Academiejaar 2025-2026 KU Leuven
VROEGMODERNE WIJSBEGEERTE
,INHOUDSTAFEL
1 Descartes’ dualisme ...................................................................................................................... 4
1.1 Descartes en fenomenologie 4
1.1.1 Inleiding 4
1.1.2 Oneindigheid in fenomenologie en bij Descartes 5
1.2 Descartes’ oneindigheid 6
1.2.1 Eerste connotatie: l’infini de distance 6
1.2.2 Tweede connotatie: l’infini de la substance 7
1.2.3 Conclusie: centrale claims in de metafysica van de 17e eeuw 7
1.3 Ideeën 8
1.3.1 Twee realiteiten van de idee 8
1.3.2 Natuurlijk oordeel 9
1.4 Dualisme 10
1.4.1 Problematiek 10
1.4.2 Hoe het dualisme wordt voorgesteld door analytische filosofie 10
1.4.3 Hoe het dualisme juister is uitgelegd 10
1.4.4 Ressemblance vs. dissemblance 12
1.4.5 Dualisme van substanties 13
1.4.6 Rol van de confuse ideeën 14
2 Descartes en Pascal over proporties ......................................................................................... 16
2.1 Inleiding 16
2.1.1 Descartes: proportie 16
2.1.2 Pascal: disproportie 16
2.2 Descartes 16
2.2.1 Regulae ad directionem ingenii 16
2.2.2 Eenheid van de wetenschap 17
2.2.3 Valse wetenschap (fausse science) 17
2.2.4 Echte wetenschap 18
2.2.5 Ervaring en deductie 19
2.2.6 Notions simples 20
2.3 Pascal 21
2.3.1 Positie van de mens 21
2.3.2 Relatie tout ↔ point 22
2.3.3 Drie redenen waarom we de natuur niet kunnen kennen 24
2.3.4 Deux esprits 25
2.3.5 Dubbele vernedering v/d rede 28
2.3.6 Bewustzijn bij Bergson 29
3 Descartes’ machines ................................................................................................................... 31
3.1 Modellen 31
3.1.1 Wat Descartes ontwikkelt, zijn modellen 31
3.1.2 Twee functies van wetenschappelijke modellen 31
3.2 Model van de perceptie (Regel 12) 32
3.2.1 Uitgangspunten 32
3.2.2 Twee cesuren 33
3.2.3 Werking van de perceptie 34
3.2.4 Institution de la nature 35
3.3 Model van het lichaam (Traité de l’homme) 36
3.3.1 Project van Traité de l’homme 36
3.3.2 Cartesiaanse cybernetica 37
© Jeroen Goots Vroegmoderne wijsbegeerte 2
,4 Relatie tussen tijd en vrijheid bij Descartes .............................................................................. 38
4.1 Inleiding 38
4.1.1 Twee standpunten 38
4.1.2 Intellect en wil 38
4.2 L’instant 39
4.2.1 Verschillende niveaus v/d tijd 39
4.2.2 Creatio continua 42
4.2.3 Sartre: L’imaginaire 43
4.2.4 Occasionalisme (Malebranche) 44
4.3 Vrijheid van de wil 45
4.3.1 Relatie tussen vrije wil en creatio continua 45
4.3.2 De vergissing 45
4.3.3 De vrije wil 47
4.3.4 Descartes’ passies 48
5 Spinoza: van oordeel naar vrijheid .......................................................................................... 49
5.1 Spinoza’s systeem 49
5.1.1 Ethica: delen 49
5.1.2 Verstand en wil vallen samen 49
5.1.3 Conatus en substantie 50
5.1.4 Adequate en inadequate ideeën 52
5.1.5 De wil en vrijheid 53
5.2 Affecten 54
5.2.1 3 vormen van kennis 54
5.2.2 Imaginaire kennis 54
5.2.3 Appetitus 55
5.2.4 Delirium 57
5.2.5 Lichaam 57
5.2.6 Conclusie 58
6 Vrijheid bij Malebranche .......................................................................................................... 59
6.1 Inleiding 59
6.2 Deux unions 59
6.2.1 Uitgangspunt 59
6.2.2 Vertrekpunt: lichaam 59
6.2.3 Deux unions 60
6.2.4 Eindpunt: het ik 61
6.3 Vrijheid en wil 62
6.3.1 Wil 62
6.3.2 Rol van God 62
6.3.3 Vrijheid 62
7 Pascal en de divertissement ........................................................................................................ 64
7.1 Divertissement 64
7.1.1 Inleiding 64
7.1.2 Divertissement 64
© Jeroen Goots Vroegmoderne wijsbegeerte 3
, 1 DESCARTES’ DUALISME
1.1 DESCARTES EN FENOMENOLOGIE
1.1.1 Inleiding
Descartes’ project (Vierde Meditatie)
- zoektocht naar garantie voor het feit dat alles wat ik helder en welonderscheiden kan
denken, waar is
- centralisering v/h denken rond ideeën
- aantonen dat afh v hoe ik de WKH denk, ik soms waardevolle ideeën claim, en soms
zinloze/waardeloze
vergissing
- vraag: ik kan me toch vergissen? hoe komt het dat een goede God de mog. laat in het
denken v/d mens dat hij zich kan vergissen?
- antwoord: de mens is een wezen tussen 2 extremen, nl. het zijn en het niet zijn
o het zijn (l’être)
§ ik bevind me in het zijn wanneer ik oordelen vel die berusten op ideeën
die inherent waar zijn
§ één idee is van die aard dat de realiteit v/d inhoud v/h idee zich dwingt
te bevestigen, nl. het idee van God (cf. infra)
o het niet-zijn (le non-être)
§ = vergissen
§ ideeën claimen die inhoudsloos zijn, waarvan de inhoud een uitdrukking
is van niets, van een leegte
§ materieel valse ideeën
§ ik claim in het lege
MAAR Descartes is geen anticipatie op Sartre
- suggestie: Descartes is een anticipatie van Sartres L’être et le néant
- probleem: Sartre is geen cartesiaan
o Descartes
§ cogito is een BWZ dat een standpunt claimt (“conscience qui se pose”)
§ ik poneer zelf het standpunt v/h cogito, van waaruit ik oordelen vel die
me toelaten om (idealiter) het zijn te claimen en het niet-zijn te vermijden
(dankzij het idee van God)
o Sartre
§ ik heb in me geen enkel spoor van zijn (v/h oneindige), ik ben niets
anders dan een articulatie van het niets
§ BWZ is “niets”
§ door de afwezigheid van zijn, is mijn existentie, kan mijn existentie
essentie beginnen claimen
© Jeroen Goots Vroegmoderne wijsbegeerte 4