INLEIDING
1. INTRODUCTIE
− Waarom zijn de orakels in de 2de E n.C. zo weinig spraakzaam? Pan is gestorven
o = god/satyr van de wilde natuur, herders en vruchtbaarheid
o Verhaal vond plaats t.t.v. keizer Tiberius (keizer van 42 v.C. tot 37 n.C.):
regeerperiode die overeenkomt met de dood van Christus
▪ Dood van Pan: = symbool voor het einde van de Oudheid + begin
van de christelijke wereld
• = dood van ‘alles’: ook van de andere heidense goden
• Rabelais: maakte de vergelijking van God als goede herder
=> = vervanger Pan
o ≠ letterlijke einde van de (heidense) Oudheid: RR bestond nog vele jaren
2. MOGELIJKE EINDPUNTEN EN STARTPUNTEN
− Eindpunt van de oudheid?
o Dood van Pan
o 476 n.C.: afzetting tienerkeizer Romulus Augustulus door de Germaan Odoaker (= ‘barbaar’)
▪ Probleem met deze keuze:
• Geldt alleen voor het WRR: ORR bleef nog tot 1453 voortbestaan
• Bestaande Romeinse staatsstructuren leefden voort
o 1453: val van Constantinopel/ORR
▪ Probleem met deze keuze:
• ORR werd gekenmerkt door een andere taal (Grieks), christelijke keizers, … => In
hoeverre is het dan nog Romeins?
− Startpunt van de oudheid?
o Ca. 1200 v.C.: (mogelijke) val van Troje
o Late 8ste-vroege 7de E v.C.: opschriftstelling van de Illias en de Odyssee (= oudste geschreven
bronnen)
o 776 v.C.: eerste geregistreerde spelen in Olympia
▪ = startpunt Olympiade-telling (slechts één van de tijdsrekeningen van de Grieken)
3. DEFINITIE
− Gangbare definitie KO: Griekse en Romeinse beschavingen van ca. 1000 v.C. tot de val van het WRR (476
n.C.) en, in het O, de overgang naar de Byzantijnse periode (ca. 6de eeuw n.C.)
1
, o ≠ faraonisch Egypte, het Oude Nabije Oosten, het oude China, India (hadden wel een grote impact
op Grieks-Romeinse culturen)
4. AFBAKENING
− Deze cursus: van ca. 1200 v.C. tot ca. 600 n.C.
− Kerngebied: Mediterrane wereld
o Alle gebieden die tot het RR behoorden in zijn grootste omvang (late 1ste-2de E v.C.)
o Opmerking: grote (directe + indirecte) interactie met het Oosten via bv. handelaars
L1: DE GESCHIEDENIS VAN DE ‘DARK AGE’ EN
ARCHAÏSCH GRIEKENLAND
1. DE BRONSTIJDCULTUREN
1.1 DE MINOÏSCHE BESCHAVING
− Minoïsche beschaving: Kreta, ca. 2000-1100 v.C.
o Vernoemd naar de mythische koning Minos
o ≠ Griekse cultuur
− Ca. 2000-1470 v.C.: opkomst van paleizen (o.a. in Knossos, Mallia,
Phaestos) => paleiseconomieën
o = grote gebouwen die belangrijke (economische) functies
vervulden gegroepeerd rond binnenplaatsen
▪ Opslag + herverdeling van het agrarische surplus
▪ Centra van administratie, ambacht, kunst en religie
▪ Gebruik van het schrift om aan administratieve noden te voldoen: lineair A op kleitabletten
• = syllabenschrift: 1 teken voor 1 lettergreep
o Nog niet ontcijferd: ≠ Griekse taal
o Hadden geen verdedigingsmuren: wijst erop dat ze mogelijks de
heerschappij over zeeën hadden
▪ = thalassocratie
− Vanaf 1470 v.C.: destructie paleizen, waarschijnlijk door Myceners
o Knossos = uitzondering: stad overgenomen door de Myceners?
2
,1.2 DE MYCEENSE BESCHAVING
− Myceense beschaving: Griekenland, ca. 1450-1050 v.C.
o = vroege Griekse cultuur, vernoemd naar de burcht van de polis Mycene
▪ Maakten gebruik van het lineair B op kleitabletten: =
vroege vorm van het Grieks
▪ Typerende kenmerken:
• Tholos/bijenkorfvormige grote graven voor
de elite
• Sterk Minoïsche culturele invloed:
o Door de Myceense overname van
Knossos?
