BASISKENNIS
1. Zinsdelen
- Onderwerp
- Werkwoordelijk gezegde, naamwoordelijk gezegde
- Lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp
- Bijwoordelijke bepaling (bijvoeglijke bepaling hoef je NIET te kennen)
2. Spelling
- Klinkt als… (klinkers, medeklinkers, tweeklanken; verenkelen en verdubbelen)
- Hoofdletters (begin van zin, eigennaam-/soortnaam, persoonsnamen,
aardrijkskundige namen, talen, historische gebeurtenissen en feestdagen,
tijdperken, stromingen en kalenderaanduidingen, titels)
- Hulptekens (accent, trema, koppelteken, apostrof)
- Tussenletters
- Verkleinwoorden: algemene regel, speciale verkleinwoorden
- Werkwoorden: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende
wijs, enkele struikelblokken
- Interpunctie en leestekens (punt, vraagteken, uitroepteken, beletselteken,
komma, dubbelepunt, aanhalingstekens)
ZINSDELEN
STAPPENPLAN
1) Zoek de pv. (ja/nee-vraag)
2) Zoek het onderwerp (getalproef)
3) Baken de zinsdelen af (vooropplaatsingsproef)
4) Duid het gezegde aan: wat wordt er over het onderwerp gezegd?
o Werkwoordelijk gezegde: wat het onderwerp DOET of wat ermee GEBEURT
o Naamwoordelijk gezegde: HOE of wat het onderwerp IS of wordt
Bij een naamwoordelijk gezegde komt er ALTIJD een naamwoordelijk deel voor
in de zin.
5) Ga na of er voorwerpen in de zin voorkomen
o Lijdend voorwerp (Wie/wat-vraag)
o Meewerkend voorwerp (Aan wie /Voor wie?)
6) Blijft er iets over? Indien ja, kan je dat zinsdeel weglaten? Indien ja, dan is het
hoogstwaarschijnlijk een bijwoordelijke bepaling.
Ieder zinsdeel heeft een bepaalde functie in de zin:
- Onderwerp
- Werwoordelijk of naamwoordelijk gezegde
- Lijdend/ meewerkend voorwerp
- Bijwoordelijke bepaling
,HET ONDERWERP
- Zegt wie of wat iets doer of wat iets overkomt
- Stemt in getal en in persoon overeen met de persoonsvorm: congruentie
o Getalproef
o Ja-neevraag
o Wie of wat vraag
OEFENINGEN
Wat is de pv? ja nee vraag stellen
- Gisteren bestelde ze een lekkere pizza
o Bestelde
Wat is het onderwerp? getalsproef
- In Brussel staan honderden flatgebouwen kriskras door elkaar
o Honderden flatgebouwen
Zinsdelen afbakenen
- Elise speelt op grandioze wijze met haar elegante vinger viool
o Speelt: pv
o Elise: ond
o Op grandioze wijze
o Met haar elegante vinger
o Viool
HET GEZEGDE
= dat deel van de zin dat iets meer zegt over het onderwerp, wat er wordt gezegd over
het onderwerp
- Werkwoordelijk gezegde: een zinsdeel binnen het gezegde, dat bestaat ui een
werkwoord of een werkwoordgroep en dat uitdrukt wat het onderwerp doet of
wat ermee gebeurt.
- Naamwoordelijk gezegde: een zinsdeel binnen het gezegde dat zegt, hoe, wie of
wat het onderwerp is, wordt of blijft. Het bestaat uit een koppelwerkwoord en
een naamwoordelijkdeel
Heks Pongwiffy is geen gewone heks. Ze is nog maar 32 jaar, wat heel jong is voor een
heks. Ze probeert kinderen niet te pesten. Nee, ze helpt ze! Toch is Pongwiffy vaak
droevig. Ze heeft maar 1 vriend, een hamster. Ze woont naast een afvalberg, waardoor
ze nogal stinkt.
