Hoofdstuk 11: Het kinesitherapeutisch onderzoek
11.1 Opbouw van een kinesitherapeutisch onderzoek
1. Anamnese (= vraaggesprek) – ‘ wat ga je aan deze patiënt vragen?’ –
belangrijkste is waarom je die vraag stelt
2. Inspectie
3. Oriënterende palpatie
4. Basisonderzoek: actief-, passief- en weerstandsonderzoek
5. Toegevoegd onderzoek
11.1.1 De anamnese
Anamnese = eerste en belangrijkste stap van het kinesitherapeutisch
onderzoek
Doel: informatie verzamelen over het klachtenpatroon van de patiënt
Gebeurt via gerichte vragen die leiden tot de kinesitherapeutische
diagnose
Aandacht voor zowel verbale als non-verbale communicatie
Ervaren therapeuten -> hypothese-gestuurde anamnese
De anamnese moet plaatsvinden in een rustige, veilige omgeving waar de
patiënt zich gehoord voelt
De therapeut moet een goede balans vinden tussen open en suggestieve
vragen
De hulpvraag van de patiënt moet duidelijk worden en concreet
geformuleerd zijn
Doelen moeten realistisch en SMART (= specifiek, meetbaar, acceptabel,
realistisch, tijdsgebonden) zijn
Inventarisatie van de hulpvraag binnen het kader van de ICF is essentieel
voor het afstemmen van het revalidatieproces
De informatie van de anamnese helpt bij het begrijpen van de
verwachtingen en het herstelproces van de patiënt
11.1.1.1 Algemene anamnese
Vragen naar administratieve zaken
Vragen naar geboortedatum, aders, telefoonnummer patiënt, beroep, ICE
…
Vragen naar sociale en familiale context
11.1.1.2 Specifieke anamnese
De 6 verschillende parallelle denkpistes:
1. Risico-inschatting
2. Pijnmechanismen
3. Tijdslijn
4. Structuur
5. Weefselmechanismen
6. Persoonlijke en omgevingsfactoren
,Risico-inschatting:
Rode vlaggen: absolute contra-indicatie: mogelijke tekenen van een
ernstige of levensbedreigende medische aandoening – je mag de patiënt
niet behandelen
- Voorbeelden: ’s Nacht zweten, wakker worden van de pijn … ->
symptomen van ernstige problemen
Oranje vlaggen: psychiatrische of psychologische problemen die herstel
kunnen belemmeren – je mag er mee beginnen maar je moet oppassen
- Voorbeelden: ernstige depressie, angststoornissen …
Groene vlaggen: gunstige factoren voor herstel, weinig of geen risico’s – er
is geen probleem
- Voorbeeld: goede motivatie voor herstel, geen aanwijzingen voor
ernstige pathologie …
Pijnmechanismen:
Nociceptieve pijn:
- Ontstaat door weefselschade of dreigende weefselschade
- Veroorzaakt door: activatie van nociceptoren = pijnreceptoren (sturen
signalen naar zenuwstelsel bij prikkels) (sommige patiënten hebben
slechte pijnreceptoren -> ervaren weinig pijn.)
- Hoeveelheid pijn = ernst van de weefselschade
- Veroorzaakt door: inflammatoir (na enkele dagen), mechanisch (na val,
compressie, directe pijn) of ischemisch proces (te weinig doorbloeding,
als je lang met je benen gekruist zit -> minder doorbloeding ->
tinteling -> vage klachten)
- Inflammatie = ontsteking = reactie van het lichaam op weefselschade
– doel? Beschermen van het lichaam, opruimen van beschadigd
weefsel + starten van herstel
- 5 symptomen van inflammatie: roodheid, zwelling, warmte, pijn en
functieverlies
- Inflammatie is absoluut noodzakelijk, anders geen goede genezing
- Pees = wit omdat er weinig bloed is -> als je die scheurt -> weinig
doorbloeding, weinig inflammatie dus minder goeie genezing, bij de
spier is dit niet zo
Neuropatische pijn:
- Ontstaat door: schade of een ziekte van het zenuwstelsel zelf
(probleem in: zenuwbanen, ruggenmerg of hersenen)
- Pijn = uitstralende pijn in de dermatomen (= huidstrook die verbonden
is met een specifieke zenuw die uit het ruggenmerg komt)
- Voorbeeld: bij een patiënt met tintelingen in de duim en onderarm –
denk aan de C6-wortel
- Kenmerken neuropatische pijn: brandend, tintelend, elektrisch,
overgevoeligheid ….
