PRAKTIJK BELEIDSMEDEWERKER
1. ONDERZOEK
Belang literatuuronderzoek
Begripsafbakening en context.
Inzicht in bestaande kennis.
Kwaliteit en onderbouwing van keuzes.
Handvatten voor literatuuronderzoek
Typologie van bronnen
Voorbeelden van bronnen voor statistieken:
o Provincies in cijfers
o Statbel (België in cijfers)
o Statistiek Vlaanderen
o Websites van gemeenten
Distributiekanaal:
o Bibliotheek
o Internet
o Actualiteit
o Beroepsgerichte bronnen: Bronnen gericht op de beroepswereld die een
meer praktische benadering van het onderwerp hanteren en dewelke
enige voorkennis vraagt om te begrijpen (bv. TED-talks over bepaalde
thema’s, The Wall Street Journal, sociaal.net).
o Wetenschappelijke bronnen: Hoogste wetenschappelijke waarde van
bronnen, dewelke geschreven en/of bekengemaakt zijn door
wetenschappers na peer review (=kritisch nagekeken door andere
wetenschappers) (bv. wetenschappelijke artikels, onderzoeksrapporten,
wetenschappelijke publicaties expertisecentra, wetenschappelijke
publicaties diensten van de overheid).
Criteria om geselecteerde bronnen kritisch te beoordelen
Autoriteit
Wie heeft de informatie verspreid?
Is de auteur vermeld?
Wat is de functie van de auteur? (Bv. wetenschapper, commercieel medewerker
van een bedrijf, particulier, …).
Heeft auteur reeds andere publicaties over het thema gepubliceerd?
Sponsoring: Wie bepaalt de inhoud op de website en wat is zijn doel?
Accuraatheid
Is de info correct?
Is de info volledig?
Is de info up-to-date?
Is er een duidelijke bronvermelding?
Datering van de informatie: recent en actueel.
Vermelding van verantwoordelijke voor de inhoud van de informatie.
Doelstelling
Wat wil men met de info bereiken? (bv. iets verkopen ⇒ nadelen minder
besproken).
Informatie wordt geselecteerd op basis van het doel.
, o ⇒ Niet 100% objectief.
o ➡ Meerdere bronnen over eenzelfde thema geven een realistischer beeld.
Doelpubliek
Breder publiek vs. Wetenschappelijk publiek:
o Breder publiek ⇒ Eerder meer algemene informatie.
o Wetenschappelijk publiek ⇒ Vaker originele papers en studies vermelden.
Analyse
Hoe tot een evenwichtige analyse komen?
o Literatuuronderzoek als methode om bestaande kennis over de
probleemstelling te verzamelen.
Goed literatuuronderzoek? Niet als opsomming of samenvatting van
bestaande kennis, maar wel een kritische bespreking van de meest
relevante informatie.
Relevantie bron beoordelen:
o Relevant = Passend bij de probleemstelling.
Wat is het probleem of de vraag in de bron?
Welke kernbegrippen staan centraal én hoe worden deze begrippen
gedefinieerd?
Is er onderzoek bij betrokken? Zo ja, hoe wordt dit onderzoek aangepakt?
Welke theorieën en modellen worden gebruikt?
Wat zijn de resultaten en conclusies van de bron en/of het onderzoek?
Hoe verhoudt de bron zich tot andere publicaties met betrekking tot het thema?
Stijlwijzer
=Waar houd ik rekening mee bij het schrijven?
Verwijzingen
Steeds tweeledig: bronverwijzing vs. bronvermelding:
Bronverwijzing Bronvermelding
Zo kort mogelijk Zo uitgebreid mogelijk
Zo vaak als nodig is Eenmalig, ondubbelzinnig
In de tekst Achteraan
Literatuurlijst
Aan het einde van het werk.
Gegevens van alle bronnen waarnaar verwezen werd in het werk, opdat ze voor
iedereen opzoekbaar en raadpleegbaar zijn.
Rangschikking:
o Alfabetisch gerangschikt.
o Publicaties van eenzelfde auteur ⇒ Op jaartal rangschikken.
Correct informatiegebruik
Auteursrecht en verbod op plagiaat.
Beroepscode, deontologie en andere maatschappelijke en wettelijke normen:
o Betrokkenen moeten nauwkeurig op de hoogte gebracht worden van wat
er met hun gegevens zal gebeuren.
o Enkel noodzakelijke gegevens verwerken.
o Anonimiseren van gegevens is vaak vereist.
2. BASISBEGRIPPEN VAN
ONDERZOEK
Handboek H1!
Begrippenlijst
Term Betekenis
,Representativiteit Veralgemeenbaarheid van resultaten
vanuit een steekproef naar de ruimere
populatie.
(Wetenschappelijk verantwoord) onderzoek
=Onderzoek is een doelgericht proces waarbij men op een systematische
manier op basis van een onderzoeksontwerp, data verzamelt en
analyseert, om op een betrouwbare en valide wijze onderzoeksvragen te
beantwoorden die deel uitmaken van een probleemstelling.
