Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Samenvatting

Samenvatting Psychologie van individuele verschillen, deel 1 | KU Leuven | 2025/26

Beoordeling
-
Verkocht
-
Pagina's
57
Geüpload op
04-07-2026
Geschreven in
2025/2026

Dit is een volledige samenvatting van het vak: P0M07B - psychologie van individuele verschillen, gedoceerd door prof. Peter Kuppens. Door deze samenvatting heb ik het vak in eerste zit gehaald. Als je vragen hebt mag je me gerust contacteren.

Meer zien Lees minder

Voorbeeld van de inhoud

​Psychologie van individuele verschillen​

​Inleiding​

​○​ ​Mensen verschillen​​sterk​​in: uiterlijk, gedrag, emoties,​​cognities, persoonlijkheid, intelligentie​
​■​ ​Daarom volstaat​​algemene​​psychologie​​(functieleer,​​sociale psy, biologische psy) niet​
​●​ ​PID onderzoekt​​systematische verschillen tussen mensen​

E​ moties als voorbeeld van individuele verschillen​
​1.​ ​Interindividuele verschillen​​: het feit dat er​​relatief​​stabiele​​verschillen zijn​​TUSSEN​​mensen in​
​hoe ze zich​​doorgaans​​voelen​​, sommigen zijn bv vaak​​kwaad en anderen zijn vaak somber​
​-> bv. de ene persoon is extravert en de ander is introvert (= verschillen TUSSEN mensen)​

​2.​ I​ ntra-individuele verschillen​​: het feit dat mensen​​emotionele​​schommelingen​​vertonen over de​
​tijd, aspecten​​BINNEN​​een mens die verschillen​​over​​de​​tijd​
​-> bv. iemand is de ene dag sociaal, en de andere dag sip (= verschillen BINNEN een mens)​

​○​ E​ r bestaan verschillen​​tussen​​en​​binnen​​mensen, niet​​alleen in​​emoties​​, maar ook in​
​persoonlijkheid​​,​​gedrag​​,​​cognities​​,​​intelligentie​​…​

​DEEL 1: psychologie van individuele verschillen: wat en hoe?​

​1. Doelstelling en Geschiedenis​

​1.1 Doelstelling​

​○​ ​PID = Psychologie van individuele verschillen /​​P​sychology​​of​​I​ndividual​​D​ifferences​
​■​ ​Algemene psychologie / functieleer richt zich op​​algemene​​wetten​

T​ ypes van verschillen​
​1.​ ​Interindividuele verschillen​​: verschillen TUSSEN personen​​/​​individuen​
​2.​ ​Intergroepsverschillen​​: verschillen TUSSEN​​groepen​​(geslacht, cultuur, leeftijd …)​

​ .​ I​ ntra-individuele verschillen​​: verschillen BINNEN​​één​​persoon​​over de tijd / situaties​
3
​4.​ ​Interindividuele verschillen in intra-individuele verschillen​​: interindividuele verschillen IN​
​profielen​​(gedragshandtekening),​​bv. meten hoeveel​​iemand lacht met vrienden / vreemden​
​-> persoon a = lacht​​veel​​met​​vrienden​​, en​​weinig​​met​​vreemden​​(grote schommeling)​
​-> persoon b = lacht​​evenveel​​met vrienden als met​​vreemden (kleine schommeling)​
​-> persoon c = lacht bijna​​nooit​​, ongeacht met wie​​(geen schommeling)​
​Intra-individueel​​: A verandert veel, B verandert weinig,​​C verandert bijna niet​
​Interindividueel:​​A ≠ B ≠ C in hun patroon van lachen​
​Het zijn dus​​interindividuele verschillen​​in een​​intra-individueel​​fenomeen​


​1​

,​ omeinen van verschillen​
D
​1.​ ​Cognitief functioneren​​: het​​product​​(prestaties op​​cognitieve taken): intelligentie, IQ …​
​○​ ​cognitieve stijl:​​proces​​(manier van verwerken bij​​cognitieve taken)​
​■​ ​bv. analytisch (alle delen apart bekijken) vs holistisch (het geheel bekijken)​