, - Is meestal in het perifeer zenuwstelsel
- als u zenuwen helemaal beschadigd = nul kracht want zenuwen laten
spieren bewegen
Nociplastische pijn:
- Ontstaan door: verstoorde werking van pijnsignalen in het zenuwstelsel
- Een prikkel die eigenlijk geen pijn mag aangegeven, geef toch pijn
- Geen duidelijke oorzaak in weefsel of zenuwen – moeilijk te lokaliseren
- Pijn -> meest voorkomende klacht, maar is iets subjectief
- De pijndrempel ligt veel lager dan bij ons. We moeten de patiënt
centraal gaan behandelen = centrale sensitisatie. Voorbeeld:
chronische lage rugpijn – patiënt heeft veel meer pijn door de schade
dan dat de schade zou mogen geven
- Vaak wordt veronderstelt dat de patiënten met chronische pijn,
nociplastische pijn (komt vaak voor bij chronische letsels) hebben.
- Je lichaam weet ook dat in stresssituatie pijn niet prioritair is
- Pijn beschermd tegen gevaarlijke situaties. Bij geen pijn zou je
bijvoorbeeld met een gebroken been blijven rondlopen
Tijdslijn:
Er wordt onderscheidt gemaakt tussen acute, subacute en chronische
letsels
- Acute pijn = de hoeveelheid pijn = de hoeveelheid weefselschade –
alarmsignaal (0-6w)
- Subacute pijn = overgang tussen acute en chronische pijn (6-12w)
- Chronische pijn = pijn is niet meer functioneel, de hoeveelheid pijn is
niet gerelateerd aan de hoeveelheid schade (> 12w)
- Recurrente pijn = pijn die steeds terugkeert in episodes – niet continu
aanwezig – komt vaak voor bij complexe aandoeningen die een cyclisch
verloop vertonen (voorbeeld: menstruatiepijn)
3 zaken dienen geëvalueerd te worden in functie van irriteerbaarheid
- De intensiteit van de activiteit die klachten uitlokt
- De ernst van de uitgeklokte klachten
- De duur alvorens deze klachten terug verdwijnen
Structuur:
11.1 Opbouw van een kinesitherapeutisch onderzoek
1. Anamnese (= vraaggesprek) – ‘ wat ga je aan deze patiënt vragen?’ –
belangrijkste is waarom je die vraag stelt
2. Inspectie
3. Oriënterende palpatie
4. Basisonderzoek: actief-, passief- en weerstandsonderzoek
5. Toegevoegd onderzoek
11.1.1 De anamnese
Anamnese = eerste en belangrijkste stap van het kinesitherapeutisch
onderzoek
Doel: informatie verzamelen over het klachtenpatroon van de patiënt
Gebeurt via gerichte vragen die leiden tot de kinesitherapeutische
diagnose
Aandacht voor zowel verbale als non-verbale communicatie
Ervaren therapeuten -> hypothese-gestuurde anamnese
De anamnese moet plaatsvinden in een rustige, veilige omgeving waar de
patiënt zich gehoord voelt
De therapeut moet een goede balans vinden tussen open en suggestieve
vragen
De hulpvraag van de patiënt moet duidelijk worden en concreet
geformuleerd zijn
Doelen moeten realistisch en SMART (= specifiek, meetbaar, acceptabel,
realistisch, tijdsgebonden) zijn
Inventarisatie van de hulpvraag binnen het kader van de ICF is essentieel
voor het afstemmen van het revalidatieproces
De informatie van de anamnese helpt bij het begrijpen van de
verwachtingen en het herstelproces van de patiënt
11.1.1.1 Algemene anamnese
Vragen naar administratieve zaken
Vragen naar geboortedatum, aders, telefoonnummer patiënt, beroep, ICE
…
Vragen naar sociale en familiale context
11.1.1.2 Specifieke anamnese
De 6 verschillende parallelle denkpistes:
1. Risico-inschatting
2. Pijnmechanismen
3. Tijdslijn
4. Structuur
5. Weefselmechanismen
6. Persoonlijke en omgevingsfactoren
,Risico-inschatting:
Rode vlaggen: absolute contra-indicatie: mogelijke tekenen van een
ernstige of levensbedreigende medische aandoening – je mag de patiënt
niet behandelen
- Voorbeelden: ’s Nacht zweten, wakker worden van de pijn … ->
symptomen van ernstige problemen
Oranje vlaggen: psychiatrische of psychologische problemen die herstel
kunnen belemmeren – je mag er mee beginnen maar je moet oppassen
- Voorbeelden: ernstige depressie, angststoornissen …
Groene vlaggen: gunstige factoren voor herstel, weinig of geen risico’s – er
is geen probleem
- Voorbeeld: goede motivatie voor herstel, geen aanwijzingen voor
ernstige pathologie …
Pijnmechanismen:
Nociceptieve pijn:
- Ontstaat door weefselschade of dreigende weefselschade
- Veroorzaakt door: activatie van nociceptoren = pijnreceptoren (sturen
signalen naar zenuwstelsel bij prikkels) (sommige patiënten hebben
slechte pijnreceptoren -> ervaren weinig pijn.)
