Stellingen
VRAAG 1
De loutere inbreuk van een contractspartij op de precontractuele informatieplicht kan
worden gesanctioneerd door de nietigverklaring.
Fout: Artikel 5.17, derde lid BW stelt dat: “de schending van een informatieplicht kan niet
leiden tot de precontractuele aansprakelijkheid maar ook tot de nietigheid van het contract
indien voldaan is aan de vereisten bepaald in artikel 5.33 BW”. Bijgevolg is een wilsgebrek
vereist indien de inbreuk van een contractspartij op de precontractuele informatieplicht
kan worden gesanctioneerd door de nietigverklaring.
VRAAG 2
Wat betreft de verkeerde voorstelling van zaken inzake dwaling, kan een fout van de
medecontractant de nietigheid van het contract met zich meebrengen.
Fout: In tegenstelling tot wat bij bedrog vereist is, moet de vergissing bij een dwaling niet
door een externe factor (bijv. een fout van een medecontractant) zijn uitgelokt. Een beroep
op dwaling blijft weliswaar mogelijk indien de dwaling verschoonbaar blijkt te zijn (art.
5.34 BW). Een dwaling wordt verschoonbaar geacht als een redelijke persoon, in dezelfde
omstandigheden geplaatst, dezelfde vergissing als de dwalende persoon zou hebben
begaan.
VRAAG 3
Adriaan en Katinka zijn verloofd. Adriaan wil al jaren de chalet in de Ardennen van zijn
schoonouders overkopen, maar zij weigerden dit categorisch, omdat zij wilden dat de chalet
“in de familie” bleef. Nu Adriaan en Katinka zijn verloofd, besluit de schoonvader op het
verlovingsfeest aan te kondigen dat hij de chalet als verlovingscadeau aan Adriaan schenkt.
Enkele maanden nadien wordt de verloving afgebroken en wil de schoonvader de chalet terug.
De schoonvader kan de chalet terugeisen omdat de chalet een verlovingscadeau was.
Dit betreft de vraag naar het verval van een overeenkomst wegens verdwijnen van de
oorzaak. De schoonvader van Adriaan kan in principe niets meer doen tegen de schenking.
Met betrekking tot verbintenissen om niet heeft het Hof van Cassatie immers uitdrukkelijk
gesteld dat het verdwijnen van de oorzaak na de totstandkoming van de rechtshandeling in
de regel geen gevolgen heeft voor de geldigheid van die rechtshandeling, en dat dit ook
geldt voor schenkingen onder levenden (Cass. 12.12.2008).
1
,VRAAG 4
John en Anita sluiten een overeenkomst van onbepaalde duur. Op een gegeven moment wil
John echter van de overeenkomst af en besluit deze van de ene dag op de andere stop te zetten.
Anita is evenwel niet akkoord met deze beslissing.
Anita kan schadevergoeding vorderen van John, daar een overeenkomst van onbepaalde
duur niet zomaar mag worden opgezegd.
JUIST: Een overeenkomst van onbepaalde duur kan overeenkomstig een algemeen
rechtsbeginsel dat wettelijk verankerd werd in principe te allen tijde eenzijdig kan worden
opgezegd (art. 5.75, tweede lid BW). Deze regel is van openbare orde, zodat partijen de
opzeggingsmogelijkheid niet kunnen uitsluiten of beperken, doch enkel modaliseren, door
bijvoorbeeld een opzeggingswijze, -termijn of –vergoeding te bepalen in het contract. De
opzeggingsbevoegdheid moet echter steeds te goeder trouw worden uitgeoefend. Dat
betekent dat aan de tegenpartij een redelijke opzeggingstermijn of -vergoeding moet
worden gegeven, waarvan de duur in functie van de concrete omstandigheden moet
worden bepaald (art. 5.75, tweede lid BW). Bij ontstentenis van een redelijke termijn moet
John (de opzeggende partij) de schade vergoeden die Anita (de medecontractant) lijdt
wegens het niet naleven van deze verplichting.
VRAAG 5
Als komt vast te staan dat een opschortende voorwaarde niet vervuld raakt, dan is het
rechtsgevolg steeds het tenietgaan van de verbintenis voor de toekomst.
