Inhoudsopgave
Leereenheid 1 Goederenrecht en goederen.........................................................................................................2
Leereenheid 2 Bezit, registers en eigendom.......................................................................................................14
Leereenheid 3 Verkrijging van goederen............................................................................................................22
Leereenheid 4 Overdracht..................................................................................................................................34
Leereenheid 5 Bijzonderheden bij overdracht....................................................................................................51
Leereenheid 6 Beperkte rechten.........................................................................................................................64
Leereenheid 7 Zekerheid voor krediet, hypotheek.............................................................................................74
Leereenheid 8 Pandrecht....................................................................................................................................86
Leereenheid 9 Eigendomsvoorbehoud...............................................................................................................95
Leereenheid 10 Verhaal op goederen.................................................................................................................99
📝 Flashcards voor dit vak
Krijg toegang tot mijn gemaakte Quizlet-flashcards via de onderstaande link:
https://quizlet.com/nl/1180721422/goederenrecht-flash-cards/?i=1o4jcd&x=1jqt
1
,Leereenheden Goederenrecht Lynn van de Kant
LEEREENHEID 1 GOEDERENRECHT EN GOEDEREN
De eerste leereenheid van de cursus Goederenrecht sluit aan bij de voorkennis die u heeft opgedaan
in eerdere cursussen en die nodig zijn voor een goed begrip van het vervolg van de cursus. Het
begrippenapparaat, enkele beginselen en uitgangspunten van het goederenrecht, de leerstukken
bestanddeelvorming en natrekking komen aan de orde. Daarnaast worden allerlei verbanden tussen
leerstukken aangeduid, waaronder dat alle goederen vatbaar zijn voor verhaal.
Neem de tijd voor deze inleidende leereenheid, want de hier behandelde begrippen heeft u nodig
voor een goed begrip van het vervolg van de cursus.
LEERDOELEN LEEREENHEID 1
Na het afronden van leereenheid 1 bent u in staat om:
de kernbegrippen van het goederenrecht, zoals goed (registergoed en niet-registergoed),
zaak (roerend en onroerend), vermogensrecht, absoluut recht en relatief recht, in de wet te
vinden, uit te leggen en in een casus te herkennen;
uit te leggen wanneer sprake is van bestanddeelvorming en daardoor van natrekking en vast
te stellen wie eigenaar van de zaak is;
op grond van art. 3:3 BW te beoordelen of een zaak roerend of onroerend is en of deze
nagetrokken wordt en vast te stellen wie de eigenaar van de zaak is.
LITERATUUR
Hoofdstuk 2 en hoofdstuk 3
HOOFDSTUK 2 EEN EERSTE OVERZICHT
2.1 Vermogensrecht in het algemeen
2.1.1 Het vermogensrecht en het vermogen
Het vermogensrecht regelt alle rechtsverhoudingen die verband houden met het vermogen van
personen. De kern van dit rechtsgebied ligt in het BW van 1992, maar aanvullende regels zijn ook
buiten het BW te vinden.
Een vermogen bestaat uit twee bestanddelen: goederen en schulden.
Goederen zijn onder meer banktegoeden, vorderingen, aandelen of eigendom van zaken
Schulden zijn de verplichtingen jegens derden
Samen vormen zij het verhaalsvermogen van een persoon, art. 3:276 BW.
Het goederenrecht, boeken 3 en 5 BW, houdt zich bezig met:
de classificatie van goederen (art. 3:1 BW)
de verhouding tussen personen en goederen
de verkrijging/verlies van goederen
de vaststelling van iemands vermogen
het verhaal, de uitwinning en rangorde van schuldeisers
2
,Leereenheden Goederenrecht Lynn van de Kant
Boek 3 BW bevat het objectieve vermogensrecht: het geheel van rechtsregels dat op
vermogensverhoudingen van toepassing is, ongeacht wie de partij is (natuurlijke persoon of
rechtspersoon).
Een rechtspersoon (zoals een BV of stichting) wordt voor het goederenrecht gelijkgesteld met een
natuurlijk persoon, art. 2:5 BW, tenzij anders bepaald. In het verbintenissenrecht wordt soms wél
onderscheid gemaakt, met name bij consumentenbescherming.