​2.​ ​Persoonlijkheid​​: het​​affectieve​​en​​sociale​​domein​​(karakter, emoties, sociaal gedrag)​

​ erbanden tussen verschillen​
V
​○​ ​PID onderzoekt hoe​​verschillen​​op variabele​​A​​samenhangen​​met verschillen op variabele​​B​
​■​ ​Zoals: geslacht ↔ agressie, intelligentie ↔ woedeprofielen, cultuur ↔ persoonlijkheid​

​ oelen van PID​
D
​1.​ ​Beschrijven:​​zicht krijgen op structuur van verschillen​​en hoe ze onderling samenhangen​
​○​ ​Zicht​​krijgen​​op de​​structuur​​van verschillen tussen​​mensen​
​○​ ​Zicht​​krijgen​​op hoe de verschillen op verschillende​​vlakken​​onderling​​samenhangen​

​2.​ ​Verklaren​​: wat ligt er aan de​​basis​​van deze verschillen?​​->​​verschillende​​niveau​​’​s​
​○​ ​Proximale verklaringen​​: factoren​​dicht​​bij​​het gedrag,​​bv. fysiologie ↔ emoties​
​○​ ​Distale verklaringen​​: factoren​​verder​​af​​in​​tijd​​,​​bv. evolutie, genen, vroege levensfasen​

​ oor wie wordt PID beoefend?​
D
​○​ ​Expliciete theorieën over verschillen​​: wetenschappelijke​​theorieën, gepubliceerd,​​domein​​v​/​PID​
​○​ ​Impliciete theorieën over verschillen​​: stereotypes,​​vooroordelen, onrechtstreeks observeerbaar,​
​door leken uitgevonden en door wetenschappers onthuld / door media beschreven, behoort tot​
​het​​domein​​van de​​persoonsperceptie​​,​​sociale​​cognitie​​(sociale psychologie)​

​Expliciete theorieën worden gecontamineerd door impliciete theorieën​
​○​ ​Via​​de​​wetenschapper​​: wetenschappers zijn ook maar​​mensen, met eigen vooroordelen​
​die onbewust hun onderzoek beïnvloeden, ze moeten hiervan​​bewust​​zijn​
​■​ ​bv. onderzoekers overdrijven soms geslachtsverschillen omdat ze ze verwachten​

​○​ V
​ ia​​de​​proefpersoon​​: proefpersonen hebben ook impliciete​​theorieën (zelfbeeld, sociale​
​wenselijkheid, verwachtingen …) die hun antwoorden / prestaties beïnvloeden​
​■​ ​bv. iemand denkt “ik moet sociaal overkomen” dus vult zich extraverter in​

​Impliciete theorieën worden beïnvloed door expliciete theorieën​
​○​ ​Via​​de​​media​​: onderzoeksresultaten verspreiden zich​​via media, populaire boeken,​
​sociale netwerken en die beïnvloeden weer hoe mensen denken over verschillen​
​■​ ​bv. Labels zoals “narcistisch”, “introvert” worden populair -> mensen gaan​
​zichzelf en anderen zo zien -> dat beïnvloedt weer hun antwoorden in onderzoek​

​Hoe worden de data verzameld en onderzocht -> zie methode van wetenschappelijk onderzoek​


​2​

,​1.2 Geschiedenis​

​ enaming & vroege wortels​
B
​○​ ​Henri & Binet (1895)​​: introduceerden​​La​​Psychologie​​Individuelle​​waar 2 problemen in stonden​
​■​ ​Hoe variëren psychische processen van individu tot individu (​​interindividuele​​verschillen​​)​
​■​ ​Hoe variëren psychische processen onderling binnen een individu (​​intra​​-​individuele​​)​