FOUT: Artikel 5.139 BW stelt dat een verbintenis voorwaardelijk is wanneer de
opeisbaarheid of het tenietgaan ervan afhangt van een toekomstige en onzekere
DEEL 3: Theorie
gebeurtenis. De voorwaarde is opschortend wanneer de vervulling ervan de verbintenis
opeisbaar maakt. Op grond van artikel 5.148 BW heeft de niet-vervulling van de
opschortende voorwaarde inderdaad het tenietgaan van de verbintenis voor de toekomst
tot gevolg. Wanneer een partij evenwel door haar fout de vervulling van de voorwaarde
verhindert, kan de andere partij haar voor vervuld houden (art. 5.144 BW).
VRAAG 6
Als een contract door een nietigheidsgrond is aangetast en een persoon die door de nietigheid
beschermd is de nietigverklaring ook effectief vordert, dan moet een rechter steeds het contract
nietigverklaren.
Is deze stelling juist, fout of hangt het er van af?
Fout, de rechter is niet verplicht de nietigheidssanctie toe te passen indien (i) de wet dit
bepaald; of (ii) wanneer de sanctie kennelijk ongeschikt is gelet op het doel van de
geschonden regel (art. 5.57, tweede lid BW).
2
,THEORIE
VRAAG 7
Wat zijn de verschillen tussen cessie van schuldvordering en subrogatie? Werk
schematisch uit.
Cessie van SV Subrogatie of indeplaatsstelling
Wijze van overdracht van verbintenissen Wijze van uitdoving/tenietgaan van
verbintenissen
Veronderstelt steeds een overeenkomst Kan wettelijk, dan wel conventioneel zijn
tussen overdrager (SE) en overnemer (art. 5.217 BW), kan ook buiten toedoen van
(toestemming SA niet vereist) de SE
Er is nog geen betaling gebeurd, anders zou De schuld moet effectief betaald zijn door
er geen SV/schuld meer zijn een derde-betaler (gesubrogeerde SE).
Overdrager moet overnemer vrijwaren tegen Geen vrijwaring. Als derde niet-bestaande
niet-bestaan/ongeldigheid SA (art. 5.185 schuld betaald, kan hij terugvorderen van de
BW) betaalde SE o.g.v. onverschuldigde betaling
Cessionaris kan van SA volledige bedrag van Slechts ten belope van bedrag dat derde
de schuld eisen, ook al heeft hij minder effectief aan oorspronkelijke SE heeft
betaald aan cedent. betaald (art. 5.222 BW)
Cessie van een gedeelte van de SV: Betaling/Subrogatie van een gedeelte: nemo
vermogen SA ponds-ponds verdeeld over censetur subrogasse contra se: voorrang
oorspronkelijke en nieuwe SE oorspronkelijke SE boven gesubrogeerde SE
(art. 5.223 BW)
VRAAG 8
Wat is het essentiële verschil tussen de rechtstreekse vordering en de zijdelingse
vordering?
Op grond van de zijdelingse vordering kan de schuldeiser de rechten van zijn stilzittende
schuldenaar uitoefenen (artikel 5.242 BW). Dit gebeurt in diens naam en voor diens
rekening. Dit is een schijnbare uitzondering op de relativiteit van overeenkomsten omdat
de schuldeiser geen eigen krijgt, maar de rechten van zijn schuldenaar zal uitoefenen in
dienst naam en voor diens rekening. Bovendien komt de opbrengst van die vordering in
het vermogen van de schuldenaar terecht. Hierdoor kan er samenloop zijn met de andere
schuldeisers van de schuldenaar.
Op grond van de rechtstreekse vordering heeft de schuldeiser een eigen recht op basis
waarvan hij in eigen naam en voor eigen rekening een derde kan aanspreken (art. 5.110
BW). Dit is een echte uitzondering op het relativiteitsbeginsel. De opbrengst van die
rechtstreekse vordering komt trouwens terecht in het eigen vermogen van de schuldeiser
waardoor er geen samenloop kan ontstaan met de andere schuldeisers van de schuldenaar.