- Hoeveelheid pijn = ernst van de weefselschade
- Veroorzaakt door: inflammatoir (na enkele dagen), mechanisch (na val,
compressie, directe pijn) of ischemisch proces (te weinig doorbloeding,
als je lang met je benen gekruist zit -> minder doorbloeding ->
tinteling -> vage klachten)
- Inflammatie = ontsteking = reactie van het lichaam op weefselschade
– doel? Beschermen van het lichaam, opruimen van beschadigd
weefsel + starten van herstel
- 5 symptomen van inflammatie: roodheid, zwelling, warmte, pijn en
functieverlies
- Inflammatie is absoluut noodzakelijk, anders geen goede genezing
- Pees = wit omdat er weinig bloed is -> als je die scheurt -> weinig
doorbloeding, weinig inflammatie dus minder goeie genezing, bij de
spier is dit niet zo
Neuropatische pijn:
- Ontstaat door: schade of een ziekte van het zenuwstelsel zelf
(probleem in: zenuwbanen, ruggenmerg of hersenen)
- Pijn = uitstralende pijn in de dermatomen (= huidstrook die verbonden
is met een specifieke zenuw die uit het ruggenmerg komt)
- Voorbeeld: bij een patiënt met tintelingen in de duim en onderarm –
denk aan de C6-wortel
- Kenmerken neuropatische pijn: brandend, tintelend, elektrisch,
overgevoeligheid ….
, - Is meestal in het perifeer zenuwstelsel
- als u zenuwen helemaal beschadigd = nul kracht want zenuwen laten
spieren bewegen
Nociplastische pijn:
- Ontstaan door: verstoorde werking van pijnsignalen in het zenuwstelsel
- Een prikkel die eigenlijk geen pijn mag aangegeven, geef toch pijn
- Geen duidelijke oorzaak in weefsel of zenuwen – moeilijk te lokaliseren
- Pijn -> meest voorkomende klacht, maar is iets subjectief
- De pijndrempel ligt veel lager dan bij ons. We moeten de patiënt
centraal gaan behandelen = centrale sensitisatie. Voorbeeld:
chronische lage rugpijn – patiënt heeft veel meer pijn door de schade
dan dat de schade zou mogen geven
- Vaak wordt veronderstelt dat de patiënten met chronische pijn,
nociplastische pijn (komt vaak voor bij chronische letsels) hebben.
- Je lichaam weet ook dat in stresssituatie pijn niet prioritair is
- Pijn beschermd tegen gevaarlijke situaties. Bij geen pijn zou je
bijvoorbeeld met een gebroken been blijven rondlopen
Tijdslijn:
Er wordt onderscheidt gemaakt tussen acute, subacute en chronische
letsels
- Acute pijn = de hoeveelheid pijn = de hoeveelheid weefselschade –
alarmsignaal (0-6w)
- Subacute pijn = overgang tussen acute en chronische pijn (6-12w)
- Chronische pijn = pijn is niet meer functioneel, de hoeveelheid pijn is
niet gerelateerd aan de hoeveelheid schade (> 12w)
- Recurrente pijn = pijn die steeds terugkeert in episodes – niet continu
aanwezig – komt vaak voor bij complexe aandoeningen die een cyclisch
verloop vertonen (voorbeeld: menstruatiepijn)
3 zaken dienen geëvalueerd te worden in functie van irriteerbaarheid
- De intensiteit van de activiteit die klachten uitlokt
- De ernst van de uitgeklokte klachten
- De duur alvorens deze klachten terug verdwijnen
Structuur: