trimester 1
Levensloop psychologie hoofdstuk 1:
terreinverkenning
1) Korte historiek
Psychologie is ontstaan met de filosofie, er waren nog geen
systematische observaties, nog geen echte wetenschap, puur
filosofisch
Daarna startten ze met babybiografieën, dit zijn systematische
observaties van je eigen kinderen. Ideeën werden gevormd door
naar je eigen kinderen te kijken, ze maakte een biografie van hun
eigen baby’s
Op basis van die observaties gingen ze theorieën vormen en zo
kwam er objectieve wetenschap, de theorieën die ze hadden gingen
ze nu verder testen met vragenlijsten en enquêtes
Tot slot kregen ze nieuwe inzichten, gingen ervaring opdoen en
gingen naar verschillende leeftijden kijken, dit is het ontstaan van de
ontwikkelingspsychologie. Ontwikkelen is het tevoorschijn halen van
wat er al was en komt langzaam tot uiting, maar er wordt weinig
aandacht besteedt aan het leren en de omgeving. Hier geloofde ze
nog dat de ontwikkeling stopte op het moment dat je volwassen
bent, maar er zijn constante veranderingen doorheen de levensloop,
vandaar heeft het nu de naam levenslooppsychologie
2) Start indeling fases
De leeftijden variëren, iedereen heeft andere richtlijnen en het heeft
dus geen exacte datum, maar dit zijn richtlijnen:
- Prenatale fase: geslachtsgemeenschap – geboorte
- Babytijd (0-12m): van geboorte – je zelfstandig kan stappen
- Peutertijd (12m-3j): zelfstandig stappen – je nr de kleuterschool
gaat
- Kleutertijd (3-6j): vd kleuterschool – je nr het eerste leerjaar gaat
- Schooltijd (6-12j): 1ste leerjaar – je nr het eerste middelbaar gaat
- Adolescentie (12-18j): 1ste middelbaar – na het middelbaar
- Volwassenheid (20-65j): na middelbaar – pensioen
- Ouderdom (65+): pensioen – dood
, Elke module gaat over verschillende levensfases gaan en binnen die
fasen gaan we dieper ingaan op lichamelijke motorische
ontwikkeling, cognitieve ontwikkeling en de sociaal affectieve
ontwikkeling.
3) Factoren die de ontwikkeling sturen
Bv. Gezin, cultuur (maatschappij waarin je opgroeit), ervaringen,
vrienden, school, genen en omgeving
3.1) impact van de omgeving
Alhoewel het lijkt dat iedereen die dicht bij elkaar zit hetzelfde
opgroeit, is dit toch heel verschillend, dit komt door verschillende
niveaus en factoren binnen onze leefwereld:
- Microsysteem: gezin, vrienden, school -> directe omgeving
- Mesosysteem: interacties tss microsystemen (bv. Samenwerking
tt ouders en school)
- Exosysteem: indirecte invloeden (werk van ouders, sociale media)
- Macrosysteem: cultuur, waarden
- Chronosysteem: tijdsdimensie ( historische veranderingen,
levensloop)
Het is een web van omgevingsfactoren die elkaar beïnvloeden
2 factoren die dit ook bepalen:
- Nature: je genen, alles wat je van je ouders hebt meegekregen
- Nurture: alles wat aangeleerd is, de invloed van buitenaf
3.2) interactie tussen erfelijkheid en milieu
Erfelijkheid = endogene biologische aanleg = nature
Milieu = exogene invloeden = nurture
Ze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en er is steeds een
wisselwerking tussen de twee, ze beïnvloeden elkaar voortdurend
Bv. Kind wordt muzikaal geboren en heeft hiervoor erfelijke aanleg
(nature) en groeit op in een gezin waar muziek belangrijk is (nurture/
omgeving) dan ontwikkelt het talent sterk.
Groeit het kind op in een gezin zonder muzikale aanleg, dan zal dit
talent verloren gaan.
