Hoofdstuk 1: Wat is sociale psychologie
1. Belangrijke concepten (in eigen woorden)
Sociale psychologie
De studie van hoe gedachten, gevoelens en gedrag van een individu beïnvloed worden door de
werkelijke, ingebeelde of impliciete aanwezigheid van anderen (Allport).
→ Doelen: begrijpen, verklaren en voorspellen van gedrag.
Belangrijk uitgangspunt:
De mens is een sociaal dier → je wordt altijd beïnvloed door anderen (Watzlawick: je kan niet
niet communiceren).
Socius: De ander in een sociale situatie die invloed uitoefent op jouw gedrag.
Beïnvloeding
- Expliciet: directe, zichtbare beïnvloeding (bv. iemand zegt wat je moet doen)
- Impliciet: subtiele, onbewuste beïnvloeding (bv. lichaamstaal, normen)
→ Beïnvloeding gebeurt ook bij ingebeelde aanwezigheid (bv. je gedraagt je anders omdat je
denkt dat iemand kijkt).
Selffulfilling prophecy: Verwachtingen beïnvloeden gedrag zodanig dat ze werkelijkheid worden.
Pygmalion-effect: Hoge verwachtingen → betere prestaties.
Golem-effect: Lage verwachtingen → slechtere prestaties.
Huidhonger: Gebrek aan fysiek contact → leidt tot een sterk gemis en kan mentale problemen
veroorzaken.
Zoom fatigue: Mentale uitputting door videocalls (moeilijk non-verbaal lezen, constante focus,
gevoel bekeken te worden).
Grotsyndroom: Moeite met sociale interactie na lange isolatie.
Empathie: Het vermogen om je in te leven in de ander.
Spiegelneuronen: Hersencellen die actief worden wanneer je zelf iets doet én wanneer je
iemand anders iets ziet doen → basis voor empathie (“aapje ziet, aapje doet”).
Experimentele conditie de situatie waarin de proefpersonen (of proefdieren) op basis van de
(of meerdere) hypothese een bepaalde manipulatie ondergaan
Controle conditie hierin wordt doorgaans een ‘nulmeting’ gehouden om na te gaan
wat het gedrag is van een proefpersoon zonder die experimentele
manipulatie
Juk conditie twee proefpersonen (of proefdieren) ondergaan exact dezelfde
(Yoked control design) onaangename prikkel. Ze moeten dus ‘hetzelfde juk dragen’
Onafhankelijke variabelen de veranderingen die je aanbrengt in de omgeving, je
manipulaties in je proefopstelling
Afhankelijke variabelen de factoren die wijzigen door de onafhankelijke variabelen
(en dus afhankelijk is van die omgevingsinvloeden)
Storende factoren omgevingssituaties of persoonseigenschappen die niet
algemeen geldend zijn en het resultaat vertekenen
Herhaalbaarheid hetzelfde experiment opnieuw uitvoeren onder dezelfde
omstandigheden moet tot dezelfde resultaten leiden
,Introversie – verlegenheid – schaamte
● Introversie: voorkeur voor alleen zijn
● Verlegenheid: angst/onzekerheid in sociale situaties
● Schaamte: emotie gekoppeld aan gedrag + angst voor beoordeling
2. Sociale psychologie vs sociologie
● Sociologie → kijkt naar groepen en structuren (maatschappij, cultuur)
● Sociale psychologie → kijkt naar individu in sociale context
3. Casus: Obama en sociale beïnvloeding
Obama stelt dat succes niet enkel individueel is, maar ook afhankelijk van anderen en
maatschappelijke structuren (zoals infrastructuur, kansen, afkomst).
Gevolg in samenleving:
👉
Veel mensen reageerden negatief omdat ze geloven dat succes enkel hun eigen verdienste is.