​○​ ​William Stern (1900)​​: introduceerde de term​​Differentiële​​Psychologie​​met​​drie​​taken​
​1.​ ​Beschrijven​​van aard en grootte van verschillen tussen​​individuen en groepen (bv rassen)​
​2.​ ​Manifestaties​​van die verschillen​​meten​​(bv handschrift,​​gelaatsuitdrukkingen)​
​3.​ ​Oorzaken​​van de verschillen​​verklaren​​(bv erfelijkheid,​​cultuur …)​

​○​ ​Robert Yerkes (1913)​​:​​comparatieve​​psychologie​​: gedrag​​tussen soorten vergelijken​
​■​ ​De​​correlationele​​methode is ESSENTIEEL voor de comparatieve​​psychologie​

​○​ I​ndividuele psychologie wordt niet meer gebruikt om PID aan te duiden doordat het​​te​​veel​
​connotatie​​heeft met de specifieke​​psychoanalytische​​theorie van Adler, individueel wordt vaak​
​gezien als = binnen een persoon -> PID gaat ook over verschillen tussen personen​
​■​ ​nu worden de termen​​differentiële​​psychologie​​/​​PID​​gebruikt, alhoewel differentiële​
​psychologie minder wordt gebruikt doordat het ouderwets en overkoepelend is​

​ eten & beschrijven doorheen de geschiedenis​
M
​1.​ ​Oude China (2000 V.C.)​​: regelmatige​​ambtenarenexamens​​(vroege selectieperiode)​
​2.​ ​Pythagoras (600 V.C.)​​:​​fysionomie​​->​​innerlijke​​persoonlijkheidseigenschappen​​(kunnen zwijgen)​
​worden afgeleid uit​​uitwendige​​,​​observeerbare​​persoonskenmerken​​(bv. gelaatsuitdrukking)​

​3.​ P
​ lato (427 V.C. - 347 V.C.)​​: beschrijft de​​ideale​​staat​​als een plaats waar individuen taken​
​toegewezen krijgen waarvoor ze het​​best​​geschikt​​zijn:​​stelt militaire geschiktheidstests op​
​-> stelt dat mensen van nature​​verschillen​​in​​natuurlijke​​begaafdheden​

​4.​ T​ heophrastus (327 V.C. - 287 V.C.)​​:​​vroege​​karakterstudies​​,​​karakterverschillen in westerse​
​filosofie, de eerste persoonlijkheidstypologie (bv. de veinzer, vleier …​
​5.​ ​Juan de Dios​​Huarte​​y Navarro (1530 - 1589)​​:​​examen​​de​​ingenios​​= grote individuele verschillen​
​(oorzaken: lichaamssappen, klimaat, brein …), beroepen vereisen verschillende vaardigheden,​
​vroege​​beroepsdiagnostiek​​zodat men jongeren kan​​verplichten​​het kennisdomein te bestuderen​
​-> voordelen voor de staat, maar ook voor het individu (geen tijd en moeite verspillen)​

​6.​ F​ rancis Galton (1822 - 1911)​​: pionier van allerlei​​meetinstrumenten​​om​​verschillen​​te​​meten​
​(gehoorfluitjes, dynamometer, vingerafdrukken, databestanden, eerste statistische analyses),​
​voerde ook discussies over nature-nurture en eugenetica​
​-> had interesse in het meten van “​​mentale​​kracht​​”​​(obv motorische beperkingen bij personen​
​met mentale handicap)​​, stelde vast dat uiteenlopende​​vaardigheden​​onderling​​samenhangen​


​3​

, ​7.​ J​ ames McKeen Cattell (1860 - 1944)​​: geïnteresseerd in ‘​​mental​​tests​​’ (= metingen v/individuele​
​vaardigheidsverschillen), gaf zoals Galton voorkeur aan​​elementaire​​sensori​​-​motorische​​taken​​1​

