A. Celtypes in ons lichaam ............................................................................................ 2
1. Van cel naar weefsel ..................................................................................................... 2
2. Celtypes in ons lichaam ................................................................................................ 2
3. Stamcellen .................................................................................................................... 2
B. Functionele eigenschappen van cellen in een weefsel ................................................. 5
1. Cellen van het bindweefsel ......................................................................................... 5
1.1 Extracellulaire matrix ............................................................................................. 5
1.2 Cellen in bindweefsel ............................................................................................. 5
2. Epitheelcellen .................................................................................................. 10
2.1 Beginselen van epitheelfysiologie ......................................................................... 10
2.2 Water transport .................................................................................................... 13
2.3 NaCl absorptie in de nier ...................................................................................... 13
2.4 Cl- secretie en reabsorptie via CFTR...................................................................... 16
3. Neuronen: celfysiologie van de synaps ............................................................... 17
3.1 Actiepotentialen .................................................................................................. 17
3.2 Algemene eigenschappen van synapsen .............................................................. 18
3.3 De neuromusculaire synaps ................................................................................. 19
3.4 De centrale synaps............................................................................................... 21
3.4.1 Neurotransmitters ................................................................................. 24
3.4.2 Integratie van input ................................................................................ 28
3.4.3 Plasticiteit ............................................................................................. 29
4. Spieren: hartspier, gladde spier en skeletspier .................................................... 30
4.1 Contractie-relaxatiemechanismen ....................................................................... 30
4.1.1 Dwarsgestreepte spieren........................................................................ 30
4.1.2 Gladde spieren ...................................................................................... 31
4.2 Actiepotentialen in spiercellen ............................................................................. 32
4.2.1 Hartspier ............................................................................................... 32
4.2.2 Skeletspier............................................................................................. 34
4.2.3 Gladde spiercel...................................................................................... 34
4.3 Excitatie-contractiekoppeling ............................................................................... 34
4.3.1 Skeletspier............................................................................................. 34
4.3.2 Hartspier ............................................................................................... 35
4.3.3 Gladde spieren ...................................................................................... 35
4.4 Eigenschappen van spiercontractie ...................................................................... 37
4.4.1 Skeletspieren ......................................................................................... 37