Link met fundamentele attributiefout:
● Succes → toeschrijven aan zichzelf
● Mislukking van anderen → toeschrijven aan hun persoonlijkheid → terwijl context
(armoede, afkomst, huidskleur) grote rol speelt
4. Invloed van omgeving (belangrijk!)
Gedrag wordt sterk bepaald door context:
Detentieschade
→ Gevangenis kan problemen verergeren (trauma, geweld, verslaving)
Slechte omstandigheden (bv. overbevolking)
→ meer agressie en herval
Scandinavische landen → humane aanpak → minder herval (± 60% → 15%)
Belangrijk inzicht: Omgeving beïnvloedt gedrag sterk (kern van sociale psychologie)
5. Motivatie en sociale behoeften
Maslow
● Behoeften in hiërarchie
❗
● Eerst basisbehoeften, dan hogere
Niet wetenschappelijk sterk onderbouwd
Zelfdeterminatietheorie (Deci & Ryan)
3 basisbehoeften:
● Autonomie → “ik ben vrij”
● Competentie → “ik kan het”
● Verbondenheid → “ik hoor erbij”
Als deze niet vervuld zijn → behoeftefrustratie
→ leidt tot agressie, stress, vijandigheid
Verschil:
● Maslow = hiërarchisch
● Deci & Ryan = alle behoeften tegelijk belangrijk
6. Belang van sociaal contact
Corona toonde aan: Meer eenzaamheid, depressie en angst, Meer geweld in gezinnen
→ Sociale verbondenheid is essentieel voor mentaal welzijn
,7. Onderzoek in sociale psychologie
Materieel object
→ gedrag beïnvloed door anderen
Formeel object
→ wetmatigheden in sociale interacties
Experiment
● Onafhankelijke variabele = wat je verandert
● Afhankelijke variabele = wat je meet (gedrag)
Problemen:
● Demand characteristics (proefpersoon past gedrag aan aan verwachtingen)
● Lage externe validiteit
● Ethische grenzen
Belangrijk principe:
Falsificatie (Popper) → theorie moet weerlegd kunnen worden
8. Toepassing in leven en werkveld
Onderwijs / begeleiding
● Pygmalion-effect → positieve verwachtingen verbeteren prestaties
● Focus op gedrag i.p.v. persoon → minder schaamte
Gevangenissen
● Slechte omgeving → slechter gedrag
● Goede begeleiding → beter herstel
Eigen leven
● Zoom fatigue herkennen
● Belang van sociaal contact
● Bewust zijn van invloed van anderen
Hoofdstuk 2
1. Begrippen omschrijven + eigen voorbeelden
Altruïsme
Gedrag waarbij je de ander centraal stelt, zelfs als dit nadelig is voor jezelf.
Doel: voordeel voor de ander
Eigen voorbeeld: Je helpt een klasgenoot studeren terwijl je zelf minder tijd hebt.
Omstanderseffect (bystander effect)
Hoe meer mensen aanwezig zijn, hoe kleiner de kans dat iemand helpt.
Eigen voorbeeld: Iemand valt op straat → niemand helpt omdat iedereen denkt dat een ander
het wel zal doen.
Diffusie van verantwoordelijkheid
De verantwoordelijkheid wordt verdeeld over meerdere mensen, waardoor niemand zich echt
verantwoordelijk voelt.
Eigen voorbeeld: In een groep wacht iedereen tot iemand anders de leerkracht aanspreekt.
Empathie
Het vermogen om je in te leven in de gevoelens van een ander.
Eigen voorbeeld: Je troost iemand omdat je je kan voorstellen hoe die zich voelt.
Sociale uitwisselingstheorie
Mensen maken een kosten-batenanalyse voordat ze helpen.
Eigen voorbeeld: Je helpt sneller als het weinig moeite kost en je er een goed gevoel aan
overhoudt.
, 2. Het Vijfstappenmodel (Cognitief decisiemodel)
Volgens Latané en Darley doorloopt een hulpverlener een proces van vijf stappen voordat hij
effectief ingrijpt. Bij elke stap kan een hindernis het proces stoppen:
1. Opmerken van de situatie: Men moet de situatie waarnemen. (Hindernis: afleiding door
anderen of drukte).
2. Interpreteren als noodsituatie: Men moet de situatie als ernstig inschatten. (Hindernis:
onverschilligheid van anderen; we kijken naar anderen om te zien hoe zij reageren).
3. Jezelf verantwoordelijk achten: Men moet beslissen dat het jouw taak is om te helpen.
(Hindernis: spreiding van verantwoordelijkheid).
4. Beslissen hoe te reageren: Men moet weten wat er gedaan moet worden. (Hindernis:
ontbreken van de juiste gedragsschema's of competentie).
5. Helpen: De feitelijke uitvoering van de hulp. (Hindernis: sociale inhibitie; de angst om op te
vallen of door anderen beoordeeld te worden)
🔹
3. Factoren die hulp gedrag beïnvloeden (uitgebreid + met uitleg en voorbeelden)
1. omstandereffect
Hoe meer mensen aanwezig zijn, hoe kleiner de kans dat iemand helpt. Waarom?
● Diffusie van verantwoordelijkheid → iedereen denkt dat iemand anders zal helpen
● Sociale bevriezing → mensen kijken naar elkaar en doen niets
● Minder schuldgevoel achteraf
Voorbeeld: Iemand valt in een drukke straat → niemand helpt, terwijl op een lege straat iemand
wél helpt.
🔹 2. Bekendheid van de omstanders
Mensen helpen sneller wanneer ze bekenden zijn. Waarom?
● Minder schaamte
● Snellere communicatie
● Groter verantwoordelijkheidsgevoel
Voorbeeld: Je gaat sneller samen met vrienden helpen dan met onbekenden.
🔹 3. Competentie van de omstanders
Als je denkt dat je niet kan helpen, ga je minder snel ingrijpen.
Belangrijk: Zelfs als anderen ook niet competent zijn, gebeurt er toch diffusie van
verantwoordelijkheid.
Voorbeeld: Je ziet iemand flauwvallen → als je EHBO kent, help je sneller.
🔹 4. Kosten-batenanalyse (sociale uitwisselingstheorie)
Mensen maken een afweging: Negatieve gevolgen van helpen
● Gevaar (bloed, geweld)
● Tijdverlies
● Angst om fout te handelen
● Normconflict (bv. “niet moeien met ruzie getrouwd koppel”)
Voorbeeld: Minder hulp bij iemand met bloed → angst
Positieve gevolgen van helpen: Dankbaarheid, Goed gevoel en Beloning (sociaal of materieel)
Negatieve gevolgen van niet helpen: Schuldgevoel, Teleurstelling in jezelf en Sociale afkeuring
Positieve gevolgen van niet helpen: Geen risico, Geen tijdverlies, normconflict
Belangrijk inzicht: Hulpgedrag wordt bepaald door alle factoren samen, niet één element.
1. Belangrijke concepten (in eigen woorden)
Sociale psychologie
De studie van hoe gedachten, gevoelens en gedrag van een individu beïnvloed worden door de
werkelijke, ingebeelde of impliciete aanwezigheid van anderen (Allport).
→ Doelen: begrijpen, verklaren en voorspellen van gedrag.
Belangrijk uitgangspunt:
De mens is een sociaal dier → je wordt altijd beïnvloed door anderen (Watzlawick: je kan niet
niet communiceren).
Socius: De ander in een sociale situatie die invloed uitoefent op jouw gedrag.
Beïnvloeding
- Expliciet: directe, zichtbare beïnvloeding (bv. iemand zegt wat je moet doen)
- Impliciet: subtiele, onbewuste beïnvloeding (bv. lichaamstaal, normen)
→ Beïnvloeding gebeurt ook bij ingebeelde aanwezigheid (bv. je gedraagt je anders omdat je
denkt dat iemand kijkt).
Selffulfilling prophecy: Verwachtingen beïnvloeden gedrag zodanig dat ze werkelijkheid worden.
Pygmalion-effect: Hoge verwachtingen → betere prestaties.
Golem-effect: Lage verwachtingen → slechtere prestaties.
Huidhonger: Gebrek aan fysiek contact → leidt tot een sterk gemis en kan mentale problemen
veroorzaken.
Zoom fatigue: Mentale uitputting door videocalls (moeilijk non-verbaal lezen, constante focus,
gevoel bekeken te worden).
Grotsyndroom: Moeite met sociale interactie na lange isolatie.
Empathie: Het vermogen om je in te leven in de ander.
Spiegelneuronen: Hersencellen die actief worden wanneer je zelf iets doet én wanneer je
iemand anders iets ziet doen → basis voor empathie (“aapje ziet, aapje doet”).
