H1: Nature en nurture & Ontwikkelingsneurobiologie 6
1.1 Inleiding 6
1.1.1 Ontwikkeling 6
1.1.2 Waardoor wordt ontwikkeling bepaald? 6
1.2 Genetica en omgeving 7
1.2.1 Inleiding 7
1.2.2 Genetica (nature) 8
1.2.2.1 Concordantie bij tweelingen 8
1.2.2.2 Voorbeeld uit de standaard over democratisering van het onderwijs 9
1.2.3 Nurture 10
1.2.3.1 Natuurlijk experiment: wolvenkinderen 11
1.2.3.2 Hoe wordt omgeving bestudeerd? 11
1.3 Gen-Omgevingscorrelaties = rGE 12
1.4 Gen-omgevingsinteracties = GxE 14
1.4.1 Belang van rGE/GxE 16
1.4.2 Epigenetica 16
1.4.3 Gedragsgenetica: 10 bevindingen 16
1.5 Ontwikkelingspsychopathologie 17
1.6 Stadia van de hersenontwikkeling 18
1.7 Universaliteit van de ontwikkelingsstadia 20
1.7.1 Inleiding 20
1.7.2 Brein ontwikkelt onder bepaalde voorwaarden 22
1.8 Samenvatting 24
H2: Ontwikkeling 0-2 jaar 26
2.1 Normale ontwikkeling - sensomotorische stadium 26
2.1.1 Van 0-6 maanden 26
2.1.2 Van 7-12 maanden 26
2.1.3 Van 12-18 maanden 27
2.1.4 Van 19-24 maanden 27
2.2 Hechting 28
2.2.1 Normale ontwikkeling -> 0-3 jaar 28
2.2.2 Hechtingstheorie van Bowlby 29
2.2.3 Hechting in DYADE 29
2.2.4 Hechtingstheorie 30
2.2.5 Ainsworth strange situation paradigma 30
2.2.6 Het 4de type (Mary Main, 1990) 31
2.2.7 Hechtingsstoornissen (vanaf kleuterleeftijd) 32
2.2.7.1 Reactieve hechtingsstoornis 32
2.2.7.2 Ontremd-sociaal-contactstoornis 32
2.2.7.3 Van hechting naar hechtinsstoornis 33
2.3 Kindermishandeling 33
2.3.1 Enkele cijfers 33
2.3.2 ACE-screening 34
1
, 2.3.3 Outcome van ACE’s en impact 34
2.3.4 Maltreatment - multifinality 35
2.3.5 Developmental psychopathology 0-2y 36
2.4 Autisme 37
2.4.1 Autismespectrumstoornis DSM-5 37
2.4.2 Genetica Autisme Spectrum Stoornis 38
2.4.3 Syndromale vormen 39
2.4.4 Etiologie van autismespectrumstoornissen 39
2.4.4.1 Neurologische ontwikkelingsafwijkingen 39
2.4.4.2 Omgeving vs genen 40
2.4.4.3 Geslacht 40
2.4.5 Repetitieve, stereotype gedragingen en specifieke interesses 41
H3: Autismespectrumstoornis - klinisch beeld 42
3.1 Wat is autisme? 42
3.1.1 Diagnostische criteria in DSM-5 42
3.1.1.1 A-criterium: sociale communicatie 42
3.1.1.2 B-criterium: restricted, repetitive patterns of behaviour & interests (RRBI’s) 43
3.1.2 Onderliggende mechanismen van ontwikkelingsstoornissen 44
3.1.3 Het einde van een continuüm van kenmerken 44
3.1.4 Hoog / laag functionerend autisme: heeft het zin? 45
3.1.5 Evolutie 46
3.1.6 Comorbiditeit (cijfers: 12-13 jarige leeftijd) 46
3.1.7 Differentiaal diagnose 47
3.1.8 Stromingen 47
3.2 Vaak voorkomende verschillen op neurocognitief niveau 47
3.2.1 Theory-of-mind (TOM) 47
3.2.2 Centrale coherentie (WCC) / enhanced perceptual functioning (EPF) 48
3.2.3 Executieve functies 48
3.2.4 High and Inflexible Precision of Prediction Errors in Autism (HIPPEA) 48
3.3 Onstaanmechanismes 48
3.3.1 Geschiedenis van autisme research 48
3.3.2 Samenloop van omstandigheden 49
3.3.3 Helaas is het nog ingewikkelder 49
3.4 Screening en diagnostiek 49
3.4.1 Screening 49
3.4.2 Diagnostiek 50
3.5 Interventies bij autisme 51
3.5.1 Geen ‘behandeling’ naar herstel 51
3.5.2 Stimuleren, vroeg-interventies 51
3.5.3 Verduidelijken van omgeving en tijd 51
3.5.4 Ondersteuning van de communicatie 52
3.5.5 Begrijpen van gedragsproblemen 52
3.5.6 ASS en communicatie in therapie 52
3.5.7 Medicatie 53
2
, 3.5.7.1 Mogelijkheden 53
3.5.7.2 Bijzondere bijwerkingen 54
H4: Ontwikkeling 2-6 jaar 55
4.1 Normale ontwikkeling - pre-operationeel stadium 55
4.1.1 Hoe omgaan met angsten bij peuters-kleuters ? 57
4.1.2 Terrible two 57
4.1.3 Hoe temper tantrum aanpakken? 57
4.2 Psychiatrische problemen bij peuters-kleuters 58
4.2.1 Agressie en gewetensontwikkeling 2-6 jaar 58
4.2.2 Gedragsstoornissen in DSM-5 59
4.2.2.1 Typologie gedragsstoornissen 59
4.2.2.2 Prognose gedragsstoornissen 60
4.2.3 Omgeving 60
4.2.3.1 Conduct Disorder: omgevingsrisico’s (~ 60%) 60
4.2.3.2 Omgevingseffecten? Ouder-kind 61
4.2.3.3 Ontwikkelingsmodel over de tijd 62
4.2.3.4 Identificatie en defaitisme 62
4.2.4 Genetica 63
4.2.5 Gen-omgevingsinteracties 65
4.2.6 Gen-omgevingscorrelaties 67
4.2.7 Aanpak gedragsstoornis 67
H5: Ontwikkeling 6-12 jaar 69
5.1 Normale ontwikkeling - concreet operationeel stadium 69
5.2 ADHD 71
5.2.1 Definitie + types ADHD 71
5.2.2 Diagnose 72
5.2.3 Prevalentie en prognose ADHD 74
5.2.3.1 Prevalentie 74
5.2.3.2 Prognose 75
5.2.4 Antisociaal gedrag en ADHD 77
5.2.5 Etiologie van ADHD 78
5.2.5.1 Genetica 78
5.2.5.2 Neurobiologische associaties 78
5.2.5.3 Neurofysiologie 79
5.2.6 Neuropsychologische disfuncties 82
5.2.6.1 Inhibitie 82
5.2.6.2 Executieve functies 83
5.2.6.3 Motivationeel deficit: uitstel van beloning 84
5.2.6.4 Tijdsperceptie deficit 84
5.2.6.5 Samenvatting neurocognitieve dysfuncties 85
5.2.7 Behandeling 85
5.2.7.1 Niet-farmacologische behandeling 85
5.2.7.2 Farmacologische behandeling 87
5.2.8 Stigma en ADHD 87
3
,H6: Ontwikkeling 12-18 jaar 88
6.1 Normale ontwikkeling - formeel operationeel stadium 88
6.1.1 Adolescent denken 89
6.1.2 Ontwikkelingsnoden, ontwikkelingstaken en gedrag 89
6.1.3 Hormonale veranderingen 92
6.1.4 Het adolescente brein 92
6.2 Alcohol 93
6.2.1 Verslaving 93
6.2.2 Alcohol effecten 94
6.3 Zelfverwonding 95
6.3.1 Inleiding: adolescente psychopathologie 95
6.3.2 Risicofactoren voor suïcidaliteit bij adolescenten 96
6.3.3 Suïcidaliteit vs non-suïcidale zelfverwonding 97
6.3.4 Zelfverwondend gedrag 97
H7: Trauma- en stressgerelateerde stoornissen 99
7.1 DSM-V 99
7.2 Trauma typologie 99
7.3 Acute Stress stoornis / PTSS: symptoom clusters 99
7.4 Risico- en protectieve factoren 101
7.5 (Neuro)biologische aspecten 101
7.5.1 Genetica van traumagerelateerde stoornissen 101
7.5.2 Onderzoek naar PTSS en neurobiologie 102
7.5.3 Anatomische structuren 103
7.5.4 Neurobiologische modellen dissociatie 104
7.6 Behandeling 104
H8: Somatisch-symptoom stoornis 106
8.1 Inleiding: holistische geneeskunde 106
8.2 Somatisch-symptoom stoornis in DSM-V 107
8.2.1 DSM-V definitie 107
8.2.2 Types en verwanten 107
8.3 Historiek 108
8.4 Prevalentie 109
8.5 Factoren 109
8.5.1 Profiel van kinderen 109
8.5.2 Onderhoudende factoren: cognities en gedrag 110
8.5.3 Profiel van de gezinnen 110
8.5.4 Externe stressoren 110
8.5.5 Biologische factoren 110
8.6 Behandeling 112
8.6.1 Psycho-educatie 112
8.6.2 Fysiotherapie 113
8.6.3 Psychotherapie 113
H9: Eetstoornissen bij kinderen en jongeren 115
9.1 Situering 115
4
, 9.2 Anorexia nervosa 116
9.2.1 Historiek 116
9.2.2 Classificatie DSM-5 116
9.2.3 Lichamelijke gevolgen: ‘the biology of starvation’ 118
9.2.3.1 Experiment: the great starvation 118
9.2.3.2 Lichamelijke gevolgen 118
9.2.4 Kwetsbaarheidsmodel 119
9.2.4.1 Risicofactor: puberteit 119
9.2.4.2 Risiciofactor: genetica/biolgoie 119
9.2.4.3 Risicofactor: psychologie/omgevingssterssoren 120
9.2.4.4 Risicofactor: rol van het gezin 120
9.2.4.5 Risicofactor: media/maatschappij 120
9.2.5 Epidemiologie, verloop en outcome 120
9.2.6 Behandeling 121
9.2.6.1 Specifieke uitdagingen 121
9.2.6.2 Guidelines jongeren 121
9.2.6.3 Behandeling met het gezin 122
1. Maudsley-model 122
2. Multi Family therapy (Maudsley-model) 122
9.2.6.4 Individuele therapie 123
9.2.6.5 Medicatie 123
9.2.7 Terugvalpreventie 124
H10: Stemmingsstoornissen 125
10.1 Inleiding: wat is depressie? 125
10.2 Klinisch beeld van depressie 125
10.3 Depressieve episode vs. depressieve stoornis 126
10.3.1 Tekenen van depressie bij kinderen/jongeren 126
10.3.2 Suïcidaliteit - een proces 127
10.3.3 Majeure Depressieve Stoornis (MDD) 127
10.4 Voorkomen en co-morbiditeit 129
