Nonprofit management – samenvatting 2025 - 2026
LES 1 - INLEIDING EN PLAATSBEPALING
DEFINITIE VAN DE SOCIAL PROFIT SECTOR:
Wettelijke definitie:
‣ Uitgangspunt: 'nonprofit' is hoe het in de wet ingeschreven staat
‣ Volgens de wettelijke definitie worden alle vzw's als nonprofit gezien
‣ Voorbeeld: in de VS is er een opdeling tussen nonprofit dienstverleners & nonprofit
beleidsbeïnvloeders
‣ Veel verschillende juridische statuten
‣ Elk land heeft andere rechtsvormen
‣ Bij internationale vergelijking: andere juridische vormen kunnen aanleiding geven tot
ander gedrag → ondanks op papier 'hetzelfde', zijn ze actief in een andere juridische
omgeving → leidt tot andere keuzes
Functionele definitie:
‣ Uitgangspunt: 'je bent wat je doet'
‣ Gaat over doelstellingen
‣ Het dienen van het 'publieke belang': hulp aan specifieke doelgroepen (armen, ouderen,
zieken, …) = private activiteiten voor het publieke goed
‣ De manier waarop: nonprofit onderscheidt zich van de overheid en profit sector door
bepaalde acties
o Selfless – altruism: geen compensatie voor 'leden' van de organisatie
o Exclusive public benefit: geen corporate social responsibility (CSR) (= bedrijven die
iets goed willen doen, vb. McDonalds die bij checkout vraagt "Wil je het bedrag afronden
voor een goed doel?") → hybriditeit: ze zijn een beetje nonprofit-like maar ze blijven
nog steeds profit-bedrijven
o Direct service delivery: je doet de dienstverlening zelf, niet via derde partijen (vb. niet
via een donatie, wel vb. een jeugdbeweging die zelf vrijetijdsbeleving organiseert)
o Geen winstmotief, verbod op winstverdeling
1
,Nonprofit management – samenvatting 2025 - 2026
Economische definitie:
‣ Uitgangspunt: letterlijk 'nonprofit' dus geen winst
‣ Inkomen niet hoofdzakelijk uit verkoop van goederen en diensten, of belastingen, maar uit
giften en bijdragen van leden en uit overheidssubsidies
‣ Residuele economische entiteiten: de organisaties die overblijven wanneer commerciële
firma's, overheidsdiensten en huishoudens geïdentificeerd zijn
‣ Betekent niet dat nonprofits geen inkomsten mogen vergaren → mogen wel residuele
economische activiteiten voeren (vb. een jeugdbeweging die wafels verkoopt) → wet zegt wel dat
dit 'bijkomstig' moet zijn (vb. niet alle zaterdagen wafels verkopen maar af en toe)
‣ Hervorming wetgeving in 2019 – 2020: loslaten criterium 'bijkomstig'
o Vereniging zonder winstoogmerk → vereniging zonder winstverdeling
o Non-distribution constraint (Angelsaksische wereld) vs. limited distribution constraint
(West-Europa)
Structureel-operationele definitie:
‣ Gaat over de structuur en werking van de organisatie → 5 kenmerken
‣ Indien aan deze 5 kenmerken voldaan, is het een nonprofit
1) Georganiseerd / geïnstitutionaliseerd zijn: gemeenschappelijk doel hebben + regelmatig
samenkomen → je wordt lid van een organisatie, neemt een bepaalde rol in, …
( informele netwerken: meer impliciete normen zoals bij gezinsvormen of vriendengroepen)
( ad hoc initiatieven: vb. 1x mee wandelen in een betoging)
2) Privaat, afgescheiden van de overheid:
o Geen deel van overheidsapparaat: niet opgericht door de overheid, wel opgericht door
burgers
o Kunnen wel subsidies ontvangen van de overheid → overheid kan ook nog een
invloed hebben door vb. politiekers in de raad van bestuur
o Kan de organisatie zichzelf opheffen? → antwoord moet 'ja' zijn
3) Zelfbesturend:
o Organisatie moet eigen activiteit kunnen controleren
o Eigen procedures en autonomie
o Overheidsvertegenwoordiger in raad van bestuur kan (hybriditeit)
4) Non-profit distributing:
o Mogen winst maken (hybriditeit met de markt: zaken verkopen met winst kan wel)
o Maar winst mag niet uitgekeerd worden
o Investeren in de organisatie
o Geen expliciet winstmotief
5) Vrijwillig: niet verplicht om een rol op te nemen in een organisatie (vb. je moet niet verplicht
deelnemen aan een sportclub) → uitsluiting van beroepsverenigingen waarbij je verplicht moet
aansluiten
Welke definitie is de beste?
