2025
Kwantitatieve
onderzoeksmethod
en
PROF KATRIEN VAN DRIESSEN
JADE VAN WALLENDAEL
,1
,Hoofdstuk 1 – Inleiding
Statistiek is het verzamelen, bewerken, interpreteren en presenteren van
kwantitatieve (cijfermatige) gegevens. Kwantitatieve gegevens betekent
dat we met cijfers gaan bezig zijn.
Vb: grootwarenhuizen houden via een klantenkaart gekochte producten,
gespendeerde bedragen, betalingswijzen… bij.
Statistiek is een instrument om vragen te beantwoorden en resultaten
bruikbaar te maken (geen doel op zich).
Soorten statistiek:
- Beschrijvende statistiek: gegevens ordenen, samenvatten en
presenteren.
- Kansberekening: o.b.v. een theoretische verdeling de kans bepalen
dat een bepaalde gebeurtenis plaatsvindt.
- Verklarende statistiek: om bepaalde verwachtingen te toetsen en
resultaten breder toe te passen.
We hebben vier fasen in een onderzoek.
Statistiek behoort tot fase 3, analyseren.
Kwantitatief onderzoek staat tegenover
kwalitatief onderzoek, dat niet gebaseerd is
op cijfermatige gegevens (komt niet aan bod
in deze cursus).
Kwantitatief onderzoek:
- Steekproef: je maakt een samenvatting van verzamelde gegevens
- Hypothesen: je toetst een aantal verwachtingen over de populatie
- Meetniveau: keuze van de geschikte statistische methode hangt af
van verschillende methoden (doel van het onderzoek moet duidelijk
zijn, zodat de resultaten waar je naar op zoek gaat nuttig zijn voor
het onderzoek dat je wil doen)
- Kansen: doel is om je conclusie te verbreden naar de populatie (zijn
de gevonden resultaten toevallig of niet?)
2
, Hoofdstuk 2 – Beschrijvende statistiek: één
variabele
1. Meetniveaus
Variabele is het kenmerk dat je wil meten, kan verschillende waarden
aannemen.
Wat is de aard van zo’n variabele of van je gegevens (= realisaties van
een variabele)
Meetniveau of meetschaal
Een variabele is een kenmerk dat je wilt meten of registreren, bijvoorbeeld
leeftijd, inkomen, geslacht, tevredenheid, etc. De realisaties van een
variabele zijn de concrete waarden die je meet bij de verschillende
personen of objecten in je onderzoek (bv. leeftijd = 23 jaar, geslacht =
vrouw, inkomen = €2000, …).
Het meetniveau (of meetschaal) beschrijft de aard van de informatie die
die variabele en haar waarden weergeven.
Vb: haarkleur, als ik die bij een aantal mensen ga opmeten zijn deze
opmetingen realisaties van de variabele haarkleur. Deze variabele kan op
verschillende meetniveaus of meetschalen beschreven worden.
4 verschillende meetniveaus:
1. Nominaal = laagste, kwalitatieve meetschaal
We gaan bij deze meetschaal gewoon benoemen. Vb:
vakantiebestemming, lievelingseten, beroep, postcode…
De gegevens bestaan uit enkele losse categorieën (groepen). Er is niets
tussenin, discreet (beperkt aantal waarden). Je kan er niet mee rekenen
(cijfers = codes). Je kan wel frequenties/percentages berekenen
(tellen).
Er zijn speciale soorten nominale gegevens:
- Dichotoom: slechts 2 mogelijkheden (vb: kop of munt, succes/falen).
- Dummy’s: bij lijst met meerdere antwoordmogelijkheden (vb:
hobby’s, sporten, meerdere opties tegelijk mogelijk) dummy: 1
(aangevinkt)/ 0 (niet aangevinkt)
2. Ordinaal = tweede kwalitatieve meetschaal
3