10.4.1 Voorkomen 129
10.4.2 Co-morbiditeit 129
10.5 Pathogenese 130
10.5.1 Ontwikkeling van depressie 130
10.5.2 Omgevingsfactoren 130
10.6 Gevolgen – disfunctioneren 131
10.7 Verloop – prognose 132
10.8 Behandeling 133
5
, Kinder- & jeugdpsychiatrie
H1: Nature en nurture & Ontwikkelingsneurobiologie
1.1 Inleiding
1.1.1 Ontwikkeling
Normaal = mijlpalen van fysieke, cognitieve, taal- en socio-emotionele ontwikkelingen worden
(ongeveer) op specifieke leeftijden bereikt
Merk op:
● Er is ontwikkeling in verschillende domeinen
● Tabellen met een korrel zout nemen
○ Ene kind ontwikkelt sneller dan het andere
○ Niet elk domein ontwikkelt even snel als het andere
● Reclame van Evian: bijzonder -> baby’s doen dingen die een baby/peuter normaal niet kan
○ Toont de essentie van de betekenis van het woord ontwikkeling
○ Realiseer telkens in welke fase van de ontwikkeling het kind zich bevindt en wat mag
je dus van het kind verwachten
○ In onze maatschappij gaat het inschatten van wat onze kinderen kunnen vaak mis
○ We verwachten vaak te veel van kinderen
1.1.2 Waardoor wordt ontwikkeling bepaald?
● Nature = genen/genetica
○ Alles wat op voorhand vastligt - veel is op voorhand geprogrammeerd
○ Determinisme: bij aanvang zal de ene persoon andere vaardigheden ontwikkelen dan
de andere
■ Vb. sportiviteit: niet iedereen heeft dezelfde mogelijkheden om olympisch
kampioen te worden
■ Iedereen moet hard trainen maar voor sommige toch eenvoudiger
○ Niet iedereen heeft dezelfde startpositie
○ Het is verwonderlijk dat we dit soms wel verwachten
6
, ■ Taboe bij cognitieve vaardigheden: aan ouders vragen ‘als je weet dat een
gemiddeld IQ 100 is, wat denk je dat het IQ van je kind is?’
■ Bijna alle ouders zeggen dat hun kind gemiddeld is, het is niet intrinsiek
acceptabel voor ouders als dit niet het geval zou zijn
● Nurture = levenservaringen (gezin, school, vrienden, cultuur) + biologische omgeving
○ Opvoeding
○ Omgevingsinvloeden
Merk op:
Hoeveel van elk en hoe? -> Tweeling- en adoptiestudies = natuurlijke experimenten die genetische en
omgevingsfactoren scheiden
Adoptie Tweelingen
Biologische vs Identieke tweelingen die apart opgroeien
opvoedende ouders Monozygote vs dizygote tweelingen die samen opgroeien
● Monozygoot = genetisch hetzelfde -> 1-eiige tweelingen
-> Concrete bijdrage ● Dizygoot = genetisch gemiddeld 50% hetzelfde
van opvoedende ○ Broers/zussen of 2-eiige tweelingen
ouders bekijken ○ Theoretisch kan het 100% zijn maar ook 0%
○ Omgevingsinvloed is gelijk voor beiden maar genetische
invloed niet
-> bestuderen hoe erfelijk een aandoening is, wat is de kans?
Concordantie = samen voorkomen van dezelfde problematiek
● Als 1 van de twee autisme heeft, wat is de kans dat de andere
tweeling het ook heeft? (= concordantie van autisme)
● Als het meer voorkomt of vaker concordant is bij de monozygote
tweelingen dan bij de dizygote tweelingen => aanwijzing dat het
een erfelijk kenmerk is
1.2 Genetica en omgeving
1.2.1 Inleiding
● Individu ≠ onbeschreven blad
○ Niet alles is mogelijk
○ Iedereen heeft zijn eigen sterktes en
zwaktes -> ligt op voorhand vast
● Genetische opmaak bepaalt startpositie en
ontwikkelingsmogelijkheden
Je komt op de wereld en ouders hopen dat ze veel invloed
kunnen hebben op het kind -> worden zoals zij willen. Er is
wel een invloed maar er zijn ook veel andere factoren die je niet kan beïnvloeden met de opvoeding
The Jim twins: Identieke tweelingen, gescheiden toen ze 4 jaar waren en herenigd toen ze 39 waren
-> zowel gemeenschappelijke als verschillende kenmerken
7
,Conclusie: Als we zeggen het is genetisch bepaald, bedoelen we hier niet letterlijk dat er een gen
bestaat waardoor je bepaalde keuzes maakt maar wel dat je persoonlijkheidskenmerken hebt die
leiden tot bepaalde keuzes.
