Les 1 18/02/2026
Inleiding:
Gebruik slides om te studeren in het boek staat er ook heel veel maar ook veel extra, de
accenten die hij maakt in de les zijn belangrijk, we zien 8 hoofdstukken. Alles wat in
lessen gezegd wordt kennen. Gebruik achteraan de leerdoelen en zelftoets in het boek.
Een blik op de inhoud
en opbouw:
het antwoord is nee, maar de
leerlingen hebben zich laten
misleiden en ook stress, dus je
gaat snel een antwoord
verzinnen op basis van je
intuïtie. Je gaat niet logisch,
analytisch te werk.
Intuïtief denken: Daniel Kahneman; 2 fundamenteel verschillende
denkprocessen.
1. Snelle denken = intuïtief denken > systeem 1 (= default modus)
Systeem 1 is ons oude brein dat nog aanwezig is (reptielenbrein). Je gaat
heuristieken (= mentale vuistregels of snelle denkstrategieën gebruiken om
antwoorden te formuleren) gebruiken om te antwoorden.
2. Trage denken = analytisch denken > systeem 2
Systeem 2 is ons nieuwe brein. Dat prefrontale gedeelte is typisch voor de
mens, waardoor we ver kunnen denken en complexe zaken kunnen
beantwoorden maar dat vergt
tijd.
De bedoeling is dat 1 en 2 in balans zijn.
We moeten niet overmatig gebruik maken
van ons nieuwe brein, want dan
overbelasten we het constant. Maar
hebben toch dat niveau nodig om de eisen
van de maatschappij tegemoet te komen.
• Brain-rot: het eindeloos scrollen, je
bekijkt zaken passief en denkt dus
bijna niet na. Hierdoor bouw je gedragspatronen op. Vb: iemand die moeilijke
boeken leest, bouwt concentratie op.
Bij scrollen heb je die lange concentratie niet , jongeren verspringen heel snel van
de ene app na de andere app en men stimuleert op die manier wat men noemt
, divided attention, je aandacht verspringt. De gemiddelde aandacht bereik neemt
af bij jongeren.
We leven in een overvloed van heel snelle visuele info. Als er een
gedragspatroon ontstaat waarbij steeds minder en minder aandacht en
concentratie wordt gevraagd, dan gaan onze hersenen ook niet getrained
worden op het langdurig concentreren.
Hoofstuk 1: eenvoud en complexiteit
• Ethologisch – evolutionair denken over gedrag
= Gedrag wordt begrepen vanuit de evolutie: bepaalde gedragspatronen zijn ontstaan bij
de eerste mensen (±200.000 jaar geleden) omdat ze een overlevingsfunctie hadden.
Deze patronen zijn genetisch verankerd en bestaan vandaag nog, ook al zijn ze niet altijd
meer functioneel in onze huidige omgeving.
• Epimutaties en transgenerationele overdach
= Genmutaties kunnen worden doorgegeven van ouders op kind, en nemen toe met de
leeftijd van de ouders. Deze mutaties kunnen ook transgenerationeel worden
overgedragen via de voortplantingscellen.
Daarnaast is er epigenetica: dit gaat over het epigenoom, dat bepaalt welke genen aan-
of uitgeschakeld worden. Dit systeem wordt beïnvloed door omgevingsfactoren zoals
stress, milieu en gedrag.
Daardoor is de interactie tussen erfelijkheid en omgeving veel complexer en
dynamischer dan vroeger gedacht (bv. in de klassieke Darwiniaanse visie).
Belangrijk: het epigenoom stuurt genexpressie en wordt mee bepaald
door leefomstandigheden en gedrag.
• Nonlineair en multifactoriële invloed
= een gedrag kan beinvloed worden door verschillende factoren tergelijke tijd en op
een niet-lineaire manier.
Wat is de beste manier om kinderen te laten opgroeien in een gezin met een goede
vorm van sociale competentie?