Soorten onderzoek
➡ Steeds wetenschappelijk aanpak: Systematisch én transparant.
Fundamenteel/theoriegericht onderzoek
Doel: Kennisvermeerdering: Bijdragen aan (het ontwikkelen van)
algemeen geldende, wetenschappelijke kennis.
o ➡ Theoretische relevantie: Simpelweg kennisvermeerdering als doel
(i.t.t. meerwaarde of toepassing in de praktijk).
➡ Alhoewel anderen deze kennis kunnen en waarschijnlijk zullen
toepassen in de praktijk, is dat niet het voornaamste of originele
doel van de onderzoeker.
Opdrachtgever: Meestal uitgevoerd door universiteiten en
onderzoeksinstellingen.
Praktijkgericht/toegepast onderzoek
Doel: Vragen uit de praktijk beantwoorden: Kennis opleveren (vanuit
analyse van de werkelijkheid) die men in staat stelt de maatschappelijke
verschijnselen in kwestie te beïnvloeden, veranderen.
Opdrachtgever: Meestal uitgevoerd door bedrijven en overheden.
-
Centraal in hogescholen.
o Bv. Mobile and care: expertisecentrum Zorg en welzijn Thomas More
o Bv. Cebud: expertisecentrum Budget en financieel welzijn Thomas More
Actieonderzoek
=Onderzoeker wordt zelf betrokken bij het ontwerpen, uitvoeren, evalueren
en bijsturen van een interventie, op basis van diens eigen aanbevelingen.
o Eventueel in samenwerking met professionals (uit het werkveld).
---
Kwantitatief
In de breedte onderzoeken.
Doel: Ideeën, attitudes, stellingen en/of gedragingen beschrijven.
o ⇒ Verkregen informatie omzetten in statistieken.
Onderzoeker streeft naar representativiteit* ⇒ Steekproef vs. Ruimere
populatie.
o ⇒ Steekproef moet voldoende groot zijn opdat de resultaten te
veralgemenen zijn naar de ruimere populatie.
Kwalitatief
In de diepte onderzoeken.
Doel: Belevingen en betekenissen van bepaalde personen (die ze aan
handelingen, gebeurtenissen, … geven) onderzoeken.
o ⇒ Verkregen informatie omzetten in narratief.
Onderzoeker streeft naar diversiteit, naar rijkdom aan informatie bij de
onderzochte doelgroep.
o ⇒ Steekproef is klein(er).
, Eisen aan onderzoek
Wetenschappelijke eisen
Empirisch
Gericht op onderwerpen, vragen of veronderstellingen die waarneembaar zijn
in de werkelijkheid (bv. de geloofsbelevingen van mensen (i.t.t. het bestaan
van God)).
Formuleren van een onderzoeksvraag/hypothese ⇒ Nagaan in de
realiteit.
o Hypothese moet falsifieerbaar zijn.
Onafhankelijkheid van opdrachtgever én onderzoeker
=Niet beïnvloed door wat men verwacht dat de resultaten zullen zijn, wat men
wil dat de resultaten zijn, … .
Betrouwbaarheid
Exactheid van het onderzoek: Bij herhaaldelijke uitvoering dient men zeer
vergelijkbare of dezelfde resultaten te bekomen.
o ⇒ Resultaten onafhankelijk van toeval.
Alhoewel toevalsfouten (=error) altijd kunnen voorvallen (bv.
deelnemer die toevallig de vragenlijst foutief invult, toeval bepaalt
wie in de steekproef wordt opgenomen en wie niet, …). ⇒ Kans zo
klein mogelijk maken: Nauwkeurig te werk gaan: Volledig
uitschrijven van een onderzoeksplan.
Validiteit (=geldigheid)
Meet je wat je voor ogen had; wat je zegt te meten?
Systematische fouten ⇒ Vertekening (=bias) van de onderzoeksresultaten
(bv. sociaal wenselijke antwoorden, onderzoeker die resultaten in een bepaalde
richting stuurt).
Interne validiteit vs. Externe validiteit: De onderzoeksresultaten
beantwoorden de onderzoeksvraag vs. De onderzoeksresultaten gelden buiten
het onderzoek; ze zijn veralgemeenbaar.
Figuur: Betrouwbaar vs. Valide
“Puntjes” zijn resultaten
Betrouwbaar: Alle resultaten liggen dicht bij elkaar.
Valide: Alle resultaten hebben geen systematische afwijking in een bepaalde
richting.
Ethische eisen
Recht op informatie
Opdrachtgever en onderzoeker, doel onderzoek, bestemming resultaten, … .
o ➡ Niet alle informatie kan bij elk onderzoek aan de deelnemer gegeven
worden, om sociaal wenselijke antwoorden of gedrag (=systematische
fouten) te voorkomen.
Vrijwilligheid
=Participatie aan onderzoek o.b.v. eigen vrije wil, gedurende het hele
onderzoek.