1.2.2 Genetica (nature)
= mate waarin variantie voor bepaald kenmerk in de bevolking bepaald is door genetische verschillen
● Klassieke genetica:
○ Chromosomaal = afwijking in aantal chromosomen of in structuur van chromosomen
■ Vb. Trisomie 21
■ Vb. in Autisme: 5%
○ Monogenetisch = meeste erfelijke aandoeningen ontstaan door een foutje in 1 gen
■ Vb. Ziekte van Huntington:
● Bewegingsafwijkingen: verliezen de controle over hun motoriek
● Dementie: verstandelijke beperking
○ Polygenetische afwijkingen - veel verschillende onderliggende genen voor complexe
vaardigheden spelen samen een rol
■ Additief (optelsom):
● Wanneer ≥ 2 genen 1 enkele bijdrage leveren aan uiteindelijke
fenotype
● Wanneer allelen van 1 enkel gen (in heterozygoten) zo combineren
dat hun gecombineerde effecten = aan som van individuele effecten
■ Multiplicatief (vermenigvuldiging), epistatisch
● Gen A en B leiden tot een bepaalde vorm
● Stel C komt hier nog eens bij -> niet additief maar vermenigvuldigt
de vorm nog eens
● Epistase = verschijnsel in genetica waarbij effect van een genmutatie
afh is van aan- of afwezigheid van mutaties in ≥ 1 andere genen
● Nieuwe genetica
○ Gedragsgenetica -> tweelingstudies: als de concordantie van een fenotype groter is
bij monozygote tweelingen dan bij dizygote, dan moet dit genetisch zijn
■ Groeiden samen in dezelfde omgeving op
○ Concordantie: aanwezigheid van dezelfde trek in beide leden van een tweelingpaar
■ Gebruikt om het risico op het ontwikkelen van een stoornis te schatten
Formule Erfelijkheid
● 2 x (rMZ-rDZ)
● 2x het verschil tussen de concordantie van de mono- en dizygote
!! schatting van de erfelijkheidsgraad van de aandoening
1.2.2.1 Concordantie bij tweelingen
● Dyslexie: concordantie bij MZ is groot maar ook hoge concordantie bij DZ-tweelingen
○ Voor een deel erfelijk
○ Er is een verschil maar er is ook een deel omgevingsinvloed
● Autisme: bij MZ heel vaak concordantie (als de ene het heeft, heeft de andere het ook) en bij
DZ-tweelingen veel minder
8
,1.2.2.2 Voorbeeld uit de standaard over democratisering van het onderwijs
● Boodschap: we glijden af naar een erfelijke meritocratie en we moeten hier voor oppassen,
we willen iedereen gelijke kansen geven in het onderwijs
○ Erfelijke meritocratie = bepaalde groep zal erin slagen om diploma hoger onderwijs
te halen, namelijk degene wiens ouders ook een opleiding hebben gekregen
○ Natuurlijk hebben kinderen van hoger opgeleide ouders meer kans, dat is evident
■ Je mag dit precies niet uitspreken maar er is wetenschappelijke evidentie
■ Hij probeert iets te ontkrachten waarvoor er evidentie is
● Welke factoren zijn belangrijk om verder te studeren en om goede resultaten te halen?
○ Zie tabel
○ Aantal van die factoren zijn erfelijk bepaald: vb. IQ, persoonlijkheidskenmerken
● Vertaalt zich ook meteen in behandelingsmogelijkheden
○ Iets dat meer omgeving bepaald -> meer beïnvloeden en veranderen
9
, ○ Aan genetica kan je niks doen
○ Vb. ADHD kunnen we niet veranderen maar we kunnen de omgeving wel aanpassen
zodat het kind er minder last van heeft
1.2.3 Nurture
= omgeving
● Bio-fysisch:
○ Pre-/perinataal:
■ Baarmoederlijk milieu:
● Roken en drinken tijdens de zwangerschap
● Stress zorgt voor hoger cortisolniveau en baby -> ook wat invloed op
hersenontwikkeling
■ Geboortecomplicaties: vb. zuurstoftekort
○ Toxiciteit:
■ Voeding: belangrijk voor hersenontwikkeling
■ Pollutie: vb. in hoog- geïndustrialiseerde gebieden is het gemiddeld IQ van
de bewoners lager dan in minder vervuilde gebieden
■ Infectie: vb. infectie die mama oploopt tijdens de zwangerschap
○ Hersentrauma: elk incident waarbij er hersenschade wordt opgelopen heeft invloed
op cognitie, gedrag, persoonlijkheid
● Gezin:
○ Koestering, sensitief ouderschap -> angsten en stress dempen
○ Waarden, regels, toezicht:
■ Waarden: soms expliciet en soms impliciet meegeven
● Maakt dat je bepaalde dingen wel/niet mocht en dat bepaalde
dingen gestimuleerd worden (spiegelend)