4.4.2 Hartspieren............................................................................................ 39
4.4.3 Gladde spieren ...................................................................................... 39
C. Integratie van celsystemen ...................................................................................... 41
1. Het autonoom zenuwstelsel .............................................................................. 41
1.1 Homeostase ........................................................................................................ 41
1.2 Organisatie in het zenuwstelsel ............................................................................ 42
1.3 Autonome synaps ................................................................................................ 42
1.4 Autonome controle van bloeddruk en hartfunctie.................................................. 44
2. Het sensorisch zenuwstelsel ............................................................................. 46
2.1 Algemene concepten ............................................................................................. 46
2.2 Smaak: chemosensatie.......................................................................................... 47
2.3 Geur: chemosensatie............................................................................................. 48
2.4 Zicht ...................................................................................................................... 48
2.5 Gehoor en evenwicht ............................................................................................. 49
2.6 Somatosensatie ..................................................................................................... 51
2.7 Proprioceptie ......................................................................................................... 53
1
,A. Celtypes in ons lichaam
1. Van cel naar weefsel
Celtypes ontstaan tijdens de ontwikkeling
• 3 kiemlagen: ectoderm (huid en zenuwstelsel: ZS), mesoderm (spier, bloed, nieren,
hart) en endoderm (long, schildklier, pancreas) → hieruit ontwikkelen alle celtypes
Weefsel bestaat uit verschillende celtypes:
• Bindweefsel (steun) • Zenuwen (communicatie)
• Bloedvaten (aanvoer/afvoer) • Immuuncellen (bescherming)
Vb. hartspier
• Hartspier bevat veel verschillende celtypes
• Cardiomyocyten zorgen voor de contractie
• Er zijn veel fibroblasten, endotheelcellen, gladde spiercellen en immuuncellen
• Alle celtypes werken samen voor een goede hartfunctie
2. Celtypes in ons lichaam
• 4 klassieke weefseltypes
1. Epitheelweefsel → bekleedt oppervlakken en vormt klieren
2. Spierweefsel → zorgt voor beweging (skeletspier, hartspier, gladde spier)
3. Zenuwweefsel → verwerkt en geleidt informatie (CZS en PZS)
4. Bindweefsel → geeft steun, bescherming en verbinding tussen weefsels
• Meeste cellen: RBC en bloedplaatjes
• Grootste biomassa: skeletspieren
3. Stamcellen
Stamcellen = bron van nieuwe cellen en kunnen uitgroeien tot gespecialiseerde celtypes
• Pluripotentie = kunnen differentiëren tot verschillende celtypes
• Self-renewal = kunnen zichzelf blijven vernieuwen door celdeling
• 2 types:
▪ Embryonale stamcellen: < binnenste celmassa van de blastocyst → groot
differentiatievermogen
▪ Adulte stamcellen: aanwezig in volwassen weefsels → zorgen voor herstel en
vernieuwing weefsels → zijn vaak in rust (quiescentie) en worden geactiveerd
wanneer nodig
• Veroudering: vernieuwingscapaciteit verdwijnt (senescence)
• Weefselvernieuwing is niet overal hetzelfde
• Elk weefsel heeft een ‘stock’ van adulte stamcellen
2
,Differentiatieproces
1. Stamcel: kan zichzelf vernieuwen
2. Progenitorcel: gedeeltelijk gespecialiseerd
3. Gedifferentieerde cel: volledig gespecialiseerd en voert een specifieke functie uit
Vb. stamcellen in darmweefsel
• Snelle turnover (3-6 dagen) van epitheelcellen
• Stralingsziekte: celdeling stopt → darmen veel last
• Signaalcascade: Wnt pathway = belangrijke signaalroute die de proliferatie en