3
,VRAAG 9
Geef de 4 voornaamste verschillen tussen (1) een nietigheidsgrond; (2) grond van het
tenietgaan van het contract; én (3) grond van het tenietgaan van een verbintenis.
Werk schematisch uit.
Nietigheidsgrond Gronden tenietgaan contract Gronden tenietgaan verbintenis
Art. 5.57 j° 5.27 BW Art. 5.112, 1°-7° BW Artikel 5.244, 1°-8° BW
Geldigheidsvereiste niet Naast nietigheidsgronden ook Betaling, ontbindende
voldaan opzegging, ontbinding, voorwaarde,
definitieve onmogelijkheid tot schuldvernieuwing,
nakoming... schuldvergelijking, verval door
verdwijning van voorwerp...
Totstandkoming overeenkomst Niet noodzakelijk Niet op het ogenblik van de
totstandkoming van de totstandkoming
overeenkomst, maar ook op het
ogenblik van de opzeg, de
wanprestatie...
Contract is vernietigbaar (5.59 Contract kan worden beëindigd Verbintenis gaat teniet, maar
BW) niet noodzakelijk het contract
4
,VRAAG 10
De invoering van boek VI brengt een aantal ingrijpende wijzigingen met zich mee op het vlak
van buitencontractuele aansprakelijkheid. Één van de meest opvallende aanpassingen van het
oude recht is de afschaffing van de “quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent”. Deze wijziging
betekent een kleine revolutie voor de bouwsector, waarbij een buitencontractuele
aansprakelijkheidsvordering vanaf nu in de beide richtingen op dezelfde manier mogelijk
wordt. De wetgever kiest voor het zogenaamde “tweerichtingsverkeer”. Bouwheer en
onderaannemer zullen vaker direct tegenover elkaar staan in het geval van geschillen, wat de
onderhandelingspositie en verantwoordelijkheden van beide partijen zal beïnvloeden.
Het principe van tweerichtingsverkeer wordt getemperd door de eveneens nieuw ingevoerde
regel die stelt dat specifieke contractuele bedingen voorrang krijgen op de regels van
buitencontractuele aansprakelijkheid.
Geef vier contractuele suggesties die jij zou geven als advocaat aan een onderaannemer
om op te nemen in het onderaannemingscontract met hun contractspartij
(hoofdaannemer).
Vooreerst kan men uiteraard zo veel mogelijk de eigen aansprakelijkheid in de
onderaannemingsovereenkomst uitsluiten door een exoneratiebeding op te nemen (waarbij de
eigen aansprakelijk bvb. beperkt tot een bepaald bedrag, specifieke schade wordt uitgesloten,
etc…). Die beperking zal immers tegenwerpelijk zijn aan de opdrachtgever. Men zal hier wel steeds
oog moeten hebben voor het principe dat dergelijk beding de essentie van de overeenkomt niet mag
uithollen.
Men kan daarnaast een vrijwaringsbeding opnemen in de onderaannemingsovereenkomst waar de
hoofdaannemer de onderaannemer integraal vrijwaart in geval deze zou worden aangesproken door
de opdrachtgever. Dit beding is echter waardeloos indien de hoofdaannemer failliet zou zijn. Ook
zal dit nooit tot gevolg kunnen hebben dat daardoor een opzettelijke fout van de onderaannemer
een vrijwaringsplicht zou inhouden ten aanzien van de hoofdaannemer. Ook een vrijwaring n.a.v.
een grove fout is twijfelachtig. Men mag volgens vaste cassatierechtspraak zich immers niet ten
volle exonereren (i.e. verantwoordelijk uitsluiten) voor zover dit de essentie van de overeenkomst
zou uitmaken waardoor de overeenkomst de facto zou worden uitgehold.
Indien men een sterkmakingsbeding kan onderhandelen in de onderaannemingsovereenkomst,
waarbij de contractant/hoofdaannemer zich sterk maakt om in de overeenkomst met de
opdrachtgever een afstand van recht te laten opnemen ten nadele van de opdrachtgever om zich te
beroepen op de rechtstreekse vordering ten aanzien van onderaannemer. De opdrachtgever zal hier
echter niet warm voor lopen. In geval van faillissement van de hoofdaannemer, blijft hij immers in
de kou staan. Er zou dan ook kunnen voorzien worden dat de uitsluiting van de rechtstreekse
vordering van de opdrachtgever niet geldt in geval van faillissement van de hoofdaannemer, maar
dat holt het belang van dit beding dan weer sterk uit ten nadele van onderaannemer.
Tenslotte kan worden gedacht om de rechtstreekse vordering van de opdrachtgever in zijn geheel
contractueel uit te sluiten in de onderaannemingsovereenkomst door een specifiek
uitsluitingsbeding op te nemen van de vorderingsmogelijkheid ten voordele van de opdrachtgever.
De nieuwe wet stelt immers dat de onderaannemer alle verweermiddelen mag opwerpen tegen de
opdrachtgever die in de onderaannemingsovereenkomst staan.
5
, Casussen
VRAAG 11
P. trad op als advocaat in een zaak van de heer S., die op 16 november 2005 verwikkeld raakt
in een verkeersongeval. De zaak werd gepleit voor de Politierechtbank te Leuven en voor de
Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven. Deze laatste sprak vonnis uit op 10 juli 2009.
Per brief van 13 februari 2014 bezorgde P. haar ereloonstaat aan haar cliënt. In deze brief
schreef ze dat ze, «zoals eerder al gesignaleerd», opzoekingen had gedaan om eventueel een
cassatieberoep in te stellen tegen het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven.
Op 12 oktober 2014 liet de heer S. per brief weten dat zij de ereloonstaat niet ten laste zou
nemen wegens verjaring. P. ging hierop over tot dagvaarding ter invordering van deze
ereloonstaat.
S acht de vordering van P ontoelaatbaar wegens verjaring overeenkomstig art. 2276bis, § 2 oud
BW, naar luid waarvan de vordering van de advocaten tot betaling van kosten en ereloon
verjaart na verloop van vijf jaar na het beëindigen van hun taak. Zij stelt voorts dat de verjaring
werd bereikt op 23 april 2014.
P meent evenwel dat S zich niet op deze verjaring kan beroepen.
A. Geef 2 relevante bronnen van verbintenissenrecht op basis waarvan P. volgens jou
zijn vordering kan staven en hebben deze kans op slagen?
Fraus omnia corrumpit – P. kan doen gelden dat zij met haar brief van 13 februari 2014
tijdig haar ereloonstaat aan S. had bezorgd, maar dat deze laatste hierop bewust niet heeft
geantwoord om tijd te winnen en om vervolgens de verjaring te kunnen inroepen. Dit kan
aangetoond worden door het feit dat S. uit eigen beweging per brief van 12 oktober 2014
opwierp dat zij de staat niet meer ten laste wenste te nemen omdat deze verjaard was.
S. kan evenwel opwerpen dat P., door zelf jarenlang te hebben gewacht alvorens haar staat
van kosten en ereloon op te stellen, had moeten voorzien dat S. zelf ook meer tijd nodig
gehad zou hebben om het oude dossier opnieuw boven te halen en na te kijken, zodat P. er
in die omstandigheden niet zomaar van mocht uitgaan dat dit alles «onverwijld» zou
gebeuren.
Overeenkomstig het beginsel «Fraus omnia corrumpit» kan men zich bovendien nooit op
zijn eigen bedrog beroepen, noch in contractuele noch in buitencontractuele
rechtsverhoudingen, om de toepassing van een rechtsregel in zijn voordeel te
rechtvaardigen. Het beginsel heeft een algemene gelding in het verbintenissenrecht en
vindt niet alleen toepassing bij de totstandkoming van de verbintenis, maar ook bij de
uitvoering of de uitdoving ervan. Dit beginsel maakt een algemeen rechtsbeginsel uit.
Zowel het beginsel «Fraus omnia corrumpit» als de instelling van de verjaring zijn van
openbare orde, maar indien de schuldenaar de verjaring precies heeft verkregen door een
bedrieglijke handeling, moet het beginsel «Fraus omnia corrumpit» voorrang krijgen op
de instelling van de verjaring.
6