Experimentele conditie de situatie waarin de proefpersonen (of proefdieren) op basis van de
(of meerdere) hypothese een bepaalde manipulatie ondergaan
Controle conditie hierin wordt doorgaans een ‘nulmeting’ gehouden om na te gaan
wat het gedrag is van een proefpersoon zonder die experimentele
manipulatie
Juk conditie twee proefpersonen (of proefdieren) ondergaan exact dezelfde
(Yoked control design) onaangename prikkel. Ze moeten dus ‘hetzelfde juk dragen’
Onafhankelijke variabelen de veranderingen die je aanbrengt in de omgeving, je
manipulaties in je proefopstelling
Afhankelijke variabelen de factoren die wijzigen door de onafhankelijke variabelen
(en dus afhankelijk is van die omgevingsinvloeden)
Storende factoren omgevingssituaties of persoonseigenschappen die niet
algemeen geldend zijn en het resultaat vertekenen
Herhaalbaarheid hetzelfde experiment opnieuw uitvoeren onder dezelfde
omstandigheden moet tot dezelfde resultaten leiden
,Introversie – verlegenheid – schaamte
● Introversie: voorkeur voor alleen zijn
● Verlegenheid: angst/onzekerheid in sociale situaties
● Schaamte: emotie gekoppeld aan gedrag + angst voor beoordeling
2. Sociale psychologie vs sociologie
● Sociologie → kijkt naar groepen en structuren (maatschappij, cultuur)
● Sociale psychologie → kijkt naar individu in sociale context
3. Casus: Obama en sociale beïnvloeding
Obama stelt dat succes niet enkel individueel is, maar ook afhankelijk van anderen en
maatschappelijke structuren (zoals infrastructuur, kansen, afkomst).
Gevolg in samenleving:
👉
Veel mensen reageerden negatief omdat ze geloven dat succes enkel hun eigen verdienste is.
Link met fundamentele attributiefout:
● Succes → toeschrijven aan zichzelf
● Mislukking van anderen → toeschrijven aan hun persoonlijkheid → terwijl context
(armoede, afkomst, huidskleur) grote rol speelt
4. Invloed van omgeving (belangrijk!)
Gedrag wordt sterk bepaald door context:
Detentieschade
→ Gevangenis kan problemen verergeren (trauma, geweld, verslaving)
Slechte omstandigheden (bv. overbevolking)
→ meer agressie en herval
Scandinavische landen → humane aanpak → minder herval (± 60% → 15%)
Belangrijk inzicht: Omgeving beïnvloedt gedrag sterk (kern van sociale psychologie)
5. Motivatie en sociale behoeften
Maslow
● Behoeften in hiërarchie
❗
● Eerst basisbehoeften, dan hogere
Niet wetenschappelijk sterk onderbouwd
Zelfdeterminatietheorie (Deci & Ryan)
3 basisbehoeften:
● Autonomie → “ik ben vrij”
● Competentie → “ik kan het”
● Verbondenheid → “ik hoor erbij”
Als deze niet vervuld zijn → behoeftefrustratie
→ leidt tot agressie, stress, vijandigheid
Verschil:
● Maslow = hiërarchisch
● Deci & Ryan = alle behoeften tegelijk belangrijk
6. Belang van sociaal contact
Corona toonde aan: Meer eenzaamheid, depressie en angst, Meer geweld in gezinnen
→ Sociale verbondenheid is essentieel voor mentaal welzijn
,7. Onderzoek in sociale psychologie
Materieel object
→ gedrag beïnvloed door anderen
Formeel object
→ wetmatigheden in sociale interacties
Experiment
● Onafhankelijke variabele = wat je verandert
● Afhankelijke variabele = wat je meet (gedrag)
Problemen:
● Demand characteristics (proefpersoon past gedrag aan aan verwachtingen)
● Lage externe validiteit
● Ethische grenzen
Belangrijk principe:
Falsificatie (Popper) → theorie moet weerlegd kunnen worden
8. Toepassing in leven en werkveld
Onderwijs / begeleiding
● Pygmalion-effect → positieve verwachtingen verbeteren prestaties
● Focus op gedrag i.p.v. persoon → minder schaamte
Gevangenissen
● Slechte omgeving → slechter gedrag
● Goede begeleiding → beter herstel
Eigen leven
● Zoom fatigue herkennen
● Belang van sociaal contact
● Bewust zijn van invloed van anderen
Hoofdstuk 2
1. Begrippen omschrijven + eigen voorbeelden
Altruïsme
Gedrag waarbij je de ander centraal stelt, zelfs als dit nadelig is voor jezelf.