Dat het kind veel warmte krijgt en niet
teveel controle, te weinig of te veel
controle heeft een slechte invloed.
• Invloeden in interactie ontrafelen
➢ Onderzoek naar de onntwikkeling van
cognitieve competentie bij kleuters:
Resultaat:
, begeleidend commmentaar (verbaal) van de ouder heeft positieve effecten op de
verbale competentie van het kind maar ook de nonverbale competentie.
En bleek ook meer kennis bij ouders → rijkere taalinteractie met het kind → betere
ondersteuning van ontwikkeling
Nog zie je dat de socio-economische status van het gezin de grootste invloed
heeft op het kind.
Uiteindelijk heeft de context van waar het kind opgroeit een heel sterke invloed
op de cognitieve competentie van dat kind.
Hoofdstuk 2: beroemde patiënten in de kijker
• Hyserie: grieks hysteron = baarmoeder
Bij de egyptenaren werd hyserie beschrevn als een ziekte die voorkwam bij jonge
vrouwen die een tekort hadden aan seksuele activiteiten. Ze stelden dat wanneer een
vrouw onvoldoende seksuele bevrediging kreeg de baarmoeder naar boven gaat
kruipen.
1. Phineas Gage; een spoorweg arbeider die
een staaf door zijn frontaalkwab kreeg en
werd zijn schedel werd doorboord. Van
zijn cognitieve functies was er niets
aangestast behalve dat zijn vrouw zei dat
hij van karakter helemaal veranderd was
en niet meer de oude Phineas was. Zijn
karakteriegenschappen waren dus wel
gewijzigd. Dit was de start van het frontaal
syndroom (= verhoogde prikkelbaarheid, last om je te oriënteren, moeite om te
anticiperen (=vooruit denken) op zaken.
2. Henry Molaison (HM); geopereerd onder
aan temporale kwab, omdat hij last had
van epilepsi aanvallen. Hij was nadien niet
meer instaat om zaken te onthouden. Maar
hij kon wel nog bepaalde vaardigheden
aanleren. Maar het semantische geheugen
leverde problemen op. Het procedureel
geheugen was wel nog intact. Wat dan
bleek is dat hippocampare area een heel
belngrijke rol speelt voor dat semantische geheugen, en de motorische cortex
ook. HM bracht de inzicht dat geheugen niet 1 iets is dat zich op 1 plaats bevindt.
, 3. Jill Price; was in staat om enorm veel zaken
op te stapellen over haar eigen leven in haar
geheugen. Ze had een enorm groot
autobiografisch geheugen = hyper thymesie.
Het kan ook zijn dat ze obsessief
compulsieve stoornis heeft en dus op een
obsessive manier heel veel aandacht ging
schenken aan wat ze beelfd gedurende de
dag en dat opschrijft.
4. Kim Peek; “een geleerde idioot” / “idiot
savant”. Iemand die dus op laag niveau van
lentaal functioneren leeft maar voor
bepaalde domeinen kon uitblinken. Bij Kim
Peek was dat het memoriseren van allerlei
zinloze zaken vb: telefoon nummers tot
enorme hoeveelheden. Het bleek dat hij een
bepaalde hersenstructuur had waarbij het
corpus callosum, het deel dat de 2 hersen
helften verbind, eigenlijk bijna onbestaande was, zodanig dat er tussen de 2
helften specifieke extra verbindingen konden worden aangemaakt. `
Deze mensen gaven ons inzichten en leerden we uit.
• Hersen structuren:
enkel deze structuren kennen voor
het examen!
• Patienten zonder neurologische aandoening of biologische problemen maar toch
een stoornis hebben:
1. Anna O, patiënt van Sigmund Freud; Zij had
last van verlamings verschijnselen, heesheid
en gevoel van stress. Dit was het ontstaan
van de theroie van de psychoanalyse, waarbij
Freud stelde dat psychosomatische
symptomen ontstaan door conversie >
conversie neurose = interne spanningen
kunnen zich omzetten in fysieke problemen.