WAT IS STATISTIEK?
Statistiek →de wetenschap van het verzamelen, classificeren, samenvatten, organiseren,
analyseren , interpreteren en rapporteren van onderzoeksgegevens
Doel →algemeen geldende uitspraken doen over wetmatigheden in de
steekproef/populatie op basis van waarnemingen
DE EMPIRISCHE CYCLUS
Fase 3: Onderzoeksontwerp
- Type onderzoeksvraag (causaal, beschrijvend…)
o "Hoe vaak komt burn-out voor bij medewerkers in de gezondheidszorg? “
o “Heeft blootstelling aan chronische stress op het werk een negatief effect op
burn-outsymptomen bij werknemers?”
- Meetniveau van de variabelen
o Hoeveel stress ervaart u op het werk? (weinig – gemiddeld – veel)
o Hoeveel stress ervaart u op het werk? (scores op 25)
- Steekproefopzet
Fase 4: Dataverzameling
- Gegevens verzamelen en die onderbrengen in een datamatrix
o SPSS, Excel, R
Fase 5: Data-analyse
- Samenvatten, weergeven, analyseren, interpreteren… van de verzamelde gegevens
Fase 6: Rapporteren
- De statisticus geeft de resultaten weer in een
onderzoeksverslag
Rapport, artikel, PowerPoint, filmpje, website
STEEKPROEF POPULATIE
Populatie → het geheel van individuen waarover de onderzoeker een uitspraak wil
doen/informatie wil verkrijgen (Vlaamse jongeren, de klasgroep)
Steekproef →een representatieve selectie van individuen uit de populatie die daadwerkelijk
onderzocht worden (representatieve steekproef!)
Gehele populaties bevragen is zéér moeilijk (te veel werk)
,BESCHRIJVENDE STATISTIEK INDUCTIEVE STATISTIEK
Beschrijvende statistiek geeft zicht op de aard van de gegevens van de onderzochte groep
van onderzoekseenheden maar levert ons geen informatie over mogelijke
verbanden/verschillen/oorzaken in de volledige populatie.
→ inductieve statistiek (hypothesetoetsing)
,HERHALING BESCHRIJVENDE STATISTIEK
DE DATAMATRIX
➔ Gegevens worden ondergebracht in een datamatrix
o Later gegevens analyseren, interpreteren en rapporteren
o SPSS, Excel, R
Onderzoekseenheid →over wie/wat (rijen)
Variabelen →kenmerken van de onderzoekseenheden die onderzocht worden (kolommen)
Meetwaarde →”antwoord”
VARIABELEN:
1. Soorten variabelen naargelang de waarde erop
2. Soorten variabelen naargelang het meetniveau
3. Soorten variabelen naargelang de relatie ertussen
1. Indeling variabelen volgens de waarde erop:
• Kwalitatieve variabelen (= categorische variabelen)
• Waarden ingedeeld in groepen of categorieën
• Voorbeelden: geslacht, oogkleur, hoogst behaalde diploma
• Kwantitatieve variabelen (= numerieke variabelen)
• Numerieke waarden waarvoor rekenkundige bewerkingen, zoals optellen en
het gemiddelde berekenen, zinvol zijn
• Voorbeelden: leeftijd, gewicht, aantal mensen met jongdementie,…
• Voorbeelden van wat niet: gsm-nummer, ID-nummer,…
, Kwantitatieve variabelen:
- Discrete variabelen →hele waarden (geen komma)
o Resultaat van een telling
o Aantal kinderen in een gezin
- Continue variabelen →alle mogelijke waarden (komma)
o Lengte , gewicht
2. Soorten variabelen naargelang het meetniveau
Nominaal (laagste meetniveau) – woorden
• Alleen categorieën, geen volgorde.
• Voorbeelden: geslacht, kleur, woonplaats.
Je kunt alleen zeggen of iets hetzelfde of verschillend is.
Ordinaal – woorden
Er is een volgorde, maar de afstand tussen de waarden is niet precies bekend.
Voorbeelden: opleidingsniveau, ranglijsten, tevredenheid (slecht–matig–goed).
Je weet wat hoger of lager is, maar niet hoeveel hoger.
Interval - numers
• Volgorde én gelijke afstanden tussen waarden.
• Heeft geen echt nulpunt (0 betekent niet “niets”).
• Voorbeeld: temperatuur in °C.
Je kunt optellen en aftrekken, maar niet zinvol zeggen dat 20°C “twee keer zo
warm” is als 10°C.