H5: Samenhang
5.1: Inleiding
Cognitieve functies werken niet in aparte hokjes
Tot nu toe heb je functies zoals waarneming, aandacht en geheugen afzonderlijk
bestudeerd. Dat is handig om ze beter te begrijpen, maar in het echte leven
werken ze nooit los van elkaar.
Denk bijvoorbeeld aan:
Je ziet iemand (waarneming)
Je herkent die persoon (geheugen)
Je focust op het gesprek en niet op het lawaai errond (aandacht)
Deze drie functies werken tegelijk samen.
In dit hoofdstuk (Samenhang) wil men net aantonen:
Dat cognitieve functies altijd samenwerken
Dat je ze beter begrijpt als je ze in samenhang bekijkt
Dat basisonderzoek naar kleine processen tóch nuttig is voor grote, echte
problemen
Kritisch én hoopvol kijken naar onderzoek
Het hoofdstuk doet 2 dingen tegelijk:
1: Kritisch kijken
In onderzoek worden functies vaak apart onderzocht.
Dat is kunstmatig, want de echte wereld is complex
Dat is een beperking van de psychologie
2: Toch een positieve blik
Basisonderzoek naar kleine processen is wél waardevol.
Als we kennis combineren, krijgen we een beter totaalbeeld
Functieleer kan helpen om echte problemen te begrijpen:
o bv. hoe mensen met autisme de wereld ervaren
o bv. hoe mensen kunst bekijken en waarderen
Belangrijke denkhouding:
We moeten de kennis uit verschillende cognitieve domeinen integreren, niet los
zien, en hoopvol blijven dat dat zinvol is.
1
, 5.2: Mentale verbeelding
Mentale verbeelding, wat is dat?
Mentale verbeelding = denken in beelden in je hoofd
Belangrijk:
Het is geen fantasie
Het gaat over beelden oproepen en gebruiken om een taak op te lossen
Voorbeelden:
Je denkt aan je laatste vakantie → je ziet het strand in je hoofd
Je stelt je kamer voor → waar staat je bureau? waar is de deur?
Je telt ramen op de gevel van je ouderlijk huis → je “bekijkt” het huis in
gedachten
Je hebt het gevoel dat je met je “mind’s eye” kijkt, alsof het echt is.
5.2.1: Het “mental imagery debate”
In de psychologie was hier een groot debat over: hoe worden beelden in ons
hoofd voorgesteld?
Er zijn twee grote standpunten
Standpunt 1: Alles zijn proposities (Pylyshyn; 1973, 1981)
Alle informatie in ons brein wordt opgeslagen als proposities (stellingen in
een soort mentale taal)
Voorbeeld: niet een echt beeld van een paard, maar zoiets als: “Paard
heeft 4 poten, oren bovenaan, staart achteraan…”
Ook al denken we in beelden, dat is volgens hem een illusie
In werkelijkheid werkt ons brein met abstracte uitspraken
Kort: er bestaan géén echte mentale beelden, alleen taalachtige representaties
Standpunt 2 – Er zijn ook mentale beelden (Kosslyn)
Sommige informatie wordt opgeslagen als een mentaal beeld
Die beelden zijn visueel, ruimtelijk en analoog aan de werkelijkheid
Bijvoorbeeld:
In een mentaal beeld van een paard zitten de oren dichter bij de snuit dan
bij de staart
Het duurt langer om in een mentaal beeld van punt A naar punt B te
“reizen” als de afstand groter is.
Kort: ons brein gebruikt zowel proposities als échte mentale beelden
2
, Wie heeft gelijk?
Het debat was vooral groot in de jaren 70 – 90:
Kosslyn (1994): “Het debat is opgelost → beelden bestaan”
Pylyshyn (2003): “Het debat is NIET opgelost”
Vandaag:
Het debat is wat bekoeld, maar niet echt beslist
Veel onderzoekers denken nu: het brein gebruikt waarschijnlijk beide
systemen
Waarom is dit belangrijk?