differentiatie van stamcellen regelt
▪ Wnt-eiwitten binden aan frizzled receptor (atypische GPCR)
▪ Canonieke Wnt-route (β-catenine):
- Met Wnt: β-catenine stapelt zich op → naar de kern → activeert genen die
celgroei en differentiatie sturen
- Zonder Wnt: β-catenine wordt afgebroken = destruction complex
▪ Afwijkingen in Wnt-signalering kunnen leiden tot: kanker, hart- en longziekten,
neurodegeneratie, haar- en botafwijkingen
▪ Andere Wnt-routes
- PCP-route (planar cell polarity)→ maken gepolariseerde epitheelcellen
- Calcium pathway: Ca2+ als boodschapper om genexpressie te beïnvloeden
Vb. stamcellen in beenmerg
• Beenmerg bevat hematopoëtische stamcellen (HSC’s) = adulte stamcellen die
voortdurend nieuwe bloedcellen produceren oiv groeifactoren zoals SCF en CXCL12
(RBC, bloedplaatjes en WBC)
• Erytropoëse (vorming RBC): in het lichaam worden RBC voortdurend vernieuwd → EPO
(erythropoietine) wordt geproduceerd door de nier bij laag zuurstofgehalte → stimuleert
vorming van RBC
▪ Te weinig EPO → bloedarmoede of anemie
▪ Te veel EPO → tromboses kunnen ontstaan
▪ ‘hematocrietwaarde’ → EPO is een belangrijke doping (kan zuurstofcapaciteit
van het bloed verhogen)
▪ JAK2/STAT5 pathway: activeert genen die celdeling en overleving stimuleren
▪ PI3K/Akt-route: bevordert celoverleving en remt apoptose (geprogrammeerde
celdood)
▪ RAS/RAF/ERK (MAPK)-route: stimuleert proliferatie van voorlopercellen
▪ Deze signaalwegen verhogen de productie van eiwitten zoals Bcl-xL
(beschermt cel tegen apoptose) + Cyclines (stimuleren de voortgang van de
celcyclus en celdeling)
▪ EPO-receptor activatie → proliferatie, differentiatie en overleving van
hematopoëtische cellen, zodat er uiteindelijk meer RBC gevormd worden
3
,Vb. satellietcellen in skeletspieren
Satellietcellen = adulte stamcellen van skeletspieren
• Liggen in rust (quiescentie) tussen de spiervezel en de basale lamina
• Activatie bij spierschade of training
1. Activatie (oa door HGF: Hepatocyte Growth Factor)
2. Proliferatie → meer satellietcellen ontstaan
3. Differentiatie tot myoblasten/spiervoorlopercellen
4. Fusie met bestaande spiervezels of met elkaar
5. Herstel en groei van de spier (aantal spiervezels stijgt meestal niet, maar spiervezels
worden groter (hypertrofie) doordat satellietcellen extra kernen toevoegen aan
bestaande spiervezels)
• Belangrijke TF
▪ Pax7 → rustende en vroege satellietcellen
▪ Myf5 en MyoD1 → activatie en proliferatie
▪ Myogenin (MyHC) en MRF4 → differentiatie tot
spiercel
• Remmen spiergroei: Myostatine (GDF8)
▪ Vb Belgisch Wit-Blauw rund → mutatie waardoor
myostatine niet goed werkt → extreme spiermassa
• Vaak zijn het niet de spiercellen die groeifactoren uitzetten, maar de bindweefselscellen
Vb. induced pluripotent stem cells (iPSC’s)
iPSC = volwassen, gespecialiseerde lichaamscellen (somatische cellen) kunnen terug
omgevormd worden tot pluripotente stamcellen (= reprogrammering)
• Expressie van 4 TF (Yamanaka-factoren):
▪ Oct4
▪ Sox2
▪ KLF4
▪ c-Myc
▪ zetten honderden genen aan die typisch zijn voor embryonale
stamcellen
• iPSC’s kunnen daarna differentiëren tot neuronen, cardiomyocyten (hartspiercellen),
levercellen (hepatocyten), retina-cellen, pancreascellen
• Volwassen cellen krijgen opnieuw eigenschappen van embryonale stamcellen
• Minder embryo’s nodig → minder ethische problemen
• Belangrijk voor regeneratieve geneeskunde, ziekteonderzoek en gepersonaliseerde
therapieën
4
,B. Functionele eigenschappen van cellen in een
weefsel
1. Cellen van het bindweefsel
1.1 EXTRACELLULAIRE MATRIX
Bindweefsel = cellen + extracellulaire matrix (ECM)
• ECM bestaat uit:
▪ Vezels: collageenvezels, reticulaire vezels, elastische vezels
▪ Grondsubstantie: hydratatie en diffusie van stoffen
• Functie:
▪ Structuur: bv skeletspier → costameren verbinden de contractiele eiwitten in de
spiercel met het omliggende bindweefsel → contractiekracht van de spiercel wordt
voortgezet naar omliggend weefsel
▪ Signaalfunctie: adhesie en migratie, opbouwen en afbreken van ECM: bv kanker →