2.1.2 Absolute en relatieve rechten
Binnen het vermogensrecht onderscheiden we subjectieve rechten in:
Relatieve rechten: tegenover een bepaalde persoon
à vorderingsrecht, zoals verbintenissenrecht
Absolute rechten: rechten op een goed, tegenover iedereen afdwingbaar
à eigendomsrecht, zoals goederenrecht
Een absoluut recht geeft een exclusieve aanspraak op een goed en verplicht ieder ander zich te
onthouden van inbreuk.
à het eigendomsrecht is het meest omvattende recht dat een persoon kan hebben op een zaak.
2.1.3 Het begrippenapparaat: goed genus
Het goederenrecht hanteert een systematisch begrippenapparaat van genus en species:
Goederen omvatten art. 3:1 BW:
Zaken, art. 3:2 BW:
o stoffelijke objecten
à auto en huis
Vermogensrechten, art. 3:6 BW:
1. overdraagbaar zijn
2. ertoe strekken stoffelijk voordeel te verschaffen
3. zijn verkregen in ruil voor voordeel (of verwachting daarvan)
à vorderingen, intellectuele eigendom, aandelen, beperkte rechten op een goed
2.2 Een aantal beginselen en uitgangspunten
Deze paragraaf introduceert de belangrijkste juridische fundamenten van het goederenrecht. De
besproken beginselen kennen in de praktijk talloze uitzonderingen en nuanceringen, maar vormen
het theoretische uitgangspunt van het Nederlandse vermogensrecht
2.2.1 Het meest omvattende recht
Eigendom (art. 5:1 BW) is het meest omvattende absolute recht dat een persoon op een zaak, art.
3:2 BW, kan hebben. Het recht omvat de bevoegdheid tot:
gebruik (usus, art. 5:1 lid 2 BW)
vruchtgebruik (fructus, art. 5:1 lid 3 BW)
vernietiging of vervreemding (abusus)
het dragen van het risico (casum sentit dominus)
exclusieve revindicatie (art. 5:2 BW)
3
, Leereenheden Goederenrecht Lynn van de Kant
Eigendom is:
onbeperkt in tijd
onbeperkt in doel of functie
vrij overdraagbaar, art. 3:83 BW
niet onderworpen aan enige goederenrechtelijke verplichting tot betaling aan een ander
Voor vermogensrechten (art. 3:6 BW) spreken we niet van ‘eigendom’ maar van gerechtigdheid of
rechthebbende zijn. Alleen bij zaken is juridisch sprake van eigendom. Buiten het BW, zoals in art. 1
Eerste Protocol EVRM, wordt ‘eigendom’ ruimer geïnterpreteerd (ook intellectuele rechten of
geldwaarden vallen eronder).
2.2.2 Numerus clausus – gesloten systeem
Het goederenrecht kent een gesloten systeem
à numerus clausus: de wet bepaalt wat als goederenrechtelijke figuur erkend wat en wat niet
Alleen wettelijk erkende rechten kunnen als beperkt recht worden gevestigd
à art. 3:81 lid 1 BW, vanuit het moederrecht kunnen beperkte rechten worden afgeleid
De inhoud en grenzen van deze rechten zijn wettelijk gefixeerd
à typenfixierung
De wet erkend als beperkt recht bepaalde genotsrechten en zekerheidsrechten:
Genotsrechten
Vruchtgebruik, 3:201 BW
Erfdienstbaarheid, art. 5:70 lid 1 BW
Erfpacht, art. 5:85 lid 1 BW
Opstalrecht, art. 5:101 lid 1 BW
Zekerheidsrechten
Pand en hypotheek, art. 3:227 lid 1 BW
LET OP: Voldoet een rechtsverhouding niet aan de totstandkomings- en inhoudsvereisten van een
beperkt recht, dan is er geen goederenrechtelijk recht, maar hooguit een verbintenisscheppende
overeenkomst.
Gesloten is het systeem ook waar het gaat om de wijzen van verkrijging van goederen. Een goed
kan alleen worden verkregen op de manieren die de wet noemt, art. 3:80 BW.
2.2.3 Dispositievrijheid
De rechthebbende van een goed heeft in beginsel de vrijheid (dispositievrijheid) om daarover te
beschikken, door overdracht of bezwaring. Deze vrijheid berust op:
de rechtspositie als rechthebbende van een goed, art. 5:1 BW
de handelingsbekwaamheid, art. 3:32 lid 1 BW
4