Dit debat toont precies het doel van dit hoofdstuk:
Mentale verbeelding zit tussen: waarneming, geheugen en denken
Het is een mooi voorbeeld van samenhang tussen functies
En toont hoe moeilijk het is om mentale processen exact te begrijpen
Toch helpt dit onderzoek ons om beter te begrijpen:
Hoe we informatie voorstellen
Hoe we leren
Hoe we problemen oplossen
5.2.2: experimentele evidentie
3
, Wat bedoelen we met “experimentele evidentie voor analoge
representaties”?
In het mental imagery-debat waren er twee kampen:
Propositie-kamp (Pylyshyn): alles wordt opgeslagen als taalachtige
uitspraken (bv. “een kat heeft oren”)
Imagery-kamp (Kosslyn): sommige informatie wordt opgeslagen als
beelden, die lijken op échte waarneming
Analoge representaties betekenen:
Dat een mentaal beeld lijkt op een echte afbeelding
Dat afstanden, grootte en richting behouden blijven in je hoofd
Dat je met dat beeld ook “operaties” kunt doen (bv. draaien, scannen)
De vraag is dus:
Werken mensen in hun hoofd met beelden die lijken op echte voorwerpen?
Daarvoor deden onderzoekers veel experimenten.
1: Mentale rotatie (Shepard & Metzler, 1971)
Wat kregen proefpersonen te zien?
Ze zagen twee figuren gemaakt van blokjes, een soort 3D-constructies.
Ze moesten zo snel mogelijk antwoorden op: “Zijn deze figuren hetzelfde
of verschillend?”
Gelijk = ze stellen hetzelfde object voor, alleen vanuit een andere hoek
Verschillend = ze zijn in 3D gespiegeld → kunnen nooit dezelfde zijn
Belangrijk:
Ze waren vaak bijna hetzelfde, soms was slechts één
armpje anders georiënteerd!
Wat deden mensen in hun hoofd?
Om te weten of ze gelijk waren, draaiden
mensen de figuren mentaal rond in hun hoofd.
Net zoals je een echt object zou draaien in je
handen.
Dat noemen we: mentale rotatie
Dus: ze maken in hun hoofd een mentaal beeld van
het object en draaien dat.
De belangrijkste ontdekking
4
5.1: Inleiding
Cognitieve functies werken niet in aparte hokjes
Tot nu toe heb je functies zoals waarneming, aandacht en geheugen afzonderlijk
bestudeerd. Dat is handig om ze beter te begrijpen, maar in het echte leven
werken ze nooit los van elkaar.
Denk bijvoorbeeld aan:
Je ziet iemand (waarneming)
Je herkent die persoon (geheugen)
Je focust op het gesprek en niet op het lawaai errond (aandacht)
Deze drie functies werken tegelijk samen.
In dit hoofdstuk (Samenhang) wil men net aantonen:
Dat cognitieve functies altijd samenwerken
Dat je ze beter begrijpt als je ze in samenhang bekijkt
Dat basisonderzoek naar kleine processen tóch nuttig is voor grote, echte
problemen
Kritisch én hoopvol kijken naar onderzoek
Het hoofdstuk doet 2 dingen tegelijk:
1: Kritisch kijken
In onderzoek worden functies vaak apart onderzocht.
Dat is kunstmatig, want de echte wereld is complex
Dat is een beperking van de psychologie
2: Toch een positieve blik
Basisonderzoek naar kleine processen is wél waardevol.
Als we kennis combineren, krijgen we een beter totaalbeeld
Functieleer kan helpen om echte problemen te begrijpen:
o bv. hoe mensen met autisme de wereld ervaren
o bv. hoe mensen kunst bekijken en waarderen
Belangrijke denkhouding:
We moeten de kennis uit verschillende cognitieve domeinen integreren, niet los
zien, en hoopvol blijven dat dat zinvol is.
1
, 5.2: Mentale verbeelding
Mentale verbeelding, wat is dat?
Mentale verbeelding = denken in beelden in je hoofd
Belangrijk:
Het is geen fantasie
Het gaat over beelden oproepen en gebruiken om een taak op te lossen
Voorbeelden:
Je denkt aan je laatste vakantie → je ziet het strand in je hoofd
Je stelt je kamer voor → waar staat je bureau? waar is de deur?
