Belang van kanker, in België is kanker de tweede belangrijkste doodsoorzaak, na cardiovasculaire ziekten.
Definities en algemene begrippen
Neoplasie en tumor;
Neoplasie = nieuwe groei
Tumor;
oorspronkelijk; zwelling door ontsteking
Tegenwoordig; synoniem voor neoplasie (gezwel).
Moleculaire definitie van tumor; een tumor ontstaat door mutaties in het DNA van een cel. Deze
mutaties geven de cel een groei en overlevingsvoordeel ten opzichte van normale cellen. De gemuteerde
moedercellen geeft deze mutaties door aan haar dochtercellen tijdens celdeling. Daardoor ontstaat een
populatie cellen die allemaal afstammen van een oorspronkelijk cel → tumoren zijn clonaal.
Mutaties geven; groeivoordeel, overlevingsvordeel en autonome proliferatie (onafhankelijk van extra
signalen).
Eigenschappen van tumorcellen;
Tumorcellen hebben een autonome groei; ze groeien onafhankelijk van normale groeisignalen. Normale
cellen; passen zich aan de fysiologische noden van het lichaam aan. Stoppen met delen wanneer nodig.
kankercellen; doen dit niet, groeien ongecontroleerd, agressief en anarchistisch (volgen geen normale
regulatie)
Basiscomponenten van tumoren;
Clonaal; alle tumorcellen komen van een voorloper cel. De clonale tumorcellen vormen het
tumorparenchym. Het lichaam reageert op deze tumorcellen. Daardoor ontstaat een reactief
tumorstroma.
Bijna alle tumoren bestaan uit;
Tumorparenchym; de neoplastische (clonale) cellen. Bepaalt classificatie en naam.
Tumorstroma (reactief);
o Bindweefsel
o Fibroblasten
o Bloedvaten
o Immuncellen (lymfocyten, macrofagen, neurofielen)
o Belangrijk voor groei en metastase.
De stroma ondersteunt de tumor en speelt een belangrijke rol bij; tumorgroei, invasie en metastasering.
Desmoplastische reactie; veel collageenrijk stroma → lijkt op cel arm bindweefsels. Wordt desmoplasie
genoemd.
Tumor = clonale proliferatie van cellen door DNA-mutaties met groei en overlevingsvoordeel → autonome
groei.
,tumorcellen (celmorfologie); tumorcellen vertonen
vaak vertonen onregelmatige kernen. Wanneer de
kern onregelmatig is, is meestal ook de celvormig
Onregelmatig.
Kenmerken van kwaadaardige cellen;
• Vergrote kernen
• Onregelmatige kernvormen
• Donkere kleuring (hyperchromasie)
• Verhoogde kern/cytoplasma ratio
Immuun cellen in tumorreactie/ontstekingsreactie;
Lymfocyten; belangrijk in de immuunreactie tegen tumor of trauma. Spelen een rol in de specifieke
immuniteit.
Plasmocyten; ontstaan uit B-lymfocyten, produceren antilichamen (antistoffen).
Macrofagen; kunnen tumorcellen fagocyten (opeten). Ontstaan uit monocyten (bloed).
Belangrijk in; immuunrespons, ontsteking, tumorstroma.
Granulocyten;
Neurofiele granulocyten; hebben typisch een meerlagige kern met meestal 3-5 segmenten (niet
meerdere aparte kernen). Belangrijk bij; acute ontsteking en bacteriële infecties.
Eosinofiele granulocyten; hebben typisch een bilobulaire kern (2 lobben). Cytoplasma bevat rode/oranje
korrels. Belangrijk bij; parasitaire infecties en allergische reacties.
Basisindeling van tumoren;
Benigne (goedaardig).
o Geen invasie of destructie
o Blijven lokaal
o Geen metastasen
o Therapie meestal chirurgie
o Kunnen toch morbiditeit veroorzaken (bv hersenen)
Maligne (kwaadaardig = kanker)
o Invasieve groei
o Destructie van omliggend weefsel
o Metastasen mogelijk
o Prognose niet altijd slecht
Naamgeving van tumoren;
Naamgeving gebaseerd op 2 criteria:
1. Klinisch gedrag; benigne of maligne
2. Histogenese; weefsel van oorsprong
Histologie; epitheel versus mesenchym.
,Epitheel; bedekt;
o Huid (epidermis)
o Slijmvlies (mond, darm, luchtwegen, uterus)
o Klieren (borst, prostaat, pancreas, speekselklieren)
o Lever en nieren (grotendeels)
Kenmerken; cellageen stevig verbonden en rusten op basale membraan.
2 hoofdtypes epitheel;
Meerlagig plavesiepitheel; huid, mond, slokdarm, anus en keel
Eenlagig/klierepthieel; maag, darm, rectum, klieren.
Tumoren van epitheel
Maligne → carcinomen.
Plavesicelcarcinoom → uit meerlagig plaveisepitheel.
Adenocarcinoom