‣ Definitie is afhankelijk van wat je wil doen
‣ Wettelijke definitie → voor nationale vergelijking binnen een land tussen sectoren
‣ Economische definitie → nuttig voor theorievorming
‣ Structureel-operationele definitie → nuttig voor internationale vergelijking, meer generische
kenmerken, blik op Vlaamse context verbreden
2
,Nonprofit management – samenvatting 2025 - 2026
‣ Middenveld is het centrum
‣ Diversiteit van het middenveld! → zeer heterogene groep
o Afhankelijk van waar een middenveldorganisatie zich bevindt in de driehoek, ga je
een ander gedrag zien (vb. sommige organisaties zijn sterker gesubsidieerd en liggen dichter
bij de overheid) (vb. dichter bij gemeenschappen die opkomen voor mensenrechten) (vb.
sociale ondernemingen liggen dicht bij de markt)
o Brede waaier aan middenveldorganisaties
Gelijkenissen en verschillen tussen profit en nonprofit:
‣ Verschillen:
o Vzw's streven niet naar winstmaximalisatie → eventuele winst moet geherinvesteerd
worden in de sociale missie
o Ander soort gedrag: minder risico nemen, grotere cash reserves als buffer
→ overheid kan snel nieuwe beleidsprioriteiten hebben → kans om subsidies te
verliezen
o Bij bedrijven (vb. Nike): marktvraag is soms stabieler dan overheidssubsidies
‣ Gelijkenissen:
o Kunnen allebei subsidies ontvangen
o Kunnen allebei grote organisatiestructuren zijn
o Beide zijn rechtspersonen → kunnen dus beide failliet gaan
o Bieden allebei werkgelegenheden → grote job motor!
3
, Nonprofit management – samenvatting 2025 - 2026
SOCIAL PROFIT IN VLAANDEREN:
‣ 4 hoofddomeinen die samen 90% van de werkgelegenheid bieden → geprofessionaliseerde
middenveldorganisaties
o Gezondheidszorg (vb. ziekenhuizen)
o Onderwijs
o Welzijnswerk
o Socio-culturele sector
CSI Flanders (2016 – 2019):
= interuniversitair onderzoeksconsortium over de uitdagingen voor het middenveld in Vlaanderen
‣ Grootschalige dataverzameling
‣ Mapping → sampling → survey
‣ Doel: middenveld in kaart brengen met een politieke rol of dienstverleningsrol (→ minder
aandacht op de gemeenschapsrol)
3 grote groepen binnen nonprofit:
1) Welzijn: organisaties rond armoede en kwetsbare groepen (vb. sociale kruideniers)
2) Sociale economie: bedrijven die economische activiteit leveren maar met mensen met een
grotere afstand tot de arbeidsmarkt → training op de werkvloer, toeleiding tot werk, mensen
laten uitstromen naar de reguliere arbeidsmarkt
3) Socioculturele sector: veel verschillende categorieën → volwassenwerk, jeugdwerk, etnisch-
culturele federaties, religieuze organisaties, … → meest diverse categorie!
‣ Veel organisaties scoren hoog op de gemeenschapsvormende rol → belangrijkste rol!