Niet enkel nature en nurture zijn belangrijk, ook de persoon zelf
speelt een actieve rol, zij kunnen bewust keuzes maken, doelen
stellen en hun leven richting geven. Bv. Kind heeft sportieve aanleg
(nature), zijn omgeving stimuleert dat (nurture), maar hij beslist of
hij effectief wil gaan trainen (zelfsturing)
,4) Enkele fundamentele theorieën
4.1) psychosociale identiteitstheorie van Erik Erikson
Erikson: leven bestaat uit 8 levensfases waar je telkens in een crisis
(kruispunt) terecht komt en ga je op basis van je eigen omgeving en
sterktes naar links of rechts afdwalen, elke fase heeft dan ook een
gevoelige periode. Je volledige identiteit is pas gevormd bij je late
volwassenheid
Zijn theorie:
Een persoon heeft al een bepaalde biologische ontwikkeling bereikt,
hierdoor worden er nieuwe sociale verwachtingen gesteld waar de
persoon aan moet voldoen. ( hoe ouder je wordt, hoe meer nieuwe
dingen je moet kunnen, je oude identiteit moet vervangen worden
door een nieuwe identiteit) Die biologische ontwikkeling is niet
genoeg meer om verder en ouder te kunnen worden dus je moet iets
nieuws leren, hier kom je in conflict. Met dit kernconflict kan je twee
kanten uit, de positieve pool of de negatieve pool.
Negatieve pool: je bent te angstig om te vernieuwen en wil in oude
identiteit blijven
Positieve pool: individu wil stappen vooruitzetten en zich aanpassen
Er is altijd conflict tussen iets veiligs en iets nieuws
De beslissing die je neemt zal afhangen van je egosterkte en je
sociale steun
Egosterkte: hoe ben jij in staat om hier mee om te gaan
Sociale steun: steun die je krijgt vanuit je omgeving
Neig je nr de negatieve pool dan gaat je egosterkte verzwakken
waardoor je in volgende crisissen en levensfases minder goeie
keuzes gaat maken en in die negatieve pool gaat blijven hangen.
Neig je nr de positieve pool gaat je egosterkte versterken en ga je in
de toekomst betere beslissingen maken bij je nieuwe conflicten en
ga je dit ook beter aankunnen.
, De kernconflicten per fase:
- De babytijd: wantrouwen vs vertrouwen
Kern: is mijn wereld veilig?
Baby heeft nood aan voeding en comfort, wordt het kind
mishandeld gaat deze instant nr de negatieve pool, is het kind
veilig gehecht nr de positieve pool
- De peuterjaren: autonoom vs schaamte en twijfel
Kern: kan ik dingen zelf doen of heb ik altijd anderen nodig?
Peuter moet dingen zelf leren in deze fase zoals
zindelijkheidstraining, leren aankleden, als je het kind hele tijd
gaat helpen gaat het twijfelen en nr de negatieve pool, alsje ze
zelf laat exploreren positieve pool
- De kleuterjaren: initiatief vs schuldgevoelens
Kern: ben ik goed of ben ik slecht?
Kind heeft veel nood aan exploratie en spel, gaat de mama te
veel ‘waken’ gaat het kind niet durven exploreren en komt in de
negatieve pool terecht, als het kind initiatief kan nemen om zelf
te exploreren komt ie in een positieve pool terecht
- De schoolperiode: competentie vs minderwaardigheid
Kern: hoe kan ik goed zijn?
Het kind leert veel bij, ik kan iets maken, volhouden, leren.
Succeservaringen versterken dit gevoel en geeft vertrouwen ->
positieve pool. Als het kind meer mislukkingen ervaart of zich
minder voelt dan klasgenootjes -> negatief
- Adolescentie: identiteit vs rolverwarring
Kern: wie ben ik en waar ga ik heen?
Jongeren ontwikkelen eigen persoonlijke identiteit en hun sociale
rol, ze voelen zich echt iemand (positief), jongeren die geen
duidelijkheid vinden over wie ze zijn (negatief)
- Jongvolwassenheid: intieme relaties vs eenzaamheid
Kern: ben ik geliefd en gewenst?
Je hebt het vermogen om diepe wederkerige relaties aan te gaan,
jezelf open te stellen (positief). Je hebt angst om jezelf te
verliezen, vermijden van nabijheid (negatief)
- middenvolwassenheid: generativiteit en stagnatie
Kern: voorzie ik iets van echte waarde?