Auguste Comte
Grondlegger van de sociologie → hij wilde de samenleving wetenschappelijk bestuderen
Positivisme → alleen kennis gebaseerd op feiten en observatie is geldig
Driefasenwet → elke samenleving evolueert:
o Religieus
o Metafysisch
o Wetenschappelijk (beste fase)
Sociale statica → studie van orde en stabiliteit
Sociale dynamica → studie van verandering
Doel: door kennis van de samenleving → orde herstellen en samenleving verbeteren
Herbert Spencer
Ziet sociologie als een natuurwetenschap → samenleving vergelijken met een lichaam (organisme) ->
samenleving bestaat uit onderdelen (organen) die samenwerken en elkaar nodig hebben
o Elk onderdeel heeft een functie (structuur + functie horen samen)
Bekend idee: “survival of the fittest” → sterksten overleven, zwakkeren niet
o Voorstander van vrije markt zonder overheidsingrijpen
o Vond dat de samenleving best zo weinig mogelijk gestuurd wordt
Karl Marx
Ziet samenleving als gebaseerd op conflict en strijd (niet stabiliteit)
Belangrijkste conflict = klassenstrijd tussen:
o Bourgeoisie (bezit productiemiddelen)
o Proletariaat (moet werken)
Economisch determinisme → economie bepaalt hoe de samenleving eruitziet
Samenleving bestaat uit klassen met ongelijke macht en rijkdom
Klassen en conflict
o Kapitalisten buiten arbeiders uit, arbeiders krijgen weinig loon -> leidt tot conflict en strijd
Klassenbewustzijn
o Eerst: mensen beseffen hun situatie niet (vals bewustzijn)
o Daarna: ze worden zich bewust van hun positie (klassenbewustzijn)
Revolutie
o Marx dacht dat de arbeiders in opstand zouden komen -> revolutie tegen kapitalisten en daardoor zou er
dan een klasseloze samenleving zijn
Vervreemding (alienatie)
o Arbeiders voelen zich vervreemd van hun werk, product en zichzelf
Belangrijke fasen (klassenontwikkeling)
o Individuele strijd
o Klassen an sich
o Klassen fur sich
Émile Durkheim
Durkheim ziet de samenleving als iets dat meer is dan de som van individuen
Sociale feiten
o Centraal begrip
o Dit zijn regels en normen die buiten het individu bestaan en ons gedrag sturen
o Vb. wetten, normen en waarden -> ze dwingen ons hoe we ons moeten gedragen
Samenleving boven individu
o De samenleving heeft een eigen realiteit (sui generis)
o Dus: je gedrag wordt sterk beïnvloed door de groep en de maatschappij niet allen door jezelf
Collectief bewustzijn
o Dit is het geheel van gedeelde waarden en normen in een samenleving -> het zorgt ervoor dat mensen
zich op een gelijkaardige manier gedragen -> het houdt de samenleving samen
Solidariteit
o Mechanische solidariteit
In traditionele samenlevingen, mensen lijken op elkaar, weinig verschillen
o Organische solidariteit
In moderne samenlevingen, mensen zijn verschillende maar afhankelijk van elkaar
Anomie
o Gebrek aan regels en normen, ontstaat bij snelle veranderingen -> zorgt voor verwarring en onzekerheid in
de samenleving
Studie op zelfmoorden
Max Weber
Kijkt naar de samenleving vanuit het gedrag en de betekenis van individuen
Sociaal handelen
o Gedrag dat gericht is op andere mensen
, o Je moet begrijpen waarom mensen iets dien (hun bedoeling)
Verstehen (begrijpen)
o Proberen in te leven in anderen
o Samenleving willen begrijpen via interpretatie
o Dus niet alleen observeren (Comte/ Durkheim) maar ook betekenis begrijpen
4 soorten sociaal handelen
o Doelrationeel: logisch, doelgericht (vb. studeren om te slagen)
o Waarderationeel: gebaseerd op waarden (vb. helpen uit overtuiging)
o Affectief: emotioneel (vb. boos worden)
o Traditioneel: uit gewoonte
Subjectiviteit
o Er bestaat geen volledig objectieve werkelijkheid -> sociologie blijft deels interpretatief
Waarom mensen handelen zoals ze doen legt nadruk op motivaties en keuzes van individuen
Erik Wright
Bouwt verder op Marx, maar maakt zijn theorie meer realistisch en complexer
Meerdere klassen (niet alleen 2)
o Er zijn meerdere klassen en tussenposities
o Vb. kleinburgerij, mensen die ergens tussen in zitten
Tegenstrijdige posities
o Sommige mensen zitten tussen 2 klassen in, ze hebben kenmerken van beide
o Vb. een manager heeft macht, maar is ook werknemer
Economie blijft belangrijk
o Productieproces en economie blijft de basis (zoals Marx) -> wie controle heeft over werk en middelen
bepaald de positie
Pierre Bourdieu
Probeert te verklaren waarom mensen uit verschillende sociale klassen anders leven en denken
Sociale ongelijkheid blijft bestaan
o Ook al lijkt er meer gelijkheid, je sociale positie blijft belangrijk
o Klassen bestaan nog steeds, maar je moet ze breder bekijken dan alleen geld
3 soorten kapitaal -> je positie = combinatie van deze 3
o Economisch: geld, bezit
o Sociaal: contacten, netwerk
o Cultureel: kennis, opleiding, opvoeding
Habitus
o Manier van denken -, voelen en handelen
o Wordt gevormd door je opvoeding en omgeving
Levensstijl
o Je gedrag en smaak hangen samen met je sociale positie en je habitus -> mensen gebruiken smaak op zich
te onderscheiden van anderen
Sociale omstandigheden -> beïnvloeden je denken -> beïnvloeden je gedrag
Talcott Parsons
Kijkt naar de samenleving als een geheel dat in evenwicht moet blijven
Samenleving = systeem
o De samenleving is een systeem van onderdelen die samenwerken -> alles heeft een functie om het
systeem stabiel te houden
Belang van waarden en normen
o Ze zorgen voor orde en samenhang -> mensen volgen regels = samenleving blijft stabiel
Sociale verandering
o Wanneer waarden veranderen -> beïnvloedt hoe mensen zich gedragen en dus ook de structuur van de
samenleving
Patroonvariabelen
o Mensen maken keuzes tussen tegenstellingen
Traditioneel vs. modern
Affectief vs. rationeel
Groepsgericht vs. zelfgericht
Toewijzing vs. verwerving
Diffuus vs. specifiek
o Dit bepaalt hoe mensen zich gedrag in de samenleving
Samenleving werkt goed als iedereen zich aanpast aan de gedeelde waarden -> zorgt voor evenwicht en
stabiliteit
Ferdinand Tönnies
Verschil tussen 2 soorten samenlevingen en relaties
o Gemeinschaft (gemeenschap)
Kleine traditionele groepen, sterke persoonlijke banden, gebaseerd op gevoel – traditie en
verbondenheid