​8.​ A
​ lfred Binet (1857 - 1911)​​: eerste​​echte​​intelligentietest​​!​​Geloofde - tegenover Galton & Cattell -​
​wel dat abstracte vaardigheden (bv complexe denkproef) correleert met mentale capaciteiten​
​-> Echelle métrique de l’intelligence -> Stanford-Binet test (Terman): 1ste officiële intelligentietest​

​9.​ ​Rest vorige eeuw (20ste eeuw)​​: in​​1960​​’s kwamen er​​2 problemen​​met de PID​
​○​ ​Waardenconnotatie​​/​​waarde-geladen labels​​: de meeste​​gebruikte​​individuele​
​verschildimensies​​hebben een connotatie (intelligentie,​​impulsiviteit -> goed / slecht)​
​■​ ​Verschuiving naar​​cognitieve​​stijlen​​(bv. analytisch​​vs holistisch)​

​○​ P
​ roblemen met treklabels​​: werkt​​desindiviuderend​​->​​elk persoon is​​uniek​​, gaat ook​
​over empirische bezwaren ->​​cross​​-​situationele​​inconsistentie​​(Mischel, 1968)​

​1.3 Proximale verklaringen van individuele verschillen​

​○​ P
​ sychologische verklaringen​​schrijven​​individuele​​verschillen​​toe aan verschillen op​
​basisvaardigheden​​of​​basisdimensies​​van de persoonlijkheid​
​■​ ​Bv.​​plato​​ontleedt de ziel in​​twee​​/​​drie​​delen: rationeel,​​irrationeel(, begeestering​​2​​)​
​■​ ​Bv.​​Huarte​​onderscheidde​​drie​​cognitieve​​functies​​(begrijpen, geheugen, verbeelding) en​
​dacht dat mensen slechts​​één​​daarvan​​sterk​​konden​​hebben; talent = exclusief​​3​

​ iologische verklaringen​
B
​○​ ​Humorale theorie:​​vier sappen -> vier temperamenten​​(heeft geen empirische ondersteuning)​
​■​ ​Hippocrates (460-370 V.C.)​​: in het lichaam nemen de​​vier​​oerelementen​​(lucht, aarde,​
​vuur, water) de vorm aan van​​vier​​sappen​​/​​humores​​:​​bloed, zwarte gal, gele gal, flegma​
​●​ ​Ziekte​​is een​​stoornis​​in​​evenwicht​​tussen die​​vier​​sappen​

​■​ ​Galenus (130-200 N.C.)​​:​​overwicht​​van elk van de​​humores​​=​​temperament​​verbonden​


​bloed​ ​Sanguinisch​ ​Levendig, gelukkig​

​Zwarte gal​ ​melancholisch​ ​pessimistisch​

​Gele gal​ ​cholerisch​ ​Vlug kwaad​

​slijm​ ​flegmatisch​ ​Kalm, bedacht​


​1​
​Geloofde dus dat mentale capaciteiten meetbaar zijn door lichamelijke / zintuiglijke taken, geen complexe denk-​
​proeven of schoolse kennis dus, maar door taken zoals bv reactietijd of de afstand tussen twee tactiele sensaties​
​2​
​Aanzet tot actie​
​3​
​Als je een sterke verbeelding hebt dan heb je automatisch een slecht geheugen en slecht inzicht (begrijpen)​


​4​

, ​○​ ​Frenologie​​(Gall (1758-1828) & Spurzheim (1776-1832))​​: hadden​​twee​​assumpties​
​1.​ ​Mentale functies zijn​​gelokaliseerd​​in​​hersengebieden​​(= deels waar)​
​2.​ ​Intensiteit​​van die functies wordt​​gereflecteerd​​in​​de​​omtrek​​en​​externe topografie​​van​
​de schedel (als een gebied groter is, dan duwt het meer tegen de schedel, dus je kunt​
​iemands karakters lezen uit zijn​​schedelknobbels​​)​​(= fout bewezen)​
​■​ ​Taxonomie van 35 mentale functies: 21 affectieve, en 14 intellectuele vermogens​