● Soms hebben waarden in het gezin het omgekeerde effect, ‘ik wil
niet zijn zoals mijn ouders’
■ Regels & toezicht: zouden er moeten zijn vanuit een beschermend standpunt
○ Stimulatie, motivatie, hulp
■ Waar stuurt het gezin je naartoe
■ vb: 2 kids in 2 gezinnen die muzikaal even getalenteerd zijn. De ene ouders
brengen ze elke week 2x naar de muziekschool, … en de andere niet
● Onderwijs: schoolethos (oa. motivatie van leerkrachten)
● Vrienden, buurt, hobby’s
● Cultuur, welvaart, zorg vb. Helm dragen tijdens het skieen
Merk op: omgeving is veel meer dan alleen maar ‘gezin’ en ‘opvoeding’
10
1.1 Inleiding 6
1.1.1 Ontwikkeling 6
1.1.2 Waardoor wordt ontwikkeling bepaald? 6
1.2 Genetica en omgeving 7
1.2.1 Inleiding 7
1.2.2 Genetica (nature) 8
1.2.2.1 Concordantie bij tweelingen 8
1.2.2.2 Voorbeeld uit de standaard over democratisering van het onderwijs 9
1.2.3 Nurture 10
1.2.3.1 Natuurlijk experiment: wolvenkinderen 11
1.2.3.2 Hoe wordt omgeving bestudeerd? 11
1.3 Gen-Omgevingscorrelaties = rGE 12
1.4 Gen-omgevingsinteracties = GxE 14
1.4.1 Belang van rGE/GxE 16
1.4.2 Epigenetica 16
1.4.3 Gedragsgenetica: 10 bevindingen 16
1.5 Ontwikkelingspsychopathologie 17
1.6 Stadia van de hersenontwikkeling 18
1.7 Universaliteit van de ontwikkelingsstadia 20
1.7.1 Inleiding 20
1.7.2 Brein ontwikkelt onder bepaalde voorwaarden 22
1.8 Samenvatting 24
H2: Ontwikkeling 0-2 jaar 26
2.1 Normale ontwikkeling - sensomotorische stadium 26
2.1.1 Van 0-6 maanden 26
2.1.2 Van 7-12 maanden 26
2.1.3 Van 12-18 maanden 27
2.1.4 Van 19-24 maanden 27
2.2 Hechting 28
2.2.1 Normale ontwikkeling -> 0-3 jaar 28
2.2.2 Hechtingstheorie van Bowlby 29
2.2.3 Hechting in DYADE 29
2.2.4 Hechtingstheorie 30
2.2.5 Ainsworth strange situation paradigma 30
2.2.6 Het 4de type (Mary Main, 1990) 31
2.2.7 Hechtingsstoornissen (vanaf kleuterleeftijd) 32
2.2.7.1 Reactieve hechtingsstoornis 32
2.2.7.2 Ontremd-sociaal-contactstoornis 32
2.2.7.3 Van hechting naar hechtinsstoornis 33
2.3 Kindermishandeling 33
2.3.1 Enkele cijfers 33
2.3.2 ACE-screening 34
1
, 2.3.3 Outcome van ACE’s en impact 34
2.3.4 Maltreatment - multifinality 35
2.3.5 Developmental psychopathology 0-2y 36
2.4 Autisme 37
2.4.1 Autismespectrumstoornis DSM-5 37
2.4.2 Genetica Autisme Spectrum Stoornis 38
2.4.3 Syndromale vormen 39
2.4.4 Etiologie van autismespectrumstoornissen 39
2.4.4.1 Neurologische ontwikkelingsafwijkingen 39
2.4.4.2 Omgeving vs genen 40
2.4.4.3 Geslacht 40
2.4.5 Repetitieve, stereotype gedragingen en specifieke interesses 41
H3: Autismespectrumstoornis - klinisch beeld 42
3.1 Wat is autisme? 42
3.1.1 Diagnostische criteria in DSM-5 42
3.1.1.1 A-criterium: sociale communicatie 42
3.1.1.2 B-criterium: restricted, repetitive patterns of behaviour & interests (RRBI’s) 43
3.1.2 Onderliggende mechanismen van ontwikkelingsstoornissen 44
3.1.3 Het einde van een continuüm van kenmerken 44
3.1.4 Hoog / laag functionerend autisme: heeft het zin? 45
3.1.5 Evolutie 46
3.1.6 Comorbiditeit (cijfers: 12-13 jarige leeftijd) 46
3.1.7 Differentiaal diagnose 47
3.1.8 Stromingen 47
3.2 Vaak voorkomende verschillen op neurocognitief niveau 47
3.2.1 Theory-of-mind (TOM) 47
3.2.2 Centrale coherentie (WCC) / enhanced perceptual functioning (EPF) 48
3.2.3 Executieve functies 48
3.2.4 High and Inflexible Precision of Prediction Errors in Autism (HIPPEA) 48
3.3 Onstaanmechanismes 48
3.3.1 Geschiedenis van autisme research 48
3.3.2 Samenloop van omstandigheden 49
3.3.3 Helaas is het nog ingewikkelder 49
3.4 Screening en diagnostiek 49
3.4.1 Screening 49
3.4.2 Diagnostiek 50
3.5 Interventies bij autisme 51
3.5.1 Geen ‘behandeling’ naar herstel 51
3.5.2 Stimuleren, vroeg-interventies 51
3.5.3 Verduidelijken van omgeving en tijd 51
3.5.4 Ondersteuning van de communicatie 52
3.5.5 Begrijpen van gedragsproblemen 52
3.5.6 ASS en communicatie in therapie 52
3.5.7 Medicatie 53
2
, 3.5.7.1 Mogelijkheden 53
3.5.7.2 Bijzondere bijwerkingen 54
H4: Ontwikkeling 2-6 jaar 55
4.1 Normale ontwikkeling - pre-operationeel stadium 55
4.1.1 Hoe omgaan met angsten bij peuters-kleuters ? 57
4.1.2 Terrible two 57
4.1.3 Hoe temper tantrum aanpakken? 57
4.2 Psychiatrische problemen bij peuters-kleuters 58
4.2.1 Agressie en gewetensontwikkeling 2-6 jaar 58
4.2.2 Gedragsstoornissen in DSM-5 59
4.2.2.1 Typologie gedragsstoornissen 59
4.2.2.2 Prognose gedragsstoornissen 60
4.2.3 Omgeving 60
4.2.3.1 Conduct Disorder: omgevingsrisico’s (~ 60%) 60
4.2.3.2 Omgevingseffecten? Ouder-kind 61
4.2.3.3 Ontwikkelingsmodel over de tijd 62
4.2.3.4 Identificatie en defaitisme 62
4.2.4 Genetica 63
4.2.5 Gen-omgevingsinteracties 65
4.2.6 Gen-omgevingscorrelaties 67
4.2.7 Aanpak gedragsstoornis 67
H5: Ontwikkeling 6-12 jaar 69
5.1 Normale ontwikkeling - concreet operationeel stadium 69
5.2 ADHD 71
5.2.1 Definitie + types ADHD 71
5.2.2 Diagnose 72
5.2.3 Prevalentie en prognose ADHD 74
5.2.3.1 Prevalentie 74
5.2.3.2 Prognose 75
5.2.4 Antisociaal gedrag en ADHD 77
5.2.5 Etiologie van ADHD 78
5.2.5.1 Genetica 78
5.2.5.2 Neurobiologische associaties 78
5.2.5.3 Neurofysiologie 79
5.2.6 Neuropsychologische disfuncties 82
5.2.6.1 Inhibitie 82
5.2.6.2 Executieve functies 83
5.2.6.3 Motivationeel deficit: uitstel van beloning 84
5.2.6.4 Tijdsperceptie deficit 84
5.2.6.5 Samenvatting neurocognitieve dysfuncties 85
5.2.7 Behandeling 85
5.2.7.1 Niet-farmacologische behandeling 85
5.2.7.2 Farmacologische behandeling 87
5.2.8 Stigma en ADHD 87
3
,H6: Ontwikkeling 12-18 jaar 88
6.1 Normale ontwikkeling - formeel operationeel stadium 88
6.1.1 Adolescent denken 89
6.1.2 Ontwikkelingsnoden, ontwikkelingstaken en gedrag 89
6.1.3 Hormonale veranderingen 92
6.1.4 Het adolescente brein 92
6.2 Alcohol 93
6.2.1 Verslaving 93
6.2.2 Alcohol effecten 94
6.3 Zelfverwonding 95
6.3.1 Inleiding: adolescente psychopathologie 95
6.3.2 Risicofactoren voor suïcidaliteit bij adolescenten 96
6.3.3 Suïcidaliteit vs non-suïcidale zelfverwonding 97
6.3.4 Zelfverwondend gedrag 97
H7: Trauma- en stressgerelateerde stoornissen 99
7.1 DSM-V 99
7.2 Trauma typologie 99
7.3 Acute Stress stoornis / PTSS: symptoom clusters 99
7.4 Risico- en protectieve factoren 101
7.5 (Neuro)biologische aspecten 101
7.5.1 Genetica van traumagerelateerde stoornissen 101
7.5.2 Onderzoek naar PTSS en neurobiologie 102
7.5.3 Anatomische structuren 103
7.5.4 Neurobiologische modellen dissociatie 104
7.6 Behandeling 104
H8: Somatisch-symptoom stoornis 106
8.1 Inleiding: holistische geneeskunde 106
8.2 Somatisch-symptoom stoornis in DSM-V 107
8.2.1 DSM-V definitie 107
8.2.2 Types en verwanten 107
8.3 Historiek 108
8.4 Prevalentie 109
8.5 Factoren 109
8.5.1 Profiel van kinderen 109
8.5.2 Onderhoudende factoren: cognities en gedrag 110
8.5.3 Profiel van de gezinnen 110
8.5.4 Externe stressoren 110
8.5.5 Biologische factoren 110
8.6 Behandeling 112
8.6.1 Psycho-educatie 112
8.6.2 Fysiotherapie 113
8.6.3 Psychotherapie 113
H9: Eetstoornissen bij kinderen en jongeren 115
9.1 Situering 115
4
, 9.2 Anorexia nervosa 116
9.2.1 Historiek 116
9.2.2 Classificatie DSM-5 116
9.2.3 Lichamelijke gevolgen: ‘the biology of starvation’ 118
9.2.3.1 Experiment: the great starvation 118
9.2.3.2 Lichamelijke gevolgen 118
9.2.4 Kwetsbaarheidsmodel 119
9.2.4.1 Risicofactor: puberteit 119
9.2.4.2 Risiciofactor: genetica/biolgoie 119
9.2.4.3 Risicofactor: psychologie/omgevingssterssoren 120
9.2.4.4 Risicofactor: rol van het gezin 120
9.2.4.5 Risicofactor: media/maatschappij 120
9.2.5 Epidemiologie, verloop en outcome 120
9.2.6 Behandeling 121
9.2.6.1 Specifieke uitdagingen 121
9.2.6.2 Guidelines jongeren 121
9.2.6.3 Behandeling met het gezin 122
1. Maudsley-model 122
2. Multi Family therapy (Maudsley-model) 122
9.2.6.4 Individuele therapie 123
9.2.6.5 Medicatie 123
9.2.7 Terugvalpreventie 124
H10: Stemmingsstoornissen 125
10.1 Inleiding: wat is depressie? 125
10.2 Klinisch beeld van depressie 125
10.3 Depressieve episode vs. depressieve stoornis 126