abnormale samenstelling en interactie van ECM met cellen; integrinen = verbinding
tussen ECM en cytoskelet → belangrijke signaaleiwitten: FAK en SRC → helpen een
cel haar positie en gedrag in een weefsel te bepalen
▪ Weefselspecifiek
• Dag- of nachtcrèmes → samenstelling: ECM hydrateren → huid lijkt voller
1.2 CELLEN IN BINDWEEFSEL
Fibroblasten
• Produceren en onderhouden ECM (matrisome = verzameling van alle eiwitten in ECM)
→ weefselvorming, wondheling en weefselherstel
• Secretie signaalmoleculen zoals cytokines en groeifactoren en metabolieten →
beïnvloeden immuuncellen, stamcellen en andere omliggende cellen
• Mechanische krachten: myofibroblasten kunnen samentrekken en zo wondheling en
weefselorganisatie sturen
• Secretie metabolieten → produceren oa lactaat, pyruvaat en lipiden die door andere
cellen gebruikt kunnen worden (‘feeder cells’)
• Epitheelcellen kunnen veranderen in fibroblasten via EMT (epithelial-to-mesenchymal
transition)
• Functies:
▪ Progenitor van andere celtypes
▪ Weefselvorming/wondheling (specifiek bij homeostase van weefsel)
▪ bepalen ‘identiteit’ van weefsel-locatie
▪ initiëren en delegeren een immuunrespons
• Weefsel-specifiek → bv context van kanker → ontwikkeling specifieke eigenschappen:
Cancer Associated fibroblasts
5
,• Belangrijke signaaltransductiecascades voor de regulatie van fibroblast functie
▪ Gezond weefsel → fibroblasten meestal rustend: bij weefselschade worden ze
geactiveerd → gaan delen, produceren meer ECM en kunnen differentiëren tot
myofibroblasten die wondheling ondersteunen
▪ PDGF (Platelet-Derived Growth Factor): stimuleert proliferatie en migratie van
fibroblasten + zorgt voor meer fibroblasten op de plaats van beschadiging
▪ Wnt-signalering: regelt genexpressie via β-catenine → beïnvloedt proliferatie,
differentiatie en ECM-productie
▪ TGF-β (Transforming Growth Factor-β): belangrijkste activator van
myofibroblasten
o TGF-β receptoren: receptor proteine serine/threonine kinases
o Signaaltransductie: SMAD proteïnes → complex dat genexpressie
reguleert (SMAD2 zijn SMAD3 regulatory SMAD’s; SMAD4 is een co-
SMAD; SMAD2-3-4 vormen samen een transcriptiefactor) → genen die
geactiveerd worden zijn vooral belangrijk voor de secretie en vorming van
ECM
o Andere signaaltransductie: via Rho en Rho-kinase-1, MEK en Erk1/2, PI3K
en Akt = non-canonical pathways → belangrijk voor eigenschappen van
myofibroblasten (contractie, proliferatie, apoptose)
o Productie en secretie van pro-collagen en andere componenten van ECM
→ ECM gevormd of aangepast (gestuurd door epitheelcellen en
immuuncellen): wanneer activatie van fibroblasten ‘out-of-control’ gaat =
fibrose (belangrijk bij ziektes en kanker)
• Chronische fibrose = overdreven wondheling reactie: fibroblasten worden te sterk en
langdurig geactiveerd → ontstaan ‘litteken-weefsel’ (fibrotisch weefsel) → kan in alle
organen ontstaan
• Wondheling respons
1. Hemostase (stolling): vorming bloedklonter (fibrine + bloedplaatjes) → bloeden stopt
→ bloedplaatjes geven groeifactoren vrij die fibroblasten activeren (zetten cytokines
vrij)
2. Ontstekingsfase: neutrofielen en macrofagen migreren naar de wonde → ruimen
bacteriën, beschadigde cellen en celresten op
3. Proliferatie- en regeneratiefase: fibroblasten prolifereren en produceren ECM →
sommige fibroblasten worden myofibroblasten + stamcellen worden geactiveerd om
beschadigd weefsel te vervangen
4. Remodellering en wondsluiting: epitheel sluit de wonden + nieuwe bloedvaten
ontstaan + ECM wordt herschikt en versterkt (uiteindelijk herstel kan maanden tot
zelfs een jaar duren)
6
,Macrofagen
• Fagocytose: ruimen bacteriën, pathogenen, dode cellen en celresten op
• Signaalfunctie: scheiden cytokines en groeifactoren uit → andere cellen (zoals
fibroblasten) aansturen
• Regulatie van wondheling: bepalen wanneer ontsteking moet doorgaan of stoppen
• M1 macrofagen:
▪ Ontstaan vroeg tijdens de ontstekingsfase
▪ Pro-inflammatoir en antimicrobieel
▪ Produceren oa IL-1, TNF, ROS en NO