​1.4 Distale verklaringen van individuele verschillen​

​○​ H
​ oroscopale astrologie​​: relatieve positie van​​planeten​​op het moment van​​geboorte​​bepalen /​
​beïnvloeden / hangen samen met​​persoonlijkheid​​en​​gebeurtenissen​​in de levensloop​
​■​ ​Heeft​​geen​​empirische​​basis​​, heeft wel​​gevaarlijke​​implicaties​​:​​predeterminisme​​4​
​●​ ​Hoewel: in Europa & de VS: maart-april > 10% hoger aantal mensen met schizo-​
​frenie: verklaart meer dan genetische factoren, mogelijke verklaring: gebrek aan​
​UV tijdens zwangerschap? -> heeft niets te maken met stand planeten​

​○​ ​Watson​​(1878-1958)​​=​​behaviorisme​​: persoonlijkheid​​is een conditionering van​​S​-​R​​associaties​
​■​ ​Individuele verschillen zijn het gevolg van verschillen in​​leergeschiedenis​
​●​ ​Little albert​​:​​vreesconditionering​​met geluid & rat​
​●​ “​ Give me a doze healthy infants “Give me a dozen healthy infants, well-formed, and my​
​own specified world to bring them up in andI’ll guarantee to take any one at random and​
​train him to become any type of specialist I might select–doctor, lawyer, artist,​
​merchant-chief and, yes, even beggar-man and thief, regardless of his talents,penchants,​
​tendencies, abilities and vocation, and race of his ancestors.”​

​○​ C
​ harles Darwin (1809-1882):​​schepping is​​dynamisch​​-> steeds in evolutie, natuur zelf zorgt voor​
​aangepastheid​​van organismen via​​natuurlijke​​en​​sexuele​​selectie​​5​
​■​ ​Stond tegenover de​​natuurlijke​​theologie​​die in het​​begin van de 19de eeuw veel​
​aanhang had: schepping = statisch​​(na 6 dagen voltooid)​​,​​argument van de ontwerper​
​(organismen zijn zo goed aangepast omdat de schepper zo wijs is)​
​■​ ​Natuurlijke en seksuele selectie​​->​​erfelijkheid van​​eigenschappen -> basis voor​
​evolutionaire​​psychologie​​(deel 2) (genen spelen een​​belangrijke rol bij Darwin)​

​○​ ​Francis Galton (1822-1911)​​:​​overerving​​van mentale​​eigenschappen, idee:​​genialiteit = erfelijk​
​■​ ​Stamboommethode​​: genialiteit = 0.025% besten, studie​​van​​1000​​genieën in​​300​
​families: kijken of er bij familie nog genieën voorkomen​
​●​ ​Conclusies​​: in families van genieën komen​​meer​​genieën​​voor dan men o.b.v.​
​toeval kan verwachten,​​hoe​​kleiner​​verwantschap​​,​​hoe​​kleiner​​kans​​op​​genie​​,​
​genialiteit is uitsluitend een zaak van​​erfelijke​​constellatie​​“nature prevails ..”​
​●​ ​Rol van het milieu! Confounding van gelijkaardig milieu (nurture)​

​4​
L​ eren en ervaring spelen een ondergeschikte rol omdat je denkt dat je leven vooraf al bepaald is​
​5​
​Publiceert in 1859​​“On the origin of species by means​​of natural selection”​


​5​

, ​●​ G
​ alton trok hier​​eugenetische​​conclusies​​uit: hij wilde de menselijke soort​
​“verbeteren” door voortplanting van hoogbegaafden te stimuleren en die van​
​“minderwaardigen” te beperken, een fout en ethisch problematisch idee​

​○​ E​ ugenetica​​had in de 20ste eeuw een grote impact:​​gedwongen sterilisatie, huwelijkswetten,​
​immigratiewetten, Nazisme. Het eindideaal van eugenetici is een wereld van​​perfecte​​mensen​​,​
​dus​​geen individuele verschillen​​(maar is dit wel​​goed voor de populatie?)​
​■​ ​Ook is dit het eindideaal van mensen met het​​Watsoniaans​​idee dat nurture > nature​
​●​ ​Eugenetici = nature-extremisten terwijl behavioristen = nurture-extremisten​