‣ Geen enkele categorie is hetzelfde → diverse populatie-sample → variatie in elke
deelcategorie
‣ Politieke rol wordt het minst opgenomen
4
LES 1 - INLEIDING EN PLAATSBEPALING
DEFINITIE VAN DE SOCIAL PROFIT SECTOR:
Wettelijke definitie:
‣ Uitgangspunt: 'nonprofit' is hoe het in de wet ingeschreven staat
‣ Volgens de wettelijke definitie worden alle vzw's als nonprofit gezien
‣ Voorbeeld: in de VS is er een opdeling tussen nonprofit dienstverleners & nonprofit
beleidsbeïnvloeders
‣ Veel verschillende juridische statuten
‣ Elk land heeft andere rechtsvormen
‣ Bij internationale vergelijking: andere juridische vormen kunnen aanleiding geven tot
ander gedrag → ondanks op papier 'hetzelfde', zijn ze actief in een andere juridische
omgeving → leidt tot andere keuzes
Functionele definitie:
‣ Uitgangspunt: 'je bent wat je doet'
‣ Gaat over doelstellingen
‣ Het dienen van het 'publieke belang': hulp aan specifieke doelgroepen (armen, ouderen,
zieken, …) = private activiteiten voor het publieke goed
‣ De manier waarop: nonprofit onderscheidt zich van de overheid en profit sector door
bepaalde acties
o Selfless – altruism: geen compensatie voor 'leden' van de organisatie
o Exclusive public benefit: geen corporate social responsibility (CSR) (= bedrijven die
iets goed willen doen, vb. McDonalds die bij checkout vraagt "Wil je het bedrag afronden
voor een goed doel?") → hybriditeit: ze zijn een beetje nonprofit-like maar ze blijven
nog steeds profit-bedrijven
o Direct service delivery: je doet de dienstverlening zelf, niet via derde partijen (vb. niet
via een donatie, wel vb. een jeugdbeweging die zelf vrijetijdsbeleving organiseert)
o Geen winstmotief, verbod op winstverdeling
1
,Nonprofit management – samenvatting 2025 - 2026
Economische definitie:
‣ Uitgangspunt: letterlijk 'nonprofit' dus geen winst
‣ Inkomen niet hoofdzakelijk uit verkoop van goederen en diensten, of belastingen, maar uit
giften en bijdragen van leden en uit overheidssubsidies
‣ Residuele economische entiteiten: de organisaties die overblijven wanneer commerciële
firma's, overheidsdiensten en huishoudens geïdentificeerd zijn
‣ Betekent niet dat nonprofits geen inkomsten mogen vergaren → mogen wel residuele
economische activiteiten voeren (vb. een jeugdbeweging die wafels verkoopt) → wet zegt wel dat
dit 'bijkomstig' moet zijn (vb. niet alle zaterdagen wafels verkopen maar af en toe)
‣ Hervorming wetgeving in 2019 – 2020: loslaten criterium 'bijkomstig'
o Vereniging zonder winstoogmerk → vereniging zonder winstverdeling
o Non-distribution constraint (Angelsaksische wereld) vs. limited distribution constraint
(West-Europa)
Structureel-operationele definitie:
‣ Gaat over de structuur en werking van de organisatie → 5 kenmerken
‣ Indien aan deze 5 kenmerken voldaan, is het een nonprofit
1) Georganiseerd / geïnstitutionaliseerd zijn: gemeenschappelijk doel hebben + regelmatig
samenkomen → je wordt lid van een organisatie, neemt een bepaalde rol in, …
( informele netwerken: meer impliciete normen zoals bij gezinsvormen of vriendengroepen)
( ad hoc initiatieven: vb. 1x mee wandelen in een betoging)
2) Privaat, afgescheiden van de overheid:
o Geen deel van overheidsapparaat: niet opgericht door de overheid, wel opgericht door
burgers
o Kunnen wel subsidies ontvangen van de overheid → overheid kan ook nog een
invloed hebben door vb. politiekers in de raad van bestuur
o Kan de organisatie zichzelf opheffen? → antwoord moet 'ja' zijn
3) Zelfbesturend:
o Organisatie moet eigen activiteit kunnen controleren
o Eigen procedures en autonomie
o Overheidsvertegenwoordiger in raad van bestuur kan (hybriditeit)
4) Non-profit distributing:
o Mogen winst maken (hybriditeit met de markt: zaken verkopen met winst kan wel)
o Maar winst mag niet uitgekeerd worden
o Investeren in de organisatie
o Geen expliciet winstmotief
5) Vrijwillig: niet verplicht om een rol op te nemen in een organisatie (vb. je moet niet verplicht
deelnemen aan een sportclub) → uitsluiting van beroepsverenigingen waarbij je verplicht moet
aansluiten
Welke definitie is de beste?
