ALGEMENE STRUCTUUR VAN DE TAND
Bespreek de algemene anatomische en histologische structuur van de tand, inclusief het
dentine–pulpa complex. Beschrijf de belangrijkste componenten en leg hun structurele en functionele relaties uit.
FUNCIES VAN TANDEN
• Voedsel afbijten, verkleinen en mengen met speeksel tijdens het kauwen.
• Ondersteunen de ontwikkeling en bescherming van omliggende weefsels.
• Dragen bij aan articulatie en duidelijke spraak.
STRUCTUUR VAN DE TAND
DEFINITIE VAN TANDTYPES
→ primaire dentitie; 18 tanden
→ secundaire dentitie; 32 tanden
- Tanden zijn symmetrisch verdeeld over een tandboog
- Incisieven & hoektanden → scherper → voedsel afscheuren
, - Premolaren & molaren → breder occlusaal vlak → voedsel vermalen tot kleinere deeltjes
ANATOMISCHE COMPONENTNE VAN DE TAND
1. Kroon – bedekt door glazuur
2. Wortel – bedekt door cement en ingebed in het alveolaire bot
3. De hals – de overgang tussen kroon en wortel
= cervicale regio
• Klinische kroon: het zichtbare deel van de tand; dit kan verschillen van de
anatomische kroon.
- Foramen appicale; gaatje in de wortelpunt waar zenuwen & bloedvaten de
pulpa in- en uitgaan
- Paradontaal ligament; hecht de tand vast in de alveoli
STRUCTUUR VAN DE TAND
Gemineraliseerde weefsels van de tand:
1. Glazuur bedekt het dentine van de kroon.
2. Dentine omringt de pulpa en vormt het grootste deel van de tand.
3. Cement bedekt het dentine van de tandwortel → PDL hecht
hieraanvast om de tand te verankeren aan het alveolair bot
- Hardste weefsel van het menselijk llichaam
GLAZUUR
HISTORISCHE ACHTERGROND
• Hippocrates (460–370 v.Chr.) classificeerde tanden samen met botten, hoewel
latere anatomen erkenden dat tanden van bot verschillen in hardheid en structuur.
• Blake (1801) beschreef glazuur als cortex striatus, in de overtuiging dat het fijne
gestreepte lagen of “vezelige” structuren bevatte.
• Afgeleid van het Oudhoogduitse smelzan (“smelten”), verwijzend naar
glasachtige, gesmolten bekledingen
,Bespreek de samenstelling en structurele organisatie van het tandglazuur.
Leg uit hoe de samenstelling en structuur bijdragen aan het mechanisch gedrag en de klinische kenmerken van het
glazuur.
FYSIEKE KENMERKEN
• Bedekt de anatomische kroon van de tand – acellulair, avasculair en sterk
gemineraliseerd
• Dikte van het glazuur is afhankelijk van de plaats op de kroon
o Het dikst ter hoogte van de cuspiden (~2–2,5 mm) en wordt dunner tot
een mesrand nabij de cervicale regio
• Gedeeltelijk transparant
o Gelige dentine kan doorschemeren
• De kleur hangt af van de dikte van het glazuur → dentine (geel) schijnt erdoorheen
SAMENSTELLING
1. ANORGANISCH MINERAAL (≈96%)
- Hydroxyapatietkristalstructuur (Ca₁₀(PO₄)₆(OH)₂)
o HAP = kristallijn calciumfosfaat met unieke structuur
- Inbouw van ionen tijdens de vorming (Sr, Mg, Pb, F)
o Fluoride, strontium, lood, magnesium
2. ORGANISCH GEDEELTE (en water) (≈4%)
- Belangrijkste glazuureiwitten: amelogeninen (≈90%)
- Minder belangrijke glazuureiwitten: ameloblastine, enamelin, tufteline, amelotine
o = non-amelogeninen
!!! Hydroxyapatietkristallen zijn gevoelig voor zuuroplossing — de chemische kwetsbaarheid voor
cariës
HARDHEID
• Glazuur is het hardste weefsel in het menselijk lichaam (~296 KHN)
o Harder dan goud, zilver en staal!
o door hoge mineralisatie
• Mohs-hardheid: ~5–8
o Vgl met composiet in hardheid
o Harder dan amalgaam en dentine
• Melkglazuur
o Aanvankelijk zeer hard, maar heeft de neiging om met de leeftijd
licht zachter te worden, in tegenstelling tot glazuur van blijvende tanden
Hard, maar bros; niet ondersteund glazuur heeft de neiging om af te brokkelen →
dentine is elastischer dan glazuur & biedt dus ondersteuning aan glazuur → als glazuur achterblijft
zonder dentine, is er geen ondersteuning meer bij krachten, waardoor glazuur makkelijk zal
fractureren
, ➔ verloren glazuur kan NIET geregeneerd worden (glazuurcellen zijn niet meer aanwezig na eruptie
GLAZUURSTUCTUUR
Bespreek de belangrijkste structurele kenmerken van het glazuur.
Beschrijf hun oorsprong, morfologie en functionele betekenis.
Zoogdierglazuur bestaat uit twee fundamentele structurele eenheden:
1. GLAZUURSTAVEN → prismatisch glazuur
2. INTERSTAFGLAZUUR (interprismatische substantie)
→ in WK is het glazuur veel
complexer dan hier
weergegeven wordt
Doorsnee
LONGITUDINALE DOORSNEE:
glazuurstaven als lange kolomvormige
structuren die lopen van de glazuurdentine-
gres naar het buitenoppervlak
DWARSDOORSNEE:
Opeengepakte eenheden als
hexagonaal patroon
ULTRASTRUCTUUR VAN HET GLAZUUR
• Glazuur van de glazuurstaaf en
interstafglazuur glazuur hebben
dezelfde basissamenstelling
• Opgebouwd uit langgerekte
hydroxyapatietkristallen.
• Kristalgrootte: ~60–70 nm breed, ~25–
30 nm dik → sterke longitudinatie
→ doorsnee glazuurstaaf: wordt omringd
door interstaafglazuur