​ ature vs nurture (tegenstelling empiristen en rationalisten)​
N
​○​ ​Plato​​:​​reminiscentietheorie​​: er bestaat een​​objectieve​​werkelijkheid, kennis is​​aangeboren​
​○​ ​Augustinus​​: ziel is immaterieel en onverwoestbaar,​​de vermogens ervan zijn​​aangeboren​
​○​ ​René Descartes​​: de rede is​​aangeboren​​, maar kan​​getraind​​worden​
​○​ ​Locke​​: tabula rasa, alles is​​aangeleerd​

​ orte samenvatting van dit hoofdstuk​
K
​De Psychologie van Individuele Verschillen (PID) onderzoekt​​systematische verschillen​​tussen mensen (inter-individueel),​​groepen​
​en binnen personen over de tijd (intra-individueel) op vlak van​​cognitie en persoonlijkheid​​. De doelen​​zijn het​​beschrijven​​van de​
​structuur en samenhang van deze verschillen en het​​verklaren​​ervan via​​proximale​​(directe, bijv. fysiologie)​​of​​distale​​(verre, bijv.​
​genen/evolutie) factoren. De geschiedenis beweegt van vroege selectie en karakterstudies (China, Plato, Theophrastus) naar​
​wetenschappelijke meting​​door pioniers als Galton​​(pionier statistiek/meting), Binet (eerste intelligentietest) en Stern.​
​Verklaringen evolueerden van vroege biologische theorieën (frenologie) naar het debat tussen​​nature-extremisten​​(Galton,​
​erfelijkheid, eugenetica) en​​nurture-extremisten​​(Watson,​​leergeschiedenis). Hedendaagse kritiek richt zich op de​
​waarde-geladenheid van labels en de inconsistentie van gedrag over verschillende situaties​


​2. Methoden in de psychologie van individuele verschillen​

​2.1 Verzamelen van gegevens​

​○​ ​PID wil begrijpen​​hoe​​mensen van elkaar​​verschillen​​in​​psychologische​​kenmerken​
​■​ ​Deze kenmerken zijn​​niet​​direct​​observeerbaar​​, dus​​er zijn methoden nodig om:​
​●​ ​Gegevens te verzamelen​
​●​ ​Verbanden tussen variabelen te analyseren​
​●​ ​Kwaliteit van metingen te evalueren​

​ ID gebruikt vier soorten data:​
P
​1.​ ​S-data: zelfrapportering (​​S​elf-report)​​: de persoon​​rapporteert​​zelf​​over gedachten, gedrag …​
​Vormen:​
​○​ ​On- of semigestructureerd​​: interviews, open vragen​​(zoals “20 statement test”, “ik ben​
​…”)​​, autobiografie,​​projectieve​​technieken​​(zoals​​Rorschach test, TAT)​
​■​ ​Projectieve​​technieken​​: nood aan objectieve coderingsschemas​​om gegevens​
​vergelijkbaar te maken over personen​​-> betrouwbaarheid​​in twijfel getrokken​



​6​

, ​○​ ​Gestructureerd​​: vragenlijsten (likert rating schaal​​6​​) -> bestaan in meerdere vormen​
​■​ ​Klassieke​​persoonlijkheidsvragenlijst​​: algemene uitspraken​​(bv “ik ben vaak sip”)​
​■​ ​Gecontextualiseerde​​vragenlijst​​: vraagt naar gedrag​​/ gedachten / gevoelens in​
​verschillende contexten (bv stress, zweet, first date, tandarts, rollercoaster, …)​
​■​ ​Met​​herhaalde​​metingen​​: bv.​​video​​mediated​​-​recall​​(bv. afspelen video van​
​interactie en herhaaldelijk laten raten m.b.t. (gevoelens, gedachten …) of​
​experience​​sampling​​methode​​/​​EMA​​(dagboekonderzoek,​​smartphone beeps)​

