kwantitatief onderzoek
Hoofdstuk 2: Het onderzoeksplan
1. DE PROBLEEMSTELLING
Hypothese = veronderstelling:
Niet-gerichte, tweezijdige Gerichte, eenzijdige
“Is er verschil tss jongens, meisjes “Halen meisjes betere
inzake schoolresultaten? Er is verschil schoolresultaten dan jongens? Meisjes
tss meisjes, jongens” halen betere schoolresultaten dan
jongens”
Vermoeden (voorkennis)
Conceptueel model: pijltjesdiagram stelt te onderzoeken verband tss 2(+)
kenmerken voor (verklarende onderzoeksvraag)
Eenhede = doelgroep elementen uit populatie, steekproef (niet altijd
n mensen)
Kenmerk Wat onderzoekt kan variëren tss eenheden = variabele
en
Waarden Variabelen (kenmerken) nemen ‘waarden’ aan hoog, gemiddeld,
laag
Verband Effect
= relatie tss kenmerken minimaal 2 = ‘richting’ in verband: ene kenmerk
kenmerken variëren samen varieert eerst + invloed andere
kenmerk
Positief verband/effect Negatief verband/effect
= kenmerken variëren recht evenredig = kenmerken variëren omgekeerd
Als ene verhoogt, dan verhoogt evenredig
ander Als ene verhoogt, verlaagt
(ook als verlaagt zelfde) ander (omgekeerd!)
Onafhankelijk effect 2 variabelen Variabele die 2 variabelen
op 3e variabele onafhankelijk v/ elkaar beïnvloedt
Onafhankelijke variabele geeft effect op afhankelijke variabele!
1
, 3 kenmerken effectsrelaties:
Onrechtstreeks/indirect = onafhankelijke effect afhankelijke MAAR via 3e
effect DOOR variabele
intermediaire/mediërende Direct, indirect effect
variabele
Interactie-effect via = effect v/ iets afhankelijk 3e factor
moderende variabele
Schijneffect = effect verklaard door 3e die effect op beide
variabelen
Effectrelatie ≠ altijd causale relatie:
Alle causale relaties = effectrelaties (NIET omgekeerd)
Voorwaarden causaal effect:
I. Samenhang (verband)
II. Duidelijke tijdsordening
III. 3e variabelen moet uitgesloten (anders effectrelatie)
Het is niet omdat er een verband is dat het een causale relatie is
(experimenten nodig)
2