‣ Definitie is afhankelijk van wat je wil doen
‣ Wettelijke definitie → voor nationale vergelijking binnen een land tussen sectoren
‣ Economische definitie → nuttig voor theorievorming
‣ Structureel-operationele definitie → nuttig voor internationale vergelijking, meer generische
kenmerken, blik op Vlaamse context verbreden
2
,Nonprofit management – samenvatting 2025 - 2026
‣ Middenveld is het centrum
‣ Diversiteit van het middenveld! → zeer heterogene groep
o Afhankelijk van waar een middenveldorganisatie zich bevindt in de driehoek, ga je
een ander gedrag zien (vb. sommige organisaties zijn sterker gesubsidieerd en liggen dichter
bij de overheid) (vb. dichter bij gemeenschappen die opkomen voor mensenrechten) (vb.
sociale ondernemingen liggen dicht bij de markt)
o Brede waaier aan middenveldorganisaties
Gelijkenissen en verschillen tussen profit en nonprofit:
‣ Verschillen:
o Vzw's streven niet naar winstmaximalisatie → eventuele winst moet geherinvesteerd
worden in de sociale missie
o Ander soort gedrag: minder risico nemen, grotere cash reserves als buffer
→ overheid kan snel nieuwe beleidsprioriteiten hebben → kans om subsidies te
verliezen
o Bij bedrijven (vb. Nike): marktvraag is soms stabieler dan overheidssubsidies
‣ Gelijkenissen:
o Kunnen allebei subsidies ontvangen
o Kunnen allebei grote organisatiestructuren zijn
o Beide zijn rechtspersonen → kunnen dus beide failliet gaan
o Bieden allebei werkgelegenheden → grote job motor!
3
, Nonprofit management – samenvatting 2025 - 2026
SOCIAL PROFIT IN VLAANDEREN:
‣ 4 hoofddomeinen die samen 90% van de werkgelegenheid bieden → geprofessionaliseerde
middenveldorganisaties
o Gezondheidszorg (vb. ziekenhuizen)
o Onderwijs
o Welzijnswerk
o Socio-culturele sector
CSI Flanders (2016 – 2019):
= interuniversitair onderzoeksconsortium over de uitdagingen voor het middenveld in Vlaanderen
‣ Grootschalige dataverzameling
‣ Mapping → sampling → survey
‣ Doel: middenveld in kaart brengen met een politieke rol of dienstverleningsrol (→ minder
aandacht op de gemeenschapsrol)
3 grote groepen binnen nonprofit:
1) Welzijn: organisaties rond armoede en kwetsbare groepen (vb. sociale kruideniers)
2) Sociale economie: bedrijven die economische activiteit leveren maar met mensen met een
grotere afstand tot de arbeidsmarkt → training op de werkvloer, toeleiding tot werk, mensen
laten uitstromen naar de reguliere arbeidsmarkt
3) Socioculturele sector: veel verschillende categorieën → volwassenwerk, jeugdwerk, etnisch-
culturele federaties, religieuze organisaties, … → meest diverse categorie!
‣ Veel organisaties scoren hoog op de gemeenschapsvormende rol → belangrijkste rol!
‣ Geen enkele categorie is hetzelfde → diverse populatie-sample → variatie in elke
deelcategorie
‣ Politieke rol wordt het minst opgenomen
4