Preliminair
Lees de vraag aandachtig en desnoods een aantal keer. Duid eventueel een aantal zaken aan die
van belang kunnen zijn voor uw antwoord.
Antwoord gestructureerd. Denk eerst na in welk(e) de(e)l(en) van de cursus de vraag zich
situeert en wat er allemaal moet worden vermeld. Noteer dan uw antwoord in een logische
volgorde. Onderlijn of fluoresceer eventueel een aantal kernwoorden (bv. zelfstandigheid van
de zaak, verschoonbaarheid, … bij dwaling).
Werk schematisch. Maak bij de casussen steeds een schema, zodat u altijd duidelijk voor ogen
heeft wie verbonden is met wie en wat precies de opgave is.
Maak steeds verschillende hypotheses maken waar nodig! Bovendien heeft professor Claeys
graag dat je bepaalde rechtsfiguren vermeld, ook al zijn ze niet van toepassing omdat niet alle
voorwaarden zijn vervuld. Vermeld dus bv. ook de dwaling, al lijkt ze niet verschoonbaar te
zijn, geen betrekking te hebben op de zelfstandigheid van de zaak, etc.
Vermeld steeds de rechtsgronden! Niet alleen de relevante wetsartikelen, maar ook rechtspraak,
Latijnse adagia en algemene rechtsbeginselen.
Veel succes!
DEEL 1: Begrippen
VRAAG 1: Rechtsgronden
Begrip Artikel
Fraus omnia corrumpit art. 1.11 BW
Nemo censetur subrogasse contra se art. 5.223 BW
Delegatie art. 5.249 BW
Vonnis geldt als titel art. 5.236 BW
Anatocismeverbod art. 5.207 BW
Uitdrukkelijk ontbindend beding art. 5.92 BW
Abus de droit art. 1.10 BW
Oorzaak van een contractuele verbintenis art. 5.53 BW
, DEEL 2: Stelling
VRAAG 1
Als een contract door een nietigheidsgrond is aangetast en een persoon die door de nietigheid
beschermd is de nietigverklaring ook effectief vordert, dan moet een rechter steeds het contract
nietigverklaren.
Is deze stelling juist, fout of hangt het er van af?
Fout, de rechter is niet verplicht de nietigheidssanctie toe te passen indien (i) de wet dit
bepaald; of (ii) wanneer de sanctie kennelijk ongeschikt is gelet op het doel van de
geschonden regel (art. 5.57, tweede lid BW).
VRAAG 2
Pieter huurt een appartement. Het huurcontract verbiedt het roken in het appartement en ook
op het balkon. Op een zonnige zondag wandelt de verhuurder toevallig in de buurt en merkt hij
op dat Pieter toch rookt op het balkon. Bijgevolg wordt hij in gebreke gesteld door de
verhuurder en vordert hij de ontbinding van de huurovereenkomst.
Stelling: Pieter meent dat hij niet zomaar uit zijn appartement kan worden gezet.
Juist, ten eerste is het verbod om te roken een verbintenis om iets niet te doen, maar maakt
een dergelijk verbod niet de hoofdverbintenis uit van een huurovereenkomst (bijv. betalen
van huur en goed onderhouden). Het is eerder een nevenverbintenis (art. 1728 oud BW).
Bovendien is het de eerste keer dat verhuurder het vaststelt en kan er dus beargumenteerd
worden dat één keer roken op het terras geen voldoende ernstige contractuele niet-
nakoming uitmaakt op grond waarvan de ontbinding kan worden gevorderd (art. 5.90,
eerste lid BW).
Ten tweede kan er als verweermiddel opgeworpen worden dat er sprake is van
rechtsmisbruik in hoofde van de verhuurder. Rechtsmisbruik bestaat in het aanwenden van
een recht dat die partij als zodanig wel heeft , maar waarbij die partij dat recht uitoefent op
een wijze die kennelijk de perken van een normale uitoefening door een voorzichtige en
zorgvuldige partij te buiten gaat (art. 1.10 BW en 5.73 BW). Het nadeel van de huurder
(uithuiszetting) staat in casu echter niet in verhouding tot het beoogde voordeel van de
verhuurder (niet roken). De matiging kan om die reden zover gaan dat de rechter aan de
verhuurder de mogelijkheid ontzegt om de ontbinding in te roepen.
Ten slotte zijn er ook bepaalde grondrechten waarop Pieter zich beroepen. Enerzijds het
recht op behoorlijke huisvestiging op grond van artikel 23 van de Grondwet. Anderzijds
het recht op eerbiediging van het privéleven van de huurder op grond van artikel 22 van
de Grondwet.