Doel: voordeel voor de ander
Eigen voorbeeld: Je helpt een klasgenoot studeren terwijl je zelf minder tijd hebt.
Omstanderseffect (bystander effect)
Hoe meer mensen aanwezig zijn, hoe kleiner de kans dat iemand helpt.
Eigen voorbeeld: Iemand valt op straat → niemand helpt omdat iedereen denkt dat een ander
het wel zal doen.
Diffusie van verantwoordelijkheid
De verantwoordelijkheid wordt verdeeld over meerdere mensen, waardoor niemand zich echt
verantwoordelijk voelt.
Eigen voorbeeld: In een groep wacht iedereen tot iemand anders de leerkracht aanspreekt.
Empathie
Het vermogen om je in te leven in de gevoelens van een ander.
Eigen voorbeeld: Je troost iemand omdat je je kan voorstellen hoe die zich voelt.
Sociale uitwisselingstheorie
Mensen maken een kosten-batenanalyse voordat ze helpen.
Eigen voorbeeld: Je helpt sneller als het weinig moeite kost en je er een goed gevoel aan
overhoudt.
, 2. Het Vijfstappenmodel (Cognitief decisiemodel)
Volgens Latané en Darley doorloopt een hulpverlener een proces van vijf stappen voordat hij
effectief ingrijpt. Bij elke stap kan een hindernis het proces stoppen:
1. Opmerken van de situatie: Men moet de situatie waarnemen. (Hindernis: afleiding door
anderen of drukte).
2. Interpreteren als noodsituatie: Men moet de situatie als ernstig inschatten. (Hindernis:
onverschilligheid van anderen; we kijken naar anderen om te zien hoe zij reageren).
3. Jezelf verantwoordelijk achten: Men moet beslissen dat het jouw taak is om te helpen.
(Hindernis: spreiding van verantwoordelijkheid).
4. Beslissen hoe te reageren: Men moet weten wat er gedaan moet worden. (Hindernis:
ontbreken van de juiste gedragsschema's of competentie).
5. Helpen: De feitelijke uitvoering van de hulp. (Hindernis: sociale inhibitie; de angst om op te
vallen of door anderen beoordeeld te worden)
🔹
3. Factoren die hulp gedrag beïnvloeden (uitgebreid + met uitleg en voorbeelden)
1. omstandereffect
Hoe meer mensen aanwezig zijn, hoe kleiner de kans dat iemand helpt. Waarom?
● Diffusie van verantwoordelijkheid → iedereen denkt dat iemand anders zal helpen
● Sociale bevriezing → mensen kijken naar elkaar en doen niets
● Minder schuldgevoel achteraf
Voorbeeld: Iemand valt in een drukke straat → niemand helpt, terwijl op een lege straat iemand
wél helpt.
🔹 2. Bekendheid van de omstanders
Mensen helpen sneller wanneer ze bekenden zijn. Waarom?
● Minder schaamte
● Snellere communicatie
● Groter verantwoordelijkheidsgevoel
Voorbeeld: Je gaat sneller samen met vrienden helpen dan met onbekenden.
🔹 3. Competentie van de omstanders
Als je denkt dat je niet kan helpen, ga je minder snel ingrijpen.
Belangrijk: Zelfs als anderen ook niet competent zijn, gebeurt er toch diffusie van
verantwoordelijkheid.
Voorbeeld: Je ziet iemand flauwvallen → als je EHBO kent, help je sneller.
🔹 4. Kosten-batenanalyse (sociale uitwisselingstheorie)
Mensen maken een afweging: Negatieve gevolgen van helpen
● Gevaar (bloed, geweld)
● Tijdverlies
● Angst om fout te handelen
● Normconflict (bv. “niet moeien met ruzie getrouwd koppel”)
Voorbeeld: Minder hulp bij iemand met bloed → angst
Positieve gevolgen van helpen: Dankbaarheid, Goed gevoel en Beloning (sociaal of materieel)
Negatieve gevolgen van niet helpen: Schuldgevoel, Teleurstelling in jezelf en Sociale afkeuring
Positieve gevolgen van niet helpen: Geen risico, Geen tijdverlies, normconflict
Belangrijk inzicht: Hulpgedrag wordt bepaald door alle factoren samen, niet één element.