Zelfconcept: zelfkennis (zelfcognitie) + zelfwaardegevoel (zelfperceptie)
Zelfkennis: resultaat v/ info via verschillende bronnen verkregen
Zelfobservatie = kijken nr jezelf, prestaties, spiegelbeeld, gedrag,
gedachten, verlangens, motieven
ZO beter leren kennen + eigen gedrag leren plaatsen,
begrijpen, voorspellen
Sociale spiegel = anderen jou kennis verschaffen over hoe je bent +
(invloed), overkomt
looking-glass Expliciet (lijkt geïrriteerd), impliciet (vermijden door
self geïrriteerde reacties)
Vergelijken met Info v/ anderen baseren op signifciant other
anderen Vb. weet alleen dat je hard kan rennen als wedstrijd tegen
anderen, intelligentietest (resultaten vergeleken met
normgroep)
Zelfwaardegevoel: hoe zie je jezelf? Waar hecht je waarde aan? Hoe zien
anderen jou?
Helpt sociale info verwerken + gebruiken om sociale wereld begrijpen + in
handelen
7.1 DE ZELFPERCEPTIETHEORIE VAN BEM
= onszelf leren kennen door eigen gedrag observeren
Vluchtige blik, toevallige waarneming waar conclusies aan verbinden over
eigen verlangens, persoonlijkheidseigenschappen, competenties, opinies,
meningen, capaciteiten
Objectief OF irrationeel, onlogische wijze tot oordeel
Zelfwaardegevoel: hoe tegenover jezelf staan appreciatie/attitude tegenover
jezelf
Zelfkennis afwegen tegenover waardeoordelen
Pos. Zelfwaardegevoel: jijzelf beantw aan zaken die belangrijk in
leven, wereld
Laag zelfwaardegevoel: niet voldoen aan hetgeen waar waarde
aan hecht
Probleem zelfconcept: gedragingen kan foutief + irrationeel gelabeld
eigen gedrag linken aan onveranderlijke persoonlijkheid (machteloos
voelen)
2 tendensen (belangrijke functie uitoefenen):
Tendens tot = zelfbeeld in stand houden
zelfconsiste Adolescentie = woelige periode: op korte tijd veel
ntie veranderingen niet thuis voelen in eigen lichaam,
hoofd
1
, Emotioneel belastend
Tendens tot = zo pos. Mogelijk zelfbeeld behouden
zelfverheffin Info die zelfbeeld neg. vertekend, genegeerd,
g bestreden
Depressie = omgekeerd: henzelf + eigen gedrag neg.
kaderen
7.2 ZELFATTRIBUTIE
Eigen gedrag verklaren obv persoonseigenschappen, situationele invloeden
Eigen gedrag extern attribueren, gedrag ander intern (actor-observator-
attributiefout + fundamentele attributiefout)
4 dimensies Weiner:
I. Plaats v/ Intern: persoon in zichzelf kijken om oorzaak
causaliteit te vinden
(intern, extern) Extern: omgeving = uitlokkende factor
II. Dimensie v/ = eigen gedrag, gevolgen = veranderlijk of stabiel
stabiliteit Variabel: geleverde inspanning, concentratie
Stabiel: capaciteiten, vaardigheden
III. Globaliteit Oorzaak gedrag = algemeen, globaal veel
terreinen gevolgen
Gebrek capaciteit ≠ oorzaak falen 1
situatie MAAR vele gevolgen in
uiteenlopende domeinen
Specifieke oorzaak gevolgen
beperken tot 1, enkele taken
IV. Controleerbaar = mate waarin controle over gedrag
heid Oncontroleerbaar? Afwachten tot uitlokkende
factor optreedt/verdwijnt
Controleerbaar? Heft in handen proberen
situatie in jouw voordeel doen uitdraaien
7.3 ATTRIBUTIESTIJL
7.3.1 BEHEERSINGSORIENTATIE
Julian Rotter: 4de dimensie kan levensstijl veroorzaken die bepalend vr
prestaties, succes, geluk
= attributiestijl (levensinstelling, houding)
Afhankelijk beheersingsorientatie, locus of control beliefs:
overtuigingen over eigen (on)macht situatie
Externals (externe = toeschrijven aan geluk, pech (toeval)
2