Je telt ramen op de gevel van je ouderlijk huis → je “bekijkt” het huis in
gedachten
Je hebt het gevoel dat je met je “mind’s eye” kijkt, alsof het echt is.
5.2.1: Het “mental imagery debate”
In de psychologie was hier een groot debat over: hoe worden beelden in ons
hoofd voorgesteld?
Er zijn twee grote standpunten
Standpunt 1: Alles zijn proposities (Pylyshyn; 1973, 1981)
Alle informatie in ons brein wordt opgeslagen als proposities (stellingen in
een soort mentale taal)
Voorbeeld: niet een echt beeld van een paard, maar zoiets als: “Paard
heeft 4 poten, oren bovenaan, staart achteraan…”
Ook al denken we in beelden, dat is volgens hem een illusie
In werkelijkheid werkt ons brein met abstracte uitspraken
Kort: er bestaan géén echte mentale beelden, alleen taalachtige representaties
Standpunt 2 – Er zijn ook mentale beelden (Kosslyn)
Sommige informatie wordt opgeslagen als een mentaal beeld
Die beelden zijn visueel, ruimtelijk en analoog aan de werkelijkheid
Bijvoorbeeld:
In een mentaal beeld van een paard zitten de oren dichter bij de snuit dan
bij de staart
Het duurt langer om in een mentaal beeld van punt A naar punt B te
“reizen” als de afstand groter is.
Kort: ons brein gebruikt zowel proposities als échte mentale beelden
2
, Wie heeft gelijk?
Het debat was vooral groot in de jaren 70 – 90:
Kosslyn (1994): “Het debat is opgelost → beelden bestaan”
Pylyshyn (2003): “Het debat is NIET opgelost”
Vandaag:
Het debat is wat bekoeld, maar niet echt beslist
Veel onderzoekers denken nu: het brein gebruikt waarschijnlijk beide
systemen
Waarom is dit belangrijk?
Dit debat toont precies het doel van dit hoofdstuk:
Mentale verbeelding zit tussen: waarneming, geheugen en denken
Het is een mooi voorbeeld van samenhang tussen functies
En toont hoe moeilijk het is om mentale processen exact te begrijpen
Toch helpt dit onderzoek ons om beter te begrijpen:
Hoe we informatie voorstellen
Hoe we leren
Hoe we problemen oplossen
5.2.2: experimentele evidentie
3
, Wat bedoelen we met “experimentele evidentie voor analoge
representaties”?
In het mental imagery-debat waren er twee kampen:
Propositie-kamp (Pylyshyn): alles wordt opgeslagen als taalachtige
uitspraken (bv. “een kat heeft oren”)
Imagery-kamp (Kosslyn): sommige informatie wordt opgeslagen als
beelden, die lijken op échte waarneming
Analoge representaties betekenen:
Dat een mentaal beeld lijkt op een echte afbeelding
Dat afstanden, grootte en richting behouden blijven in je hoofd
Dat je met dat beeld ook “operaties” kunt doen (bv. draaien, scannen)
De vraag is dus:
Werken mensen in hun hoofd met beelden die lijken op echte voorwerpen?
Daarvoor deden onderzoekers veel experimenten.
1: Mentale rotatie (Shepard & Metzler, 1971)
Wat kregen proefpersonen te zien?
Ze zagen twee figuren gemaakt van blokjes, een soort 3D-constructies.
Ze moesten zo snel mogelijk antwoorden op: “Zijn deze figuren hetzelfde
of verschillend?”
Gelijk = ze stellen hetzelfde object voor, alleen vanuit een andere hoek
Verschillend = ze zijn in 3D gespiegeld → kunnen nooit dezelfde zijn
Belangrijk:
Ze waren vaak bijna hetzelfde, soms was slechts één
armpje anders georiënteerd!
Wat deden mensen in hun hoofd?
Om te weten of ze gelijk waren, draaiden
mensen de figuren mentaal rond in hun hoofd.
Net zoals je een echt object zou draaien in je
handen.
Dat noemen we: mentale rotatie
Dus: ze maken in hun hoofd een mentaal beeld van
het object en draaien dat.
De belangrijkste ontdekking
4