Ruimte: hier en elders:
1 Wat is de ruimte?
1.1 De objectieve en subjectieve ruimte:
Objectieve ruimte:
= de meetbare ruimte
Ruimte die kan uitgedrukt worden met behulp v/e maat een bijhorende
eenheid (bv: lengte meten in aantal stappen, afstand uitdrukken in kilometer)
Subjectieve ruimte:
= beleefde ruimte
‘persoonlijke ruimte’
Een ruimte die door iedereen anders beleefd wordt
Leerdoel: onderscheid maken tussen subjectieve en objectieve ruimte toelichten en
illustreren a.d.h.v. voorbeelden
1.2 De fysieke en psychologische ruimte:
Fysieke ruimte:
= de werkelijkheid die ons omringt
Ruimte die we kunnen waarnemen en waarin we ons verplaatsen
Jonge kinderen richten zich o/h verkennen v/d bekende ruimtelijke gebieden
‘met/op handen en voeten’
Bv: de klas, de school, de straat, …
Psychologische ruimte:
= de mentale voorstelling
Zo’n mentale voorstelling is vaak onvolledig en vervormd, maar is ook
veranderlijk
Worden voortdurend bijsturen en aanvullen vanuit onze ervaringen
Bij jonge kinderen moeten we er rekening mee houden dat fantasie en
werkelijkheid nog verwerven zijn, wanneer ze zich ‘in hun hoofd’ een bepaalde
ruimte voor de geest halen
Bv: voorstellingen ‘in het hoofd’ v/h eigen huis
Zowel de fysieke en psychologische ruimte zijn belangrijk binnen onderwijs
We laten kinderen kennismaken met fysieke ruimtes (bv: de klas, de school, de
straat, …) en ondersteunen hen bij het opbouwen en uitbreiden v/e mentale
voorstelling v/d ruimte (bv: voorstelling ‘in het hoofd’ v/h eigen huis)
‘local to global’- benadering: kinderen leren naarmate ze ouder worden een steeds
groter gebied kennen en ruimtelijk voorstellen
Leerdoel: onderscheid maken tussen de fysieke en psychologische ruimte toelichten en
illustreren a.d.h.v. voorbeelden
1.3 ‘Local-to-global’- benadering en de geografische ruimte:
‘local-to-global’- principe om kinderen hun ruimtelijk bewustzijn geleidelijk te
ontwikkelen
1
, Voorstellen als een omgekeerde driehoek, waarbij ieder hoger stapje in de driehoek
een groter ruimtelijk schaalniveau weergeeft
1ste graad v/d lagere school wordt de nadruk gelegd o/d ruimte die kleiner is dan het
eigen lichaam (objectruimte) of groter dan het eigen lichaam maar zichtbaar in 1
oogopslag (bv: speelzone, de klas, de speelplaats, …)
De ruimte wordt geleidelijk groter: v/d omgevingsruimte die we fysiek nog kunnen
verkennen (bv: schoolomgeving) tot uiteindelijk de geografische ruimte die veel groter
is dan het eigen lichaam en die we ons enkel nog mentaal kunnen verbeelden (bv: de
gemeente, Europa, de rest v/d wereld, het heelal)
Geografische ruimte:
= de ruimte die we niet langer leren kennen door directe waarneming of
verkenning
Mentale voorstelling die vorm krijgt op basis van abstracte representaties (bv:
wereldbol, kaart)
Representaties leren begrijpen
In de kleuterschool ligt de klemtoon o/d ‘kleinste schaalniveau’ (lokaal)
De schaalniveaus zijn direct waarneembaar (onder de blauwe lijn in de
driehoek)
Kleuters leren de gemeente waarin ze wonen kennen
Doorbreken v/h ‘local-to-globlal’- principe in de kleuterschool
We laten kleuters af en toe o/e gepaste wijze kennismaken met de
geografische ruimte in de vorm van landen, de wereld, het heelal, …
Belangrijk om dit te doen --> leggen vanaf een jonge leeftijd een basis om op
verschillende ruimtelijke schaalniveaus te leren denken
Voldoende tijd en herhaling is nodig --> vollediger en werkelijkheidsgetrouwer
geografisch beeld kunnen vormen --> ‘grotere schaalniveaus’ (globaal)
Leerdoel: local-to-global principe uitleggen en de vertaling ervan naar de doelgroep van
kleuters uitleggen en weergeven in een omgekeerde driehoek met de verschillende
ruimtelijke schaalniveaus (van objectruimte tot het heelal)
2
1 Wat is de ruimte?
1.1 De objectieve en subjectieve ruimte:
Objectieve ruimte:
= de meetbare ruimte
Ruimte die kan uitgedrukt worden met behulp v/e maat een bijhorende
eenheid (bv: lengte meten in aantal stappen, afstand uitdrukken in kilometer)
Subjectieve ruimte:
= beleefde ruimte
‘persoonlijke ruimte’
Een ruimte die door iedereen anders beleefd wordt
Leerdoel: onderscheid maken tussen subjectieve en objectieve ruimte toelichten en
illustreren a.d.h.v. voorbeelden
1.2 De fysieke en psychologische ruimte:
Fysieke ruimte:
= de werkelijkheid die ons omringt
Ruimte die we kunnen waarnemen en waarin we ons verplaatsen
Jonge kinderen richten zich o/h verkennen v/d bekende ruimtelijke gebieden
‘met/op handen en voeten’
Bv: de klas, de school, de straat, …
Psychologische ruimte:
= de mentale voorstelling
Zo’n mentale voorstelling is vaak onvolledig en vervormd, maar is ook
veranderlijk
Worden voortdurend bijsturen en aanvullen vanuit onze ervaringen
Bij jonge kinderen moeten we er rekening mee houden dat fantasie en
werkelijkheid nog verwerven zijn, wanneer ze zich ‘in hun hoofd’ een bepaalde
ruimte voor de geest halen
Bv: voorstellingen ‘in het hoofd’ v/h eigen huis
Zowel de fysieke en psychologische ruimte zijn belangrijk binnen onderwijs
We laten kinderen kennismaken met fysieke ruimtes (bv: de klas, de school, de
straat, …) en ondersteunen hen bij het opbouwen en uitbreiden v/e mentale
voorstelling v/d ruimte (bv: voorstelling ‘in het hoofd’ v/h eigen huis)
‘local to global’- benadering: kinderen leren naarmate ze ouder worden een steeds
groter gebied kennen en ruimtelijk voorstellen
Leerdoel: onderscheid maken tussen de fysieke en psychologische ruimte toelichten en
illustreren a.d.h.v. voorbeelden
1.3 ‘Local-to-global’- benadering en de geografische ruimte:
‘local-to-global’- principe om kinderen hun ruimtelijk bewustzijn geleidelijk te
ontwikkelen
1
, Voorstellen als een omgekeerde driehoek, waarbij ieder hoger stapje in de driehoek
een groter ruimtelijk schaalniveau weergeeft
1ste graad v/d lagere school wordt de nadruk gelegd o/d ruimte die kleiner is dan het
eigen lichaam (objectruimte) of groter dan het eigen lichaam maar zichtbaar in 1
oogopslag (bv: speelzone, de klas, de speelplaats, …)
De ruimte wordt geleidelijk groter: v/d omgevingsruimte die we fysiek nog kunnen
verkennen (bv: schoolomgeving) tot uiteindelijk de geografische ruimte die veel groter
is dan het eigen lichaam en die we ons enkel nog mentaal kunnen verbeelden (bv: de
gemeente, Europa, de rest v/d wereld, het heelal)
Geografische ruimte:
= de ruimte die we niet langer leren kennen door directe waarneming of
verkenning
Mentale voorstelling die vorm krijgt op basis van abstracte representaties (bv:
wereldbol, kaart)
Representaties leren begrijpen
In de kleuterschool ligt de klemtoon o/d ‘kleinste schaalniveau’ (lokaal)
De schaalniveaus zijn direct waarneembaar (onder de blauwe lijn in de
driehoek)
Kleuters leren de gemeente waarin ze wonen kennen
Doorbreken v/h ‘local-to-globlal’- principe in de kleuterschool
We laten kleuters af en toe o/e gepaste wijze kennismaken met de
geografische ruimte in de vorm van landen, de wereld, het heelal, …
Belangrijk om dit te doen --> leggen vanaf een jonge leeftijd een basis om op
verschillende ruimtelijke schaalniveaus te leren denken
Voldoende tijd en herhaling is nodig --> vollediger en werkelijkheidsgetrouwer
geografisch beeld kunnen vormen --> ‘grotere schaalniveaus’ (globaal)
Leerdoel: local-to-global principe uitleggen en de vertaling ervan naar de doelgroep van
kleuters uitleggen en weergeven in een omgekeerde driehoek met de verschillende
ruimtelijke schaalniveaus (van objectruimte tot het heelal)
2