10.3.1 Tekenen van depressie bij kinderen/jongeren 126
10.3.2 Suïcidaliteit - een proces 127
10.3.3 Majeure Depressieve Stoornis (MDD) 127
10.4 Voorkomen en co-morbiditeit 129
10.4.1 Voorkomen 129
10.4.2 Co-morbiditeit 129
10.5 Pathogenese 130
10.5.1 Ontwikkeling van depressie 130
10.5.2 Omgevingsfactoren 130
10.6 Gevolgen – disfunctioneren 131
10.7 Verloop – prognose 132
10.8 Behandeling 133
5
, Kinder- & jeugdpsychiatrie
H1: Nature en nurture & Ontwikkelingsneurobiologie
1.1 Inleiding
1.1.1 Ontwikkeling
Normaal = mijlpalen van fysieke, cognitieve, taal- en socio-emotionele ontwikkelingen worden
(ongeveer) op specifieke leeftijden bereikt
Merk op:
● Er is ontwikkeling in verschillende domeinen
● Tabellen met een korrel zout nemen
○ Ene kind ontwikkelt sneller dan het andere
○ Niet elk domein ontwikkelt even snel als het andere
● Reclame van Evian: bijzonder -> baby’s doen dingen die een baby/peuter normaal niet kan
○ Toont de essentie van de betekenis van het woord ontwikkeling
○ Realiseer telkens in welke fase van de ontwikkeling het kind zich bevindt en wat mag
je dus van het kind verwachten
○ In onze maatschappij gaat het inschatten van wat onze kinderen kunnen vaak mis
○ We verwachten vaak te veel van kinderen
1.1.2 Waardoor wordt ontwikkeling bepaald?
● Nature = genen/genetica
○ Alles wat op voorhand vastligt - veel is op voorhand geprogrammeerd
○ Determinisme: bij aanvang zal de ene persoon andere vaardigheden ontwikkelen dan
de andere
■ Vb. sportiviteit: niet iedereen heeft dezelfde mogelijkheden om olympisch
kampioen te worden
■ Iedereen moet hard trainen maar voor sommige toch eenvoudiger
○ Niet iedereen heeft dezelfde startpositie
○ Het is verwonderlijk dat we dit soms wel verwachten
6
, ■ Taboe bij cognitieve vaardigheden: aan ouders vragen ‘als je weet dat een
gemiddeld IQ 100 is, wat denk je dat het IQ van je kind is?’
■ Bijna alle ouders zeggen dat hun kind gemiddeld is, het is niet intrinsiek
acceptabel voor ouders als dit niet het geval zou zijn
● Nurture = levenservaringen (gezin, school, vrienden, cultuur) + biologische omgeving
○ Opvoeding
○ Omgevingsinvloeden
Merk op:
Hoeveel van elk en hoe? -> Tweeling- en adoptiestudies = natuurlijke experimenten die genetische en
omgevingsfactoren scheiden
Adoptie Tweelingen
Biologische vs Identieke tweelingen die apart opgroeien
opvoedende ouders Monozygote vs dizygote tweelingen die samen opgroeien
● Monozygoot = genetisch hetzelfde -> 1-eiige tweelingen
-> Concrete bijdrage ● Dizygoot = genetisch gemiddeld 50% hetzelfde
van opvoedende ○ Broers/zussen of 2-eiige tweelingen
ouders bekijken ○ Theoretisch kan het 100% zijn maar ook 0%
○ Omgevingsinvloed is gelijk voor beiden maar genetische
invloed niet
-> bestuderen hoe erfelijk een aandoening is, wat is de kans?
Concordantie = samen voorkomen van dezelfde problematiek
● Als 1 van de twee autisme heeft, wat is de kans dat de andere
tweeling het ook heeft? (= concordantie van autisme)
● Als het meer voorkomt of vaker concordant is bij de monozygote
tweelingen dan bij de dizygote tweelingen => aanwijzing dat het
een erfelijk kenmerk is
1.2 Genetica en omgeving
1.2.1 Inleiding
● Individu ≠ onbeschreven blad
○ Niet alles is mogelijk
○ Iedereen heeft zijn eigen sterktes en
zwaktes -> ligt op voorhand vast
● Genetische opmaak bepaalt startpositie en
ontwikkelingsmogelijkheden
Je komt op de wereld en ouders hopen dat ze veel invloed
kunnen hebben op het kind -> worden zoals zij willen. Er is
wel een invloed maar er zijn ook veel andere factoren die je niet kan beïnvloeden met de opvoeding
The Jim twins: Identieke tweelingen, gescheiden toen ze 4 jaar waren en herenigd toen ze 39 waren
-> zowel gemeenschappelijke als verschillende kenmerken
7
,Conclusie: Als we zeggen het is genetisch bepaald, bedoelen we hier niet letterlijk dat er een gen
bestaat waardoor je bepaalde keuzes maakt maar wel dat je persoonlijkheidskenmerken hebt die
leiden tot bepaalde keuzes.
