aan aandelenbezit, is een daad van genot.
Juiste antwoord: D
Uitleg:
A = daad van beschikking
B = daad van gebruik/genot
C = daad van bewaring
VRAAG 2
Geert heeft een stuk weideland, dat hij in de lente en zomer gebruikt om zijn paarden op te
laten grazen. Geert leidt iedere keer zijn paarden naar en van zijn weide via de weide van zijn
buurman Bart. Het perceel van Geert grenst namelijk niet aan de straat: het is aan drie zijden
begrensd door tuinen van buren en aan de vierde zijde door de weide van Bart, die dan weer
op de straat uitgeeft. Welke stelling is juist?
A. Geert heeft een tijdelijk zakelijk recht van vruchtgebruik op het perceel van Bart.
B. Geert heeft een tijdelijk zakelijk recht van erfdienstbaarheid op het perceel van Bart.
C. Het perceel van Bart is het lijdende erf, het perceel van Geert is het heersende erf.
D. Geert is de blote eigenaar van het goed, terwijl Bart de vruchtgebruiker is.
Juiste antwoord: C
Uitleg:
A: vruchtgebruik heeft hier niks mee te maken
B: Erfdienstbaarheid is een zakelijk genotsrecht dat weegt op een erf, het is verbonden
aan een onroerend goed. Het is een recht die gekoppeld is aan een onroerend goed en niet
aan een persoon. Hier wordt het geformuleerd alsof het een recht is van Geert.
D: vruchtgebruik heeft hier niks mee te maken
, VRAAG 3
Welke stelling is juist?
A. Bijstand is altijd de regel. Enkel wanneer dit niet volstaat, zal het systeem van
vertegenwoordiging spelen.
B. Een overschrijding van een regel van louter dwingend recht, leidt tot de relatieve
nietigheid waarbij geen verzaking mogelijk is.
C. De materiële bevoegdheid raakt de openbare orde. Dit brengt mee dat partijen er nooit
van kunnen afwijken, zelfs niet bij een overeenkomst waar beide partijen volledig
achter staan.
D. Indien een geschil aanhangig wordt gemaakt voor de rechtbank van eerste aanleg terwijl
een ander rechtscollege bijzonder bevoegd is, kan de verwerende partij succesvol een
exceptie van onbevoegdheid opwerpen.
Juiste antwoord: C
Uitleg:
A: de regel is verschillend indien het gaat om minderjarigen dan wel om meerderjarigen.
Voor minderjarigen is vertegenwoordiging de regel en bijstand de uitzondering, terwijl
voor meerderjarigen vertegenwoordiging enkel kan worden bevolen indien bijstand niet
volstaat. Dit staat omschreven in artikel 492/2 oud BW.
B: regels van louter dwingend recht beschermen slechts de private belangen (art. 1.3,
vijfde lid BW). Indien een partij een regel van louter dwingend recht overtreedt, dan kan
de beschermde persoon (en enkel hij) de nietigheid opwerpen. De beschermde persoon
kan -indien de overtreding wordt vastgesteld- ook beslissen om eraan te verzaken en
bijgevolg de nietigheid niet inroepen.
D: vermits de rechtbank van eerste aanleg beschikt over een zogenaamde volheid van
bevoegdheid (art. 568, 1e lid Ger.W.), is zij altijd bevoegd behalve wanneer het hof van
beroep, het Hof van Cassatie bevoegd is dan wel een ander rechtscollege exclusief
bevoegd is. In geval van een bijzondere bevoegdheid van een ander rechtscollege is de
rechtbank van eerste aanleg niet onbevoegd (maar ook bevoegd), zodat geen exceptie van
onbevoegdheid kan worden opgeworpen.