Oefening 1:
a) (‘landen zijn partij geworden’= ze hebben getekend)
Situering + recht: verdrag WVV maar Slovenië is geen partij hiervan maar het
WVV is internationaal gewoonterecht dus we kunnen het WVV als gewoonterecht
gebruiken
Een verdrag treedt in werking op de wijze en de dag zoals voorzien in de
bepalingen (art 24, §1 WVV): Hier zal het dus in werking treden volgens artikel 90
van het verdrag. Het treedt in werking de eerste dag van de maand na de
vervaldatum van 3 maanden van de deposit van het derde instrument na
ratificatie of aanvaarding. Afhankelijk van wanneer Slovenië het verdrag
geratificeerd heeft, zal het voor hen in werking treden.
Art 14, a) WVV: het verdrag voorziet erin dat het na de bekrachtiging in werking
treedt (art 90, lid 1 van gegeven verdrag)
Pacta sunt servanda: elk in werking getreden verdrag verbindt de partijen en
moet door hen te goeder trouw worden ten uitvoer worden gelegd (art 26 WVV).
Hypotheses:
1) Als er drie ratificaties zijn, treedt het verdrag in werking (volgens het verdrag)
en zou Slovenië het te goeder trouw moeten uitvoeren
2) Als er geen drie ratificaties zijn, treedt het verdrag niet in werking maar art 18,
b) WVV houdt in dat als je de instemming van gebondenheid hebt gemaakt (ze
zijn partij geworden) dan mogen ze niet ingaan tegen het doel en voorwerp van
het verdrag en dat doet de Sloveense wet dus wel
Conclusie: De Sloveense wet vormt een probleem doordat als het verdrag wel
in werking zou treden want ze moeten het uitvoeren te goeder trouw en als het
verdrag niet in werking treedt is het ook een probleem want ze mogen niet tegen
het doel en het voorwerp ingaan
b) (definitie van voorbehoud van art 2 d) WVV breed interpreteren want je kan
staat niet binden tegen zijn wil in)
We kunnen het WVV als verdrag gebruiken want België is partij van het WVV
Bij een multilateraal verdrag is het doorgaans mogelijk om een voorbehoud te
maken tenzij het verboden is door het verdrag of als het verdrag bepaald dat
slechts bepaalde voorbehouden gemaakt kunnen worden en dit voorbehoud er
niet onder valt of zover het voorbehoud niet verenigbaar is met voorwerp en doel
(art 19 WVV). In artikel 92 van dit verdrag staat dat er enkel voorbehouden
gemaakt kunnen worden bij artikel 39; 40, 42, 86 en 90. Het voorbehoud van
België bij artikel 34 is dus niet rechtsgeldig.
c) We kunnen het WVV als verdrag gebruiken voor België want zij zijn hier partij
van en voor Letland als gewoonterecht (want niet gegeven dat zij partij zijn)