H1: spraakaudiometrie
1.1Toonaudiometrie VS spraakaudiometrie
Toonaudiometrie
Zuivere tonen worden gebruikt als stimuli
o Zorgt ervoor dat we een auditieve detectie kunnen vormen, MAAR
spraak en achtergrondlawaai kunnen niet gemeten worden
Enkel kwantitatieve beoordeling
Kan enkel uitgevoerd worden in een geluidsdichte cabine
Spraakaudiometrie
Spraaksignalen worden gebruikt als testsignaal
Kwalitatieve beoordeling van
o Evalueert het nazeggen van spraaksignalen
Hierdoor komt het onderscheid tussen ‘horen’ en ‘verstaan’
duidelijk naar boven
Geeft weer hoe iemand functioneel zijn gehoor gebruikt in het dagelijkse
leven
Gaat om de capaciteit om spraak op te vangen, te verwerken en te
reproduceren
Kan enkel uitgevoerd worden in een geluidsdichte cabine
Tonale audiometrie Spraakaudiometrie
Stimuli Zuivere tonen Spraak
Reactie Aangeven of de toon gehoord Nazeggen
werd
Resultaat Frequentie specifiek Niet-frequentiespecifiek
Doel Aard en ernst van het Sociale waarde van het restgehoor
gehoorverlies bepalen bepalen
Waarom wordt na een tonale audiometrie ook een spraakaudiometrie
uitgevoerd?
Omdat onderscheid te achterhalen tussen wat de patiënt hoort en wat ze
verstaat
Tonale audiometrie geeft amper informatie over dagelijkse complexere
geluidspatronen
1.2Doel van spraakaudiometrie
Functionele impact van gehoorverlies in het dagelijkse leven
Mate van sociale handicap bepalen
Aanvulling/controle tonale gegevens
Alternatief tonale audio bij moeilijk-te-testen-groep
Selectie middenoorreconstruerende operaties
Info hoortraining/spraakafzientraining
Hoortoestelaanpassing
1
, Inleiding audiologie
Bepalen vaardigheid liplezen/ spraakafzien
1.32 luiken van spraakaudiometrie
1. Discriminatiemetingen
Na gaan van percentage van verstaanbaarheid op verschillende
intensiteiten (dB SPL)
Op supraliminair niveau
o Supraliminair = boven de gehoordrempel
testen
Resultaat
o Kromme
o Spraakaudiogram
o PI-functie (= performantie-intensiteitsfunctie)
Wat is de performantie van een persoon op een bepaalde
intensiteit
2. Drempelmetingen
Spraakverstaandbaarheidsdrempel (SRT)
Geluidssterkte waarop losse woorden of ander taalmateriaal voor de helft
verstaanbaar is (50%)
Het niveau waarop een patiënt 50% kan verstaan
o 50% juist
o 50% fout
Op grafiek hierboven is SRT = 55
Drempelwaarde = liminaire vocale audiometrie
Spraakdetectiedrempelmeting (SDT)
De geluidssterkte waarop de aanwezigheid van spraak (NIET DE
VERSTAANBAARHEID) in de helft van de presentaties correct gesignaleerd
wordt (50%)
Woordjes steeds luider aanbieden tot iemand het kan horen, hij moet dit
niet verstaan
1.4Setup spraakaudiometrie
In stilte geen beïnvloeding van omgevingsruis
Als de testwoorden vanop een compact disc (CD) naar een audiometer
doorgestuurd worden moet de onderzoeker zich niet afzonderen
Indien de test met ‘live voice’ wordt gepresenteerd via microfoon moet de
onderzoeker zich ook in stilte afzonderen
Essentiële onderdelen
o VU-meter
2
, Inleiding audiologie
o Talk-over-systeem
o Talk-back systeem
De output wordt zelf gekozen
1.5
Stimuli spraakaudiometrie
Cijfermateriaal (LINT)
Nonsensewoorden
o Woorden die geen betekenis hebben
Eenlettergrepige woorden (NVA-lijsten, brugse lijsten)
Spondeewoorden (BLU-lijsten)
o Tweelettergrepige woorden,
De lettergrepen NIET gelijkend zijn
Op geen van beide ligt de klemtoon
o Elke lettergreep zijn CVC-woorden
CVC-woorden = consonant, vocaal, consonant
Meerlettergrepige woorden
Zinnen (LIST, zinnen van Plomp en Mimpen)
Beïnvloedende factoren op resultaten
Gehoor van patiënt
De taalkennis van de patiënt
o Spraakstimuli wordt zo gekozen dat het zeker tot de woordenschat
van de proefpersoon behoort
o Dagelijkse woorden
Het spraakproductievermogen van de patiënt
o Uitspraakfouten kan leiden tot vervalste resultaten
o Oplossing = prenten met afbeeldingen
Ordening van stimuli op basis van redundantie
Redundantie = de mate van context die aanwezig is om het missende deel
aan te vullen
Als je spraakstimuli ordent op basis van redunantie bekom je deze lijst
o Nonsenswoorden, eenlettergrepige woorden, getallen,
spondeewoorden, eenlettergrepige woorden, zinnen
Hoe redundanter, hoe kleiner statische normale drempelwaarden
NVA = meest redundant
3