Hoofdstuk 1: Wat is psychologie?
Geef aan of de twee volgende uitspraken juist of fout zijn. (1) Bij gevalstudies is de kans op
storende variabelen heel groot. (2) De functionalisten hadden grote belangstelling voor
verschillen tussen mensen en dieren.
a. Uitspraak (1) is juist, maar uitspraak (2) is fout.
b. Uitspraak (1) is fout, maar uitspraak (2) is juist.
c. Uitspraak (1) is juist, en uitspraak (2) is ook juist.
d. Uitspraak (1) is fout, en uitspraak (2) is ook fout.
Een negatieve correlatie treedt op wanneer ____.
a. De onderzoeksresultaten conform zijn aan de tegengestelde hypothese
b. De steekproef niet representatief is voor de hele populatie
c. De variabelen in tegenovergestelde richting variëren
d. De variabelen onduidelijk gedefinieerd zijn
Beoordeel op grond van wat je gezien hebt in Hoofdstuk 1, van wie de volgende uitspraak is:
“Een goede methode om te werken is om te proberen om elke notie te interpreteren door het te
linken met de praktische gevolgen. Wat voor verschil zou het praktisch met zich meebrengen als
we dit begrip beginnen te gebruiken?”
a. Edward Titchener
b. William James
c. John Watson
d. Burrhus Frederic Skinner
Wat is de juiste chronologische volgorde?
a. Empirisme-Structuralisme-Functionalisme-Behaviorisme
b. Empirisme-Functionalisme-Structuralisme-Behaviorisme
c. Functionalisme-Structuralisme-Behaviorisme-Empirisme
d. Geen van bovenstaande volgordes is correct.
, Hoofdstuk 3: Waarneming + Aandacht
Onderstaande uitspraken zijn juist, behalve ___.
a. selectieve aandacht speelt een kritische rol in nagenoeg alle aspecten van de
perceptie, de cognitie en de actie
b. aandacht was volgens Tichener een van de belangrijkste onderwerpen van de
experimentele psychologie
c. in de filtertheorie van Broadbent worden concurrerende boodschappen in het
kortermijngeheugen gefilterd
d. selectieve aandacht verwijst naar het proces waarbij één boodschap uit de
omgeving geselecteerd wordt voor bewuste verwerking en de andere
boodschappen onderdrukt worden
Geef aan of de twee volgende uitspraken juist of fout zijn. (1) Het visuele systeem combineert
aannames over de eigenschappen van de proximale stimulus met de binnenkomende proximale
stimulus. (2) Wanneer wij met onze ogen of hoofd bewegen, verandert het beeld op de retina,
terwijl de buitenwereld stil blijft staan. Deze bewegingen ter hoogte van de retina worden
gecorrigeerd in de hersenen op basis van signalen uit de oogspieren en het evenwichtsorgaan.
a. Uitspraak (1) is juist, maar uitspraak (2) is fout.
b. Uitspraak (1) is fout, maar uitspraak (2) is juist.
c. Uitspraak (1) is juist, en uitspraak (2) is ook juist.
d. Uitspraak (1) is fout, en uitspraak (2) is ook fout.
Volgens de theorie van Marr is de eerste stap bij de waarneming van een stimuluspatroon de
omzetting ervan in een ____, die de plaatsen aanduidt waar er veranderingen in helderheid
optreden.
a. Gestalt
b. Compositie van geons
c. Primaire schets
d. Geen van bovenstaande
Welke van de volgende is geen groeperingsprincipe bij de Gestaltpsychologen?
a. Gelijkheid
b. Figuur-achtergrondscheiding
c. Nabijheid
d. Ze zijn alle drie groeperingsprincipes bij de Gestaltpsychologen.
e.