1.2.2 Genetica (nature)
= mate waarin variantie voor bepaald kenmerk in de bevolking bepaald is door genetische verschillen
● Klassieke genetica:
○ Chromosomaal = afwijking in aantal chromosomen of in structuur van chromosomen
■ Vb. Trisomie 21
■ Vb. in Autisme: 5%
○ Monogenetisch = meeste erfelijke aandoeningen ontstaan door een foutje in 1 gen
■ Vb. Ziekte van Huntington:
● Bewegingsafwijkingen: verliezen de controle over hun motoriek
● Dementie: verstandelijke beperking
○ Polygenetische afwijkingen - veel verschillende onderliggende genen voor complexe
vaardigheden spelen samen een rol
■ Additief (optelsom):
● Wanneer ≥ 2 genen 1 enkele bijdrage leveren aan uiteindelijke
fenotype
● Wanneer allelen van 1 enkel gen (in heterozygoten) zo combineren
dat hun gecombineerde effecten = aan som van individuele effecten
■ Multiplicatief (vermenigvuldiging), epistatisch
● Gen A en B leiden tot een bepaalde vorm
● Stel C komt hier nog eens bij -> niet additief maar vermenigvuldigt
de vorm nog eens
● Epistase = verschijnsel in genetica waarbij effect van een genmutatie
afh is van aan- of afwezigheid van mutaties in ≥ 1 andere genen
● Nieuwe genetica
○ Gedragsgenetica -> tweelingstudies: als de concordantie van een fenotype groter is
bij monozygote tweelingen dan bij dizygote, dan moet dit genetisch zijn
■ Groeiden samen in dezelfde omgeving op
○ Concordantie: aanwezigheid van dezelfde trek in beide leden van een tweelingpaar
■ Gebruikt om het risico op het ontwikkelen van een stoornis te schatten
Formule Erfelijkheid
● 2 x (rMZ-rDZ)
● 2x het verschil tussen de concordantie van de mono- en dizygote
!! schatting van de erfelijkheidsgraad van de aandoening
1.2.2.1 Concordantie bij tweelingen
● Dyslexie: concordantie bij MZ is groot maar ook hoge concordantie bij DZ-tweelingen
○ Voor een deel erfelijk
○ Er is een verschil maar er is ook een deel omgevingsinvloed
● Autisme: bij MZ heel vaak concordantie (als de ene het heeft, heeft de andere het ook) en bij
DZ-tweelingen veel minder
8
,1.2.2.2 Voorbeeld uit de standaard over democratisering van het onderwijs
● Boodschap: we glijden af naar een erfelijke meritocratie en we moeten hier voor oppassen,
we willen iedereen gelijke kansen geven in het onderwijs
○ Erfelijke meritocratie = bepaalde groep zal erin slagen om diploma hoger onderwijs
te halen, namelijk degene wiens ouders ook een opleiding hebben gekregen
○ Natuurlijk hebben kinderen van hoger opgeleide ouders meer kans, dat is evident
■ Je mag dit precies niet uitspreken maar er is wetenschappelijke evidentie
■ Hij probeert iets te ontkrachten waarvoor er evidentie is
● Welke factoren zijn belangrijk om verder te studeren en om goede resultaten te halen?
○ Zie tabel
○ Aantal van die factoren zijn erfelijk bepaald: vb. IQ, persoonlijkheidskenmerken
● Vertaalt zich ook meteen in behandelingsmogelijkheden
○ Iets dat meer omgeving bepaald -> meer beïnvloeden en veranderen
9
, ○ Aan genetica kan je niks doen
○ Vb. ADHD kunnen we niet veranderen maar we kunnen de omgeving wel aanpassen
zodat het kind er minder last van heeft
1.2.3 Nurture
= omgeving
● Bio-fysisch:
○ Pre-/perinataal:
■ Baarmoederlijk milieu:
● Roken en drinken tijdens de zwangerschap
● Stress zorgt voor hoger cortisolniveau en baby -> ook wat invloed op
hersenontwikkeling
■ Geboortecomplicaties: vb. zuurstoftekort
○ Toxiciteit:
■ Voeding: belangrijk voor hersenontwikkeling
■ Pollutie: vb. in hoog- geïndustrialiseerde gebieden is het gemiddeld IQ van
de bewoners lager dan in minder vervuilde gebieden
■ Infectie: vb. infectie die mama oploopt tijdens de zwangerschap
○ Hersentrauma: elk incident waarbij er hersenschade wordt opgelopen heeft invloed
op cognitie, gedrag, persoonlijkheid
● Gezin:
○ Koestering, sensitief ouderschap -> angsten en stress dempen
○ Waarden, regels, toezicht:
■ Waarden: soms expliciet en soms impliciet meegeven
● Maakt dat je bepaalde dingen wel/niet mocht en dat bepaalde
dingen gestimuleerd worden (spiegelend)
● Soms hebben waarden in het gezin het omgekeerde effect, ‘ik wil
niet zijn zoals mijn ouders’
■ Regels & toezicht: zouden er moeten zijn vanuit een beschermend standpunt
○ Stimulatie, motivatie, hulp
■ Waar stuurt het gezin je naartoe
■ vb: 2 kids in 2 gezinnen die muzikaal even getalenteerd zijn. De ene ouders
brengen ze elke week 2x naar de muziekschool, … en de andere niet
● Onderwijs: schoolethos (oa. motivatie van leerkrachten)
● Vrienden, buurt, hobby’s
● Cultuur, welvaart, zorg vb. Helm dragen tijdens het skieen
Merk op: omgeving is veel meer dan alleen maar ‘gezin’ en ‘opvoeding’
10