▪ Doden pathogenen en ruimen beschadigd weefsel op
▪ Regulatie: IL-1, IL-6, IFN-γ en TNF induceren M1 macrofagen
• M2 macrofagen:
▪ Ontstaan later tijdens wondheling
▪ Anti-inflammatoir en herstelbevorderend
▪ Produceren groeifactoren zoals PDGF en TGF-β
▪ Activeren fibroblasten en stimuleren collageen- en ECM-productie
▪ Bevorderen weefselherstel, maar kunnen ook bijdragen aan fibrose
▪ Regulatie: IL-10, IL-4 en IL-13 induceren M2 macrofagen
• Plasticiteit: dezelfde macrofaag kan schakelen tussen een M1- en M2-fenotype
• Kanker: ‘wonde die niet geneest’ → te veel M2 macrofagen, te weinig M1 macrofagen
T cellen/T-lymfocyten
• Type WBC (70-80% van de WBC = lymfocyten)
• Centrale rol in cel-afhankelijke immuunsysteem
• T-celreceptor (TCR): herkent specifiek antigeen → coördineren immuunrespons
• Activatie T cellen: herkenning antigeen via T-celreceptor → extra signalen
(cytokines/chemokines) uit omgeving, afkomstig van immuuncellen, fibroblasten en
epitheelcellen (bv van signaalmoleculen: IL-1, TNF, CCL5 (Rantes), IFN-γ)
• Geactiveerde T cellen → produceren cytokines en chemokines + rekruteren andere
immuuncellen + reguleren immuunrespons + proliferatie andere T- en B-cellen + …
• Signaaltransductie:
1. Activatie van TCR → activatie van PLCγ → PIP2 wordt omgezet in IP3 en DAG → IP3
bindt aan ER
2. Vrijzetting van Ca2+ uit ER → ook RyR kunnen bijdragen aan verdere Ca2+-vrijzetting →
ER-Ca2+ voorraad daalt → STIM1 detecteert dit → activeert kanaal in
plasmamembraan (CRAC-kanaal)
3. Instroom EC Ca2+
4. Activatie transcriptiefactoren
- NFAT (nuclear Factor of activated
T-cells): essentieel voor T-
celactivatie
- CREB: reguleert genexpressie
- NF-Kβ: stimuleert ontstekings-
en immuunresponsgen
7
, • Signaal-componenten als drug-targets: immunosuppressiva
▪ ORAI/STIM1-remmers (zware metalen zoals La3+) blokkeren Ca2+-influx en
verhinderen T-celactivatie
▪ Remming kaliumkanalen vermindert Ca2+-instroom en dus T-celactivatie (positief
effect bij MS in diermodellen)
▪ Remming calcineurine (na activatie Ca2+ normaal defosforylatie NFAT →
activeert IL-2) → NFAT blijft inactief in het cytoplasma + IL-2 productie daalt sterk
→ T cellen kunnen niet volledig geactiveerd worden
▪ Klinische geneesmiddelen: Cyclosporine en Tacrolimus
▪ Gebruikt na orgaantransplantaties (geen afstoting) of bij auto-immuunziekten
Mastcellen
• Immuuncellen in de huid, luchtwegen en slijmvliezen (in circulatie + integreren in
weefsel: chemotaxis)
• Centrale speler bij allergische reactie → immuunsysteem reageert op een onschuldige
stof (pollen, noten, …) → allergeen activeert mastcellen via IgE-antilichamen op hun
oppervlak → geactiveerde mastcellen geven histamine vrij = degranulatie → histamine
zorgt voor: verwijding bloedvaten (roodheid en bloeddrukdaling) + verhoogde
vaatpermeabiliteit (zwelling) + contractie van luchtwegspieren (bronchoconstrictie) +
stimulatie van zenuwen (jeuk) → hooikoorts, astma-aanvallen, …
• Extreme activatie histamine → anafylaxie (levensbedreigend)
• Signaaltransductie
1. Sensitisatie (eerste contact): APC’s (antigeen-presenterende
cellen) nemen allergeen op → activeren T-helper 2 (Th2-
cellen) → stimuleren B-cellen om IgE-antilichamen te
produceren → binden aan FcεRI receptoren op mastcellen
▪ Persoon heeft nu meestal nog geen symptomen, maar
is wel gesensitiseerd
2. Allergische reactie (tweede contact): allergeen bindt aan
meerdere IgE-moleculen op de mastcel → mastcel wordt
geactiveerd → mastcel ondergaat degranulatie (bijzondere
vorm van exocytose)
3. Vrijzetting mediatoren: tijdens degranulatie komen stoffen vrij zoals histamine,
leukotriënen, prostaglandinen (synthese van lipiden) en cytokines → veroorzaken
symptomen
• Mastcellen zijn niet-exciteerbare cellen (geen AP + geen spanningsafhankelijke Na+- of
Ca2+- kanalen) → activatie gebeurt via FcεRI receptoren: meerdere IgE-moleculen
tegelijk → IC signaalcascade geactiveerd → vrijzetting Ca2+ uit IC voorraden → daling
Ca2+-voorraad activeert STIM1 → ORAI-kanalen (CRAC) in PM openen (activatie door
