Hoofdstuk 4: artrologie, myologie en innervatie van de onderste ledematen
4.1 Het heupgewricht (articulatio coxae)
= kogelgewricht met caput femoris en acetablum
➔ Steviger dan schouder -> diepe gewrichtspan, stevige ligamenten, spieren
➔ Caput femoris -> deels bedekt met kraakbeen (halve bol) - fovea capitis femoris niet
➔ Acetebulum -> facies lunata bedekt met kraakbeen – fossa acetabuli -> vetweefsel
(opvulling)
➔ Gewrichtspan -> verdiept door fibrocartilagineus labrum acetabuli (vezelkraakbeen)
➔ Insicura acetabuli -> overbrugd door ligamentum transversum acetabuli + labrum -> ring
die die kom verdiept
➔ Ligamentum transversum acetbuli + bodem van de incisura acetabuli -> ontspringt
ligamentum capitis femoris (insereren op de fovea capitis femoris) – bevindt zich tussen
het caput en vetweefsel
➔ Onder ligamentum transversum acetabuli -> bloedvaten -> fossa + ligamentum capitis
femoris (bevat kleine arterie -> bloedvoorziening)
- Bloedvoorziening -> collum
- Voeding collum -> vaatjes (capsula fibrosa)
- Breuk collum femoris -> bloedvaten collum -> caput zijn onderbroken
4.1.1 Gewrichtskapsel
= trechtervormig en nauw
4.1.1.1 Membrana synovialis
➔ Omringt de hele gewrichtsholte, vanaf labrum naar distale deel collum femoris
➔ Bekleed de hals tot aan de kraakbeenrand van de kop (hals is niet volledig bedekt
met periost) -> verklaat slechte genezing van collumfracturen
➔ Ligamentum capitis femoris -> duwt membrana synovialis naar buiten
l> groeit vast aan de randen van de fovea capitis femoris, waar het kraakbeen
onderbroken is
, ➔ Vetweefsel (fossa acetabuli + ligamentum capitis femoris) -> buiten gewrichtsholte,
afgescheiden door synoviaal membraan
➔ Synoviaal membraan: hecht aan de concave rand van het kraakbeen van de facies
lunata en slaat om op het ligamentum capitis femoris
4.1.1.2 Membrana fibrosa
➔ Vezels verlopen schroefvormig
L> hechten zich vast aan de benige rand van het acetabulum, deels over het labrum en
ligamentum transversum acetabuli heen
➔ Spitse rand -> labrum -> ligt intra-articulair
➔ Kapsel -> omsluit het caput femoris en het grootste deel van het collum femoris
l> ventraal: aanhechten bij de linea intertrochanterica
l> dorsaal: blijft het laterale derde van het collum vrij: insertie iets mediaal van de crisa
intertrochanterica
➔ Voorzijde collum femoris -> geen spierinserties
➔ Achterzijde collum femoris -> heel veel spierinserties (rond fossa trochanterica)
➔ Fossa trochanterica + trochanters -> buiten kapsel
4.1.2 Versterking kapsel
➔ 3 versterkingen: ligamentum iliofemorale, ischiofemorale en pubofemorale + zone
obricularis
4.1.2.1 Zona orbicularis
➔ Ringvormige band -> versterkt capsula rond het smalste deel van de collum
➔ Bestaat uit: eigen vezels + eindvezels van het ligamentum pubofermole en
ischiofemorale
➔ Femurkop steeks door -> zona orbicularis -> vgl. knoop in knoopsgat: collum draait vrij,
maar het caput wordt tegen de gewrichtspan aangedrukt
➔ Caput: gewrichtspan niet verlaten zonder zona te scheuren
4.1.2.2 Ligamentum iliofemorale/ligament van Bertin
➔ Één van de stevigste vanden van het lichaam
➔ Loopt over ventrale rand van het kapsel op de rand van het acetabulum
➔ Oorsprong: spina iliaca anterior inferior
➔ Insertie: linea intertrochanterica
➔ 2 randen van deze band (best ontwikkeld): pars lateralis/pars superior of pars
medialis/pars inferior
➔ Pars lateralis: volgt bovenrand collum naar linea intertrochanterica thv trochanter major
➔ Pars medialis: loopt over ventrale zijde collum naar linea intertrochanterica thv
trochanter minor
➔ Middelste deel: dunst - in combinatie met de 2 randen -> omgekeerde y
Bewegingen:
➔ Band ontspannen door anteflexie
, ➔ Remt retroflexie
➔ Vastaande bekken: ligament spant op bij retroflexie van de dij
➔ Verzet tegen het naar dorsaal kantelen van de romp bij een vaste dij
➔ Houdt het lichaam rechtop door evenwicht tussen ligamentspanning en tonus van de
bilspieren
➔ Bij rechtop staan: bekken lichtjes achterover gekanteld, ligamenten aangespannen
➔ Bij vooroverbuigen: dorsale spieren meoten inspanning leveren
➔ Remt exorotatie en lichte mate endorotatie
➔ Bij antelfexie ontspant het ligament, waardoor exorotatie van de dij mogelijk is
➔ Pars superior ontspant bij abductie, spant bij adductie - bij steun op één been helpt het
de bekkenstand behouden samen met de m. gluteus medius
4.1.2.3 Ligamentum pubofemorale
➔ Versterkt voorzijde kapsel
➔ Ontspringt met veel bundels op de rand van het acetabulum en op de eminentie
illiopubica
➔ Loopt over de voorzijde van de capsula -> lateraal over het collum femoris -> linea
intertrochanterica boven de trochanter minor + pars inferior (ligament Bertin)
➔ Veel vezels gaan thv. Kapsel over in de zona orbicularis
Beweging:
➔ Remt de abductie van de dij
4.1.2.4 Ligamentum ischiofemorale
➔ Versterkt achterzijde gewricht
➔ Oorsprong: dorsaal op os ischii + dorsale rand van het acetabulum
➔ Insertie: mediale zijde trochanter major + pars superior (ligament Bertin)
➔ Veel vezels stralen uit in de zona orbicularis
Beweging:
➔ Remt retroflexie samen met ligament van Bertin -> belet achteroverkantelen van het
bekken bij staan
➔ Remt endorotatie – gespannen banden
➔ Verslapt bij anteflexie (mogelijkheid tot endorotatie versterkt)
! in de capsula komen zwakke plaatsen voor tussen de drie banden
, 4.1.3 Bewegingen van de dij
➔ Pelvis = gefixeerd, dij = beweeglijk
➔ Rond 3 assen die door de caput lopen:
1. Anteflexie en retroflexie rond de laterolaterale as
2. Abductie en adductie rond de anteroposterieure as
3. Endo- en exorotatie rond de longitudinale as
Circumductie = beweging samengesteld uit componenten van de drie
- Bij alle bewegingen waardoor ligamenten worden gespannen, wordt ook de zona
orbicularis strakker aangetrokken. De kop wordt daardoor stevig in de kom gedrukt.
Retroflexie:
➔ Geremd door alle banden (vooral door: onderste deel ligamentum iliofemorale en
ligamentum ischiofemorale)
➔ Maximale uitslag = 13°
l> in rechtopstaande houding: bekken nauwelijks achterover gekanteld
Anteflexie:
➔ Geremd door dorsale dijspieren (vooral als knie gestrekt is)
➔ Vooroverbuigen met gesterkte knie -> bemoeilijkt
➔ Knie gebogen -> dij tot tegen de buikwand flecteren
➔ 120°
Endorotatie:
➔ Geremd door pars superior (ligamentum iliofemorale) en ligamentum ischiofemorale
➔ 36°
Exorotatie:
➔ Geremd door pars superior en pars inferior (ligamentum iliofemorale) en ligamentum
pubofemorale
➔ 13°
Adductie:
➔ Geremd door pars superior (ligamentum iliofemorale)
➔ 20°
Abductie:
➔ Geremd door ligamentum pubofemorale
➔ 40°
4.1.4 Bewegingen van het bekken
➔ Dij is gefixeerd
➔ Referentiepunt = spina iliaca anterior superior
Anteversie:
➔ Voorwaarts kantelen van het bekken
➔ Lendenlordose neemt toe
4.1 Het heupgewricht (articulatio coxae)
= kogelgewricht met caput femoris en acetablum
➔ Steviger dan schouder -> diepe gewrichtspan, stevige ligamenten, spieren
➔ Caput femoris -> deels bedekt met kraakbeen (halve bol) - fovea capitis femoris niet
➔ Acetebulum -> facies lunata bedekt met kraakbeen – fossa acetabuli -> vetweefsel
(opvulling)
➔ Gewrichtspan -> verdiept door fibrocartilagineus labrum acetabuli (vezelkraakbeen)
➔ Insicura acetabuli -> overbrugd door ligamentum transversum acetabuli + labrum -> ring
die die kom verdiept
➔ Ligamentum transversum acetbuli + bodem van de incisura acetabuli -> ontspringt
ligamentum capitis femoris (insereren op de fovea capitis femoris) – bevindt zich tussen
het caput en vetweefsel
➔ Onder ligamentum transversum acetabuli -> bloedvaten -> fossa + ligamentum capitis
femoris (bevat kleine arterie -> bloedvoorziening)
- Bloedvoorziening -> collum
- Voeding collum -> vaatjes (capsula fibrosa)
- Breuk collum femoris -> bloedvaten collum -> caput zijn onderbroken
4.1.1 Gewrichtskapsel
= trechtervormig en nauw
4.1.1.1 Membrana synovialis
➔ Omringt de hele gewrichtsholte, vanaf labrum naar distale deel collum femoris
➔ Bekleed de hals tot aan de kraakbeenrand van de kop (hals is niet volledig bedekt
met periost) -> verklaat slechte genezing van collumfracturen
➔ Ligamentum capitis femoris -> duwt membrana synovialis naar buiten
l> groeit vast aan de randen van de fovea capitis femoris, waar het kraakbeen
onderbroken is
, ➔ Vetweefsel (fossa acetabuli + ligamentum capitis femoris) -> buiten gewrichtsholte,
afgescheiden door synoviaal membraan
➔ Synoviaal membraan: hecht aan de concave rand van het kraakbeen van de facies
lunata en slaat om op het ligamentum capitis femoris
4.1.1.2 Membrana fibrosa
➔ Vezels verlopen schroefvormig
L> hechten zich vast aan de benige rand van het acetabulum, deels over het labrum en
ligamentum transversum acetabuli heen
➔ Spitse rand -> labrum -> ligt intra-articulair
➔ Kapsel -> omsluit het caput femoris en het grootste deel van het collum femoris
l> ventraal: aanhechten bij de linea intertrochanterica
l> dorsaal: blijft het laterale derde van het collum vrij: insertie iets mediaal van de crisa
intertrochanterica
➔ Voorzijde collum femoris -> geen spierinserties
➔ Achterzijde collum femoris -> heel veel spierinserties (rond fossa trochanterica)
➔ Fossa trochanterica + trochanters -> buiten kapsel
4.1.2 Versterking kapsel
➔ 3 versterkingen: ligamentum iliofemorale, ischiofemorale en pubofemorale + zone
obricularis
4.1.2.1 Zona orbicularis
➔ Ringvormige band -> versterkt capsula rond het smalste deel van de collum
➔ Bestaat uit: eigen vezels + eindvezels van het ligamentum pubofermole en
ischiofemorale
➔ Femurkop steeks door -> zona orbicularis -> vgl. knoop in knoopsgat: collum draait vrij,
maar het caput wordt tegen de gewrichtspan aangedrukt
➔ Caput: gewrichtspan niet verlaten zonder zona te scheuren
4.1.2.2 Ligamentum iliofemorale/ligament van Bertin
➔ Één van de stevigste vanden van het lichaam
➔ Loopt over ventrale rand van het kapsel op de rand van het acetabulum
➔ Oorsprong: spina iliaca anterior inferior
➔ Insertie: linea intertrochanterica
➔ 2 randen van deze band (best ontwikkeld): pars lateralis/pars superior of pars
medialis/pars inferior
➔ Pars lateralis: volgt bovenrand collum naar linea intertrochanterica thv trochanter major
➔ Pars medialis: loopt over ventrale zijde collum naar linea intertrochanterica thv
trochanter minor
➔ Middelste deel: dunst - in combinatie met de 2 randen -> omgekeerde y
Bewegingen:
➔ Band ontspannen door anteflexie
, ➔ Remt retroflexie
➔ Vastaande bekken: ligament spant op bij retroflexie van de dij
➔ Verzet tegen het naar dorsaal kantelen van de romp bij een vaste dij
➔ Houdt het lichaam rechtop door evenwicht tussen ligamentspanning en tonus van de
bilspieren
➔ Bij rechtop staan: bekken lichtjes achterover gekanteld, ligamenten aangespannen
➔ Bij vooroverbuigen: dorsale spieren meoten inspanning leveren
➔ Remt exorotatie en lichte mate endorotatie
➔ Bij antelfexie ontspant het ligament, waardoor exorotatie van de dij mogelijk is
➔ Pars superior ontspant bij abductie, spant bij adductie - bij steun op één been helpt het
de bekkenstand behouden samen met de m. gluteus medius
4.1.2.3 Ligamentum pubofemorale
➔ Versterkt voorzijde kapsel
➔ Ontspringt met veel bundels op de rand van het acetabulum en op de eminentie
illiopubica
➔ Loopt over de voorzijde van de capsula -> lateraal over het collum femoris -> linea
intertrochanterica boven de trochanter minor + pars inferior (ligament Bertin)
➔ Veel vezels gaan thv. Kapsel over in de zona orbicularis
Beweging:
➔ Remt de abductie van de dij
4.1.2.4 Ligamentum ischiofemorale
➔ Versterkt achterzijde gewricht
➔ Oorsprong: dorsaal op os ischii + dorsale rand van het acetabulum
➔ Insertie: mediale zijde trochanter major + pars superior (ligament Bertin)
➔ Veel vezels stralen uit in de zona orbicularis
Beweging:
➔ Remt retroflexie samen met ligament van Bertin -> belet achteroverkantelen van het
bekken bij staan
➔ Remt endorotatie – gespannen banden
➔ Verslapt bij anteflexie (mogelijkheid tot endorotatie versterkt)
! in de capsula komen zwakke plaatsen voor tussen de drie banden
, 4.1.3 Bewegingen van de dij
➔ Pelvis = gefixeerd, dij = beweeglijk
➔ Rond 3 assen die door de caput lopen:
1. Anteflexie en retroflexie rond de laterolaterale as
2. Abductie en adductie rond de anteroposterieure as
3. Endo- en exorotatie rond de longitudinale as
Circumductie = beweging samengesteld uit componenten van de drie
- Bij alle bewegingen waardoor ligamenten worden gespannen, wordt ook de zona
orbicularis strakker aangetrokken. De kop wordt daardoor stevig in de kom gedrukt.
Retroflexie:
➔ Geremd door alle banden (vooral door: onderste deel ligamentum iliofemorale en
ligamentum ischiofemorale)
➔ Maximale uitslag = 13°
l> in rechtopstaande houding: bekken nauwelijks achterover gekanteld
Anteflexie:
➔ Geremd door dorsale dijspieren (vooral als knie gestrekt is)
➔ Vooroverbuigen met gesterkte knie -> bemoeilijkt
➔ Knie gebogen -> dij tot tegen de buikwand flecteren
➔ 120°
Endorotatie:
➔ Geremd door pars superior (ligamentum iliofemorale) en ligamentum ischiofemorale
➔ 36°
Exorotatie:
➔ Geremd door pars superior en pars inferior (ligamentum iliofemorale) en ligamentum
pubofemorale
➔ 13°
Adductie:
➔ Geremd door pars superior (ligamentum iliofemorale)
➔ 20°
Abductie:
➔ Geremd door ligamentum pubofemorale
➔ 40°
4.1.4 Bewegingen van het bekken
➔ Dij is gefixeerd
➔ Referentiepunt = spina iliaca anterior superior
Anteversie:
➔ Voorwaarts kantelen van het bekken
➔ Lendenlordose neemt toe