Evolutie
H1
Uit 1 gemeenschappelijke voorouder is er ongelooflijke diversiteit aan
leven geëvolueerd (elk organisme goed aangepast aan omstandigheden
waarin het leeft):
De oercel vroege celvorm waaruit alle
huidige levensvormen geëvolueerd zijn.
(de oercel is niet eerste leven ooit)
Voorgesteld in de Tree of Life
(levensboom) waarbij vertakking
verwantschap tonen. Hoe dichter verwant
hoe recenter de gemeenschappelijke
voorouder. DNA-onderzoek maakt mogelijk
om deze verwantschappen nauwkeurig te
bepalen.
Bv. Mensen en chimpansees nauw verwant
gemeenschappelijke voorouder recent
leefde
Evolutie: verandering erfelijke
eigenschappen in populaties over
generaties → soorten veranderen (feit)
Evolutietheorie: uitleg van hoe evolutie
gebeurt → steeds aangevuld en aangepast
Oorspronkelijk van Charles Darwin (19e eeuw)
Veel klopt nog, sommige delen aangepast
Evolutieverloop: hoe die veranderingen precies zijn gebeurd doorheen de
tijd
Nieuwe fossielen: stellen evolutie / evolutietheorie niet in vraag
Kunnen wél ons beeld van het evolutieverloop veranderen (feit)
Mechanismen van evolutie
1. Mutaties: veranderingen in erfelijk materiaal ontstaan nieuwe
allelen
Neutrale mutatie → geen effect
Verliesmutatie → slecht voor overleving/voortplanting
, Winstmutatie → beter voor overleving/voortplanting
Zorgen voor genetische variatie, verschillen in uiterlijk of gedrag
(fenotype)
Dit is de drijvende kracht van evolutie, andere mechanismen werken op
deze variatie in
Soorten mutaties
Genmutatie → verandering in één gen
Chromosoommutatie → verandering in een deel van een
chromosoom (stukje verdwijnt, verdubbelt of draait om)
Genoommutatie → verandering in het hele aantal chromosomen
(bijv. trisomie)
2. Natuurlijke selectie
processen waardoor allelen die beter passen bij de omgeving vaker
voorkomen
Drie principes van natuurlijke selectie:
Verschil in fenotype tussen individuen in een populatie
Verschillende fenotypes → verschillende overlevings- of
voortplantingskansen (fitness)
Variatie in fenotypes is erfelijk
Allelen die individu beter laten overleven / voortplanten, nemen toe in
volgende generaties steeds meer individuen zijn beter aangepast
Fitness is veranderlijk afhankelijk omgeving
Neutrale / nadelige eigenschappen worden voordelig als omgeving
verandert
Bv. Minder pigment → lichtere vacht
Bij sneeuwlandschap → lichtere vacht geeft overlevingsvoordeel
Niche: plaats die een soort inneemt in een ecosysteem.
3. Seksuele selectie
Beïnvloedt eigenschappen verschillend bij geslachten
Competitie om territorium kracht belangrijk mannetjes vaak groter en
sterker
Vrouwtjes concurreren meestal niet met elkaar groei/spieropbouw
nadelig
Seksueel dimorfisme: opvallende verschillen tussen mannetje en vrouwtje
4. Gene flow