Wat wordt er gezegd over Pongwiffy:
- Pongwiffy is 32 jaar - Ze probeert kinderen niet te
- Ze is heel jong pesten
- Ze is vaak droevig - Woont naast een afvakberg
- Ze heeft een hamster
Hoe of wat het onderwerp is of wordt, een
eigenschap of een toestand van het Verteld wat het onderwerp doet, of er met
onderwerp het onderwerp gebeurt
2
,Pongwiffy is 32 jaar
- Naamwoordelijk gezegde: is 32 jaar
- Pv: is
- Naamwoordelijke deel: 32 jaar
Ze probeert kinderen niet te pesten
- Werwoordelijk gezegde (enkel de werwoorden): probeert te pesten
- Pv: probeert”
WERKWOORDELIJK GEZEGDE
PV Jan speelt in de tuin
PV+ voltooid deelwoord Jan heeft in de tuin gespeeld
PV+ te+ infinitief Kan kan in de tuin spelen
PV+ infinitief+ infinitief Jan zou in de tuin willen spelen
PV+ scheidbaar deel Vader wast af
PV+ wederkerig voornaamwoord Vader wast zich
PV+ deel van een uitdrukking Jan zit in de put
1. De jarige werd een mooi cadeau aangeboden
o Werd aangeboden
o Pv + vd
2. Moeder wast zich in de douche
o Wast zich
o PV+ wederkerig voornaamwoord
3. Heeft Jaak gisteren erg op zijn kop gekregen
o Heeft op zijn kop gekregen
o PV+ deel van een uitdrukking
NAAMWOORDELIJK GEZEGDE
= werkwoordelijk deel (pv) + naamwoordelijk gezegde
1. Ik word later brandweerman
o Word brandweerman
2. kleine kinderen zijn vaak ziek
o Zijn ziek
3. Word jij binnenkort profvoetballer?
o Word profvoetballer
4. de boerderij van oom Fons was een krot
o Was een krot
LIJDEND VOORWERP
Wie/ Wat + ond + pv?
enkel in zinnen met een werkwoordelijk gezegde
3
, - Ik stak om 8uur de sleutel in het sleutelgat
o Pv: stak
o Ond: ik
o Welk gezegde: werkwoordelijk gezegde: stak
o Wat stak ik om 8 uur in het sleutelgat: de sleutel
MEEWERKEND VOORWERP
Aan wie/ voor wie + ond + pv?
- Papa maakt lekkere spaghetti voor ons
o Pv: maakt
o Ond: papa
o Lijdend voorwerp: lekkere spaghetti
o Voor ons
!!! bij een meewerkend voorwerp kan het voorzetsel ‘aan’ wel wegvallen. Dat heeft hij (aan) mij
niet beloofd. !!!
BIJWOORDELIJKE BEPALING
Zinsdelen die meer zeggen, dingen preciezer bepalen
Zinsdelen die niet door het werkwoord vereist zijn
W-vragen: waarom, waarvoor…
- Je kan het weglaten in de zin
SOORTEN BEPALINGEN
- Bijwoordelijke bepaling van plaats: dat zinsdeel geeft een antwoord op de ‘waar’-
vraag.
- Bijwoordelijke bepaling van tijd: dat zinsdeel geeft een antwoord op de ‘wanneer’-
vraag.
- Bijwoordelijke bepaling van middel: dat zinsdeel geeft een antwoord op de
‘waarmee’-vraag.
- Bijwoordelijke bepaling van wijze: dat zinsdeel geeft een antwoord op de ‘hoe’-
vraag.
- Bijwoordelijke bepaling van reden of oorzaak: dat zinsdeel geeft antwoord op de
‘waardoor’- of ‘waarom’-vraag
De mannen / brengen/ het materiaal /zo snel mogelijk /met de vliegtuigen/ naar het getroffen
gebied/.
- Pv: brengen
- Ond: de mannen
- Werkwoordelijk gezegde: brengen
- Lijdend voorwerp: het materiaal
- Bijwoordelijke bepaling: zo snel mogelijk, met de vliegtuigen, naar het getroffen gebied
Deze diersoort/ komt/ in het bosrijke Europa/ voor.
- Pv: komt
- Ond: deze diersoort
- Werkwoordelijk gezegde: komt voor
- Bijwoordelijke bepaling: in het bosrijke Europa
4