​​ V
○ ​ oordelen​​: Directe toegang tot​​interne​​wereld, makkelijk​​en snel een​​veelheid​​aan​​info​
​○​ ​Nadelen​​:​​biases​​(sociale wenselijkheid, geheugen …),​​afhankelijk van​​motivatie​​&​
​capaciteit​​van de persoon (bv. Alexithymie / emotional​​blindness)​

​2.​ O
​ -data: observeerdersrapportering (​​O​bserver report)​​:​​anderen​​(partner, vrienden, getrainde​
​observatoren) rapporteren​​over​​de persoon a.d.h.v.​​dezelfde technieken als de S-data​
​○​ ​Voordelen​​: sommige​​biasen​​minder​​(bv zelfrepresentatie),​​toegang tot​​gedrag​​dat​
​anderen​​zien,​​interbeoordelaarsbetrouwbaarheid​​is​​mogelijk​

​○​ ​Nadelen​​:​​observatorbias​​(trends in diagnoses, stereotypen,​​hostile attribution bias)​

​3.​ ​T-data: testgegevens (​​T​est-data)​​:​​gestandaardiseerde​​tests​​in​​gecontroleerde​​omstandigheden​
​Metingen​
​○​ ​Gedrag​​: observatie, reactietijden, gelaatsuitdrukkingen,​​taalgebruik …​
​○​ ​Zelfrapportering​​: antwoorden op items, open antwoorden​​(projectieve technieken) …​
​○​ ​Fysiologie​​: hartslag, bewegingen van gelaatsspieren,​​hersenactiviteit, temperatuur …​

​ ​ ​Bv.​​IAT​​(Implicit Association Test): meet​​impliciete​​attitudes​​door​​reactietijden​

​Structuur bestaat uit​​vier taken​
​1.​ ​Menselijke categorieën​​(bv. Lijkt de persoon “​​disabled​​”​​of “​​phsyically​​-​abled​​”)​
​2.​ ​Positieve​​(bv. geluk)​​/ negatieve​​(bv. kwaad)​​woorden​​:​​is het woord​​goed​​/​​slecht​

​3.​ ​Congruente​​combinatie​​:​​disabled​​+​​SLECHT​​&​​physically​​-​abled​​+​​GOED​
​●​ ​Past bij het stereotype:​​snellere RT​
​4.​ ​Incongruente​​combinatie​​:​​disabled​​+​​GOED​​&​​physically​​-​abled​​+​​SLECHT​
​●​ ​Vereist​​inhibitie​​/​​stroop​​-​conflict​​:​​langzamere RT​
​●​ ​Hogere RT in taak 4 dan in taak 3 =​​impliciete bias​

​ ​ T​ aken =​​meermaals​​uitgevoerd + scores =​​aangepast​​voor​​vermoeidheids​​-/​​oefeneffecten​

​■​ ​Hein et al. (2011):​​zelfs bij​​ortopedagogiestudenten​​kwam​​impliciete​​bias​​ook​​voor​


​6​
​= met een meerpuntenschaal (meestal 5 of 7 punten) aangeven in hoeverre je het eens / oneens bent met stelling​




​7​

, k​ ritiek​
​■​ ​Lage betrouwbaarheid, lage validiteit, veel ruis, lage correlatie met expliciete metingen​
​●​ ​Niet geschikt voor​​individuele​​diagnostiek, eerder​​op​​groepsniveau​

​​ V
○ ​ oordelen:​​objectiever, omstandigheids-controle, mogelijkheid​​tot causaliteit in lab​
​○​ ​Nadelen​​: lage ecologische validiteit, gedrag in lab​​≠ gedrag in dagelijks leven​