store-depletie, Ca2+ selectief) → EC Ca2+ stroomt binnen → essentieel voor degranulatie
en dus vrijzetting van histamine
• Drijvende kracht Ca2+-influx: hoe negatiever de MP (Vm) → hoe groter de DK: 2 Ca2+-
gevoelige ionenkanalen: SK4 en TRPM4 kanalen
8
,Adipocyten/vetcellen
• Witte adipocyten: slaan energie op en vormen grootste deel vetweefsel
▪ Insuline stimuleert lipogenese: opname van glucose en vorming/opslag van
triglyceriden
▪ Noradrenaline stimuleert lipolyse: afbraak triglyceriden tot vrije VZ en glycerol
• Bruine adipocyten: verbranden vet om warmte te produceren
▪ Veel mitochondriën (bruine kleur)
▪ Bij pasgeborenen om lichaamstemperatuur te bewaren
▪ Bij volwassenen beperkt bruin vet aanwezig (vooral in hals- en schouderregio)
▪ Blootstelling koude → activatie sympathisch ZS β-adrenerge receptoren op
bruine vetcellen → stijging IC [cAMP] → stimulatie lipolyse + vrijmaken VZ →
vrijgekomen VZ activeren Uncoupling Protein 1 (UCP1) in binnenmembraan van
mitochondriën → protonen stromen terug zonder ATP-productie (warmte wordt
hierdoor vrijgegeven)
• Beige adipocyten: combinatie beide types: vetcellen in wit vetweefsel die onder
bepaalde omstandigheden (bv koude blootstelling) eigenschappen van bruine vetcellen
kunnen ontwikkelen (belangrijk bij strijd tegen obesitas)
• Vetcellen produceren hormonen en signaalmoleculen (adipokines) → invloed op
energiehouding, eetlust, insulinegevoeligheid, ontstekingsreacties (vb leptine (remt
eetlust), adiponectine (verhoogt insulinegevoeligheid en werkt ontstekingsremmend),
resistine (geassocieerd met insulineresistentie) en interleukine (IL)-6 en TNF (pro-
inflammatoire cytokines die bijdragen aan chronische ontsteking) → bv andere
wondheling bij diabetes
• Bevinden zich op verschillende plaatsen in ons lichaam → plaats-specifieke
eigenschappen
9
, 2. Epitheelcellen
2.1 Beginselen van epitheelfysiologie
Epitheel en epitheelcellen
• Epitheelweefsel bedekt lichaamsoppervlakken en bekleedt organen en holtes
• Dicht opeengepakte cellen die rusten op een basaalmembraan (basale lamina)
• Vorm en aantal lagen zijn aangepast aan de functie
• Transportfunctie: regelt opname en secretie van stoffen, bepaalt samenstelling van
lichaamsvloeistoffen en zorgt voor selectief transport van ionen, water en nutriënten: vb
nier (samenstelling van elke vloeistof die ons lichaam verlaat wordt bepaald door
epitheelcellen)
• 85% van de kanker = epitheel-cel kanker = carcinoom
• Typen epitheel:
▪ Eenvoudig plaveiselepitheel (bv longblaasjes): snelle diffusie van gassen
▪ Eenvoudig kubisch epitheel (bv nier): absorptie en secretie
▪ Eenvoudig cilindrisch epitheel (bv darm): opname van voedingsstoffen
▪ Pseudomeerlagig trilhaardragend cilindrisch epitheel (bv luchtwegen): voeren slijm
en stofdeeltjes af
▪ Meerlagig plaveiselepitheel (bv slokdarm): bescherming tegen wrijving en slijtage
Vb. cerebrospinaal vocht (CSV) in de hersenen
• Secretiefunctie van gespecialiseerde epitheelcellen van plexus choroïdeus in hersenen
• Tight junctions tussen cellen zorgen voor een gecontroleerde doorgang van stoffen
• Cerebrospinaal vocht: bescherming + transport + zorgen voor stabiele omgeving
Vb. endolymfe in het binnenoor
• Stria vascularis = gespecialiseerd epitheel in de cochlea (productie endolymfe) → actief
transport van ionen, vooral K+
• Endolymfe: hoge K+-concentratie → positieve elektrische potentiaal → verschilt sterk
van andere EC vloeistoffen → belangrijk voor gehoortransductie
Opbouw
• Apicale zijde: gericht naar lumen/buitenwereld
• Basolaterale zijde: gericht naar interstitium en bloed
• Polariteit: apicale en basolaterale membraan bevatten verschillende transporteiwitten
→ gericht transport van stoffen
• Transportroutes:
▪ Transcellulair transport: doorheen de cel, via transporters en ionenkanalen
▪ Paracellulair transport: tussen cellen door, via tight junctions
• Tight epitheel: weinig paracellulair transport → hoge elektrische weerstand → hoge VTE
mogelijk
• Leaky epitheel: veel paracellulair transport → lagere elektrische weerstand → kleine VTE
10