• Paleiseconomieën
• Gebruik van strijdwagens:
o Ook aanwezig in de Homerische epen: valt samen met de periode van het
ontstaan van de orale traditie?
▪ Vormen echter een reflectie van een latere periode: Dark Age +
vroege Archaïsche periode)
− Vanaf ca. 1250 v.C.: algemene grote onrust (mogelijks door het
uiteenvallen van het Hettitische Rijk)
o Leidde tot o.a. volksverplaatsingen
o Paleizen verwoest, kleitabletten gebakken: steden = verlaten
door hun inwoners
o Myceners zelf verdreven en verschoven naar Knossos + Egypte?
▪ Expeditie naar Troje? = speculatie
2. DE DARK AGE
− ‘Dark Age’: Griekenland, ca. 1000-750 v.C.
o Oorzaken onduidelijk: combinatie factoren (bv. interne twisten, externe vijanden, …)
o Breuk met het Myceense verleden:
▪ Paleiseconomieën verdwijnen
▪ Kennis van het schrift (lineair B) gaat verloren
• Reden: administratieve nood valt weg
▪ Terugval in materiële cultuur + geschreven bronnen
▪ Daling bevolkingsaantal
▪ Schaarste + versnippering tot kleine gemeenschappen zonder een duidelijke elite:
• Geleid door een basileus/koning: stonden dicht bij het volk (~ Homerus: primus inter
pares)
o = persoon met het grootste aantal manschappen
• Leidde tot een sterke regionalisering van aardewerkstijlen
o Gevonden in graven als grafgiften, niet langer in paleizen
▪ Ontstaan IJzertijd
o Naamgeving: ~ terug naar de prehistorie => ≠ geschreven bronnen, magere archeologische resten,
culturele terugval
▪ (Term bedacht door moderne historici, latere schrijvers waren zich onbewust van deze
periode)
− de
Vanaf de 9 E v.C.: verbetering
3
, o Bevolkingsgroei
o Herstel handelscontacten met het O
o Meer georganiseerde gemeenschappen
o Terugkeer van complexer aardewerk
− Met de 8ste E v.C.: overgang naar de Archaïsche periode
o Overname van het alfabetisch schrift via de Feniciërs
o Opkomst van de poleis
3. DE ARCHAÏSCHE PERIODE (THE AGE OF EXPERIMENT)
− Archaïsche periode: Griekenland, 750-500 v.C.
o = ‘Age of Experiment’: cruciale vormende periode => experiment in cultuur, economie, politieke
structuren, …
▪ Ontstaan poleis
▪ Kolonisatie
▪ Sociaal-politieke omwentelingen: tirannen, wetgevers, revoluties, eerste opkomst
democratie …
▪ Begin Griekse literatuur: optekening van de Ilias + Odysee (Homeros), lyrische poëzie
(Hesiodos), …
3.1 ONTSTAAN EN ONTWIKKELING VAN DE POL EIS
− Definitie polis: gemeenschap van (volwassen, mannelijke) burgers
o (Politieke) uitsluiting vrouwelijke burgers
▪ Konden wel deelnemen aan religieuze ambten
o Burgers bestuurden zichzelf:
▪ Stad-staat = anachronistisch: ≠ staatsapparaat,
professionele politici, …
• Burgers vormden zelf de staat + waren amateurs
(= onbetaald)
▪ Besloten over interne + externe aangelegenheden wanneer de polis autonoom was
• Vaak deel van grotere gehelen (bv. machtigere polissen)
− Waren in de archaïsche periode sterk aristocratisch/oligarchisch: geleid door een elite
o Maar tendens naar een egalitaire gemeenschappen: leidde tot democratieën (o.a. in Athene)
− Voornaamste politieke organen:
o Raad: = hoogste macht
o Volksvergadering: verantwoordelijk voor het controleren + verkiezen van magistraten
o Magistraten
o Volksrechtbanken
− Bestond uit de stedelijke kern (astu) + het agrarisch hinterland (chora) =>
ook het platteland was belangrijk
o Hadden niet altijd een duidelijke stedelijke kern: bv. Sparta (=
verzameling dorpen)
o Een polis was in de eerste plaats een
burgerstaat/burgergemeenschap
− Meeste poleis waren vrij klein (1000 à 5000 inwoners)
o Uitzonderingen: Athene, Sparta en Syracuse (Sicilië)
− Toehoorders:
o Volwassen mannelijke burgers en hun vrouwen + kinderen
4