​4.​ ​L-data: levensgegevens (​​L​ife-data)​​: gegevens uit het​​echte​​leven​​(opleiding, werk, ongevallen …)​
​○​ ​Big data​​: technologische vooruitgang laat toe​​zeer​​veel​​gedrag​​automatisch​​te tracken​
​(supermarktaankopen, online gedrag, smartphone en wearable sensing (bv locatie), …)​
​■​ ​Marengo et al., 2023: Predicting Big Five Personality Traits from smartphone​
​data -> grootste effect voor extraversie: correlatie van .35, andere lager:.20 - .25​

​○​ V ​ oordelen​​: objectieve,​​levensechte​​gegevens, op grote​​schaal toepasbaar, gemakkelijk​
​beschikbaar, relatief​​bruikbaar​​voor​​interindividuele​​verschillen​
​○​ ​Nadelen​​:​​privacy​​, risico op misbruik,​​minder​​bruikbaar​​voor​​intra​​-​individuele​​fluctuaties​

​ ariabelen​
V
​1.​ ​Kwantitatieve variabelen​​: waarden drukken verschillen​​uit in​​gradatie​​(meer / minder)​
​○​ ​Verschillen kunnen​​betekenisvol​​in​​CIJFERS​​uitgedrukt​​/ geordend worden​
​○​ ​Bv; van meer tot minder agressief, van veel tot weinig zelfvertrouwen …​
​■​ ​Nemen dikwijls de vorm van een​​normaalverdeling​​aan​​(waarde rond x̄)​
​●​ ​Bv. lichaamslengte, maar ook agressie, extraverse, IQ …​
​●​ ​NIET altijd! bv aantal kinderen (meer met 0 dan met 10:​​scheef​​verdeeld​​)​

E​ nkele kenmerken​
​○​ ​50% van de mensen scoren boven/onder x̄​
​○​ ​68% heeft een score binnen ±1 SD van x̄​
​○​ ​95% heeft een score tussen ±2 SD van x̄​
​■​ ​!Extremen = zeldzaam!​



​2.​ ​Kwalitatieve variabelen​​:​​waarden​​drukken verschillende​​categorieën​​uit (man/vrouw, types …)​
​○​ ​De verschillen kunnen​​niet​​betekenisvol​​in​​cijfers​​uitgedrukt / geordend worden​
​○​ ​De verschillen zijn van​​kwalitatieve​​aard (kenmerken​​ipv hoeveelheid (kwantitatief))​

​2.2 Verbanden tussen verschillen​

​​ P
○ ​ ID onderzoekt​​hoe​​verschillen​​samenhangen​​:​​drie combinaties​
​1.​ ​Kwalitatief - kwalitatief​​: bivariate frequentietabellen,​​implicationele verbanden (“als X, dan Y”)​
​○​ ​Bivariate frequentietabel: telling van de combinaties van TWEE kwalitatieve var​
​○​ ​Zowel​​voor​​inter​​- als​​intra​​-​individuele​​verschillen​


​8​

Documentinformatie

Geüpload op
4 juli 2026
Aantal pagina's
57
Geschreven in
2025/2026
Type
SAMENVATTING

Onderwerpen

€12,66
Krijg toegang tot het volledige document:

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kan je een ander document kiezen. Je kan het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Maak kennis met de verkoper
Seller avatar
johannesmardirosiyan

Ook beschikbaar in voordeelbundel

Thumbnail
Voordeelbundel
Samenvattingspakket 2de semester 1ste bachelor
-
5 2026
€ 35,98 Meer info

Maak kennis met de verkoper

Seller avatar
johannesmardirosiyan Katholieke Universiteit Leuven
Bekijk profiel
Volgen Je moet ingelogd zijn om studenten of vakken te kunnen volgen
Verkocht
1
Lid sinds
10 maanden
Aantal volgers
0
Documenten
5
Laatst verkocht
5 dagen geleden

0,0

0 beoordelingen

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via Bancontact, iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo eenvoudig kan het zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen