Naar buiten met kleuters:
1 Inleiding:
Kinderen zoveel mogelijk confronteren met echte ervaringen in hun directe omgeving
--> echte dingen
Buiten de klas zijn de echte ervaringen
Didactisch principe werkelijkheidsnabij:
Vertrekken vanuit het kind en de eigen omgeving
De omgeving (v/h kind) is het uitgangspunt voor ervaren en leren
De schoolomgeving vormt een belangrijk deel v/d omgeving v/h kind
2 Op verschillende manieren naar buiten:
Buitenonderwijs gaat van kleine buitenactiviteiten tot projecten volledig buiten de klas
Bv: v/e eenvoudige wiskundige activiteit die door de gelegenheid via een spel
buiten wordt gespeeld tot groots opgezette projecten, waarin er van ‘4 muren’
totaal geen sprake meer is
‘Buiten’ kan betekenen: in de openlucht of buiten de schoolmuren
Sommige scholen kiezen een vast moment of zelfs o/e vaste dag buiten te zijn
‘Waldkindergarten’ --> kinderen zijn bijna altijd buiten
Vaak wordt er gekozen voor een gerichte (leer)uitstap naar een bepaalde plek (bv:
het bos)
(Leer)wandeling --> verschillende plekjes in de buurt v/d school worden benut (bv: om
vormen te herkennen, vogel spotten, …)
Buitenonderwijs vindt plaats in alle mogelijke omgevingen:
Bv: stedelijke omgeving, pleinen, gebouwen, bermen, parken, bewoners, ook
landbouw, bos- en waterlandschappen
Daarnaast zijn er ook nog omgevingen die worden ingericht voor specifieke
educatieve activiteiten en doelen (bv: plantentuin, dierentuin, musea)
Er zijn ook locaties die gericht zijn o/h recreatieve (bv: speeltuin, pretpark)
Doel: leren en ervaren in de echte wereld
Leerdoel: de ontwikkelingskansen van buitenonderwijs voor jonge kinderen omschrijven
Leerdoel: de gelijkenissen en verschillen tussen de vormen van buitenonderwijs (buitenspel,
omgevingsonderwijs en openluchtonderwijs) bespreken
1
, 2.1 Buitenspel:
Kinderen:
Manipuleren en transformeren van materialen
Ervaringen opdoen met alle zintuigen
Fysiek spel en motorische vaardigheden (ruimte)
Zelfredzaamheid en motivatie
Aftasten van grenzen van zichzelf en anderen
Samenwerking en creativiteit
Ervaren autonomie
Waarnemen de natuur
Rijke taal gebruiken
Onvoorspelbaarheid
Denkvragen stellen --> Wat zie je? Wat denk je?
Begeleider i.p.v. leider
Speelrelatie = de relatie die jonge kinderen hebben met hun omgeving via directe
ervaringen
De buitenomgeving stimuleert spontaan spelen en leren
Bij buitenspel laten kinderen alle controle varen en laten ze de omgeving toe om hun
activiteiten vorm te geven
Buitenspel kan in verband gebracht worden met risicovol spelen
Zeg niet altijd ‘pas op’ maar vertel hoe het veilig kan
Praat met anderen over wat aanvaardbare risico’s zijn
Ga ervan uit dat een kind competent is of kan groeien in competentie --> stel
hoge verwachtingen
Jongens en meisjes hebben recht op dezelfde risico’s
Leer kinderen wat veilig is
Zeg niet zomaar ‘nee’ maar bekijk wat wel mogelijk is
Waardevolle positieve gevolgen (bv: beheersen van nieuwe vaardigheden en het
beleven van opwinding)
Concrete en beweeglijke activiteiten en kinderen communiceren meer met hun
lichaam dan met woorden
Dubbelzinnigheid van omgevingselementen (bv: een tak, een blad, een steen, …)
leidt ertoe dat de kinderen zelf kunnen beslissen hoe ze deze willen gebruiken (bv:
een tak --> wandelstok, toverstaf, lepel om te roeren)
Vrij spel:
Kinderen hebben een drang om te bewegen en te ontdekken
Kind dat voldaan is zoekt een nieuwe uitdaging
Sommige scholen werken rond buitenspel in hun pedagogisch project
Scholen kiezen voor een groenere en een uitdagende speelplaats
Ook buiten de schoolmuren zijn er kansen voor vrij buitenspel
Uitstap naar het bos of het strand of plekjes dichter bij de school
Scharrelkinderen --> kinderen die samen met vriendjes rondlopen in bossen
en parken, hutten maken, bessen plukken, …
In de thuiscontext is er vaak niet zoveel kans om in alle vrijheid te spelen en
regelmatig contact te hebben met hun omgeving (natuur)
2
1 Inleiding:
Kinderen zoveel mogelijk confronteren met echte ervaringen in hun directe omgeving
--> echte dingen
Buiten de klas zijn de echte ervaringen
Didactisch principe werkelijkheidsnabij:
Vertrekken vanuit het kind en de eigen omgeving
De omgeving (v/h kind) is het uitgangspunt voor ervaren en leren
De schoolomgeving vormt een belangrijk deel v/d omgeving v/h kind
2 Op verschillende manieren naar buiten:
Buitenonderwijs gaat van kleine buitenactiviteiten tot projecten volledig buiten de klas
Bv: v/e eenvoudige wiskundige activiteit die door de gelegenheid via een spel
buiten wordt gespeeld tot groots opgezette projecten, waarin er van ‘4 muren’
totaal geen sprake meer is
‘Buiten’ kan betekenen: in de openlucht of buiten de schoolmuren
Sommige scholen kiezen een vast moment of zelfs o/e vaste dag buiten te zijn
‘Waldkindergarten’ --> kinderen zijn bijna altijd buiten
Vaak wordt er gekozen voor een gerichte (leer)uitstap naar een bepaalde plek (bv:
het bos)
(Leer)wandeling --> verschillende plekjes in de buurt v/d school worden benut (bv: om
vormen te herkennen, vogel spotten, …)
Buitenonderwijs vindt plaats in alle mogelijke omgevingen:
Bv: stedelijke omgeving, pleinen, gebouwen, bermen, parken, bewoners, ook
landbouw, bos- en waterlandschappen
Daarnaast zijn er ook nog omgevingen die worden ingericht voor specifieke
educatieve activiteiten en doelen (bv: plantentuin, dierentuin, musea)
Er zijn ook locaties die gericht zijn o/h recreatieve (bv: speeltuin, pretpark)
Doel: leren en ervaren in de echte wereld
Leerdoel: de ontwikkelingskansen van buitenonderwijs voor jonge kinderen omschrijven
Leerdoel: de gelijkenissen en verschillen tussen de vormen van buitenonderwijs (buitenspel,
omgevingsonderwijs en openluchtonderwijs) bespreken
1
, 2.1 Buitenspel:
Kinderen:
Manipuleren en transformeren van materialen
Ervaringen opdoen met alle zintuigen
Fysiek spel en motorische vaardigheden (ruimte)
Zelfredzaamheid en motivatie
Aftasten van grenzen van zichzelf en anderen
Samenwerking en creativiteit
Ervaren autonomie
Waarnemen de natuur
Rijke taal gebruiken
Onvoorspelbaarheid
Denkvragen stellen --> Wat zie je? Wat denk je?
Begeleider i.p.v. leider
Speelrelatie = de relatie die jonge kinderen hebben met hun omgeving via directe
ervaringen
De buitenomgeving stimuleert spontaan spelen en leren
Bij buitenspel laten kinderen alle controle varen en laten ze de omgeving toe om hun
activiteiten vorm te geven
Buitenspel kan in verband gebracht worden met risicovol spelen
Zeg niet altijd ‘pas op’ maar vertel hoe het veilig kan
Praat met anderen over wat aanvaardbare risico’s zijn
Ga ervan uit dat een kind competent is of kan groeien in competentie --> stel
hoge verwachtingen
Jongens en meisjes hebben recht op dezelfde risico’s
Leer kinderen wat veilig is
Zeg niet zomaar ‘nee’ maar bekijk wat wel mogelijk is
Waardevolle positieve gevolgen (bv: beheersen van nieuwe vaardigheden en het
beleven van opwinding)
Concrete en beweeglijke activiteiten en kinderen communiceren meer met hun
lichaam dan met woorden
Dubbelzinnigheid van omgevingselementen (bv: een tak, een blad, een steen, …)
leidt ertoe dat de kinderen zelf kunnen beslissen hoe ze deze willen gebruiken (bv:
een tak --> wandelstok, toverstaf, lepel om te roeren)
Vrij spel:
Kinderen hebben een drang om te bewegen en te ontdekken
Kind dat voldaan is zoekt een nieuwe uitdaging
Sommige scholen werken rond buitenspel in hun pedagogisch project
Scholen kiezen voor een groenere en een uitdagende speelplaats
Ook buiten de schoolmuren zijn er kansen voor vrij buitenspel
Uitstap naar het bos of het strand of plekjes dichter bij de school
Scharrelkinderen --> kinderen die samen met vriendjes rondlopen in bossen
en parken, hutten maken, bessen plukken, …
In de thuiscontext is er vaak niet zoveel kans om in alle vrijheid te spelen en
regelmatig contact te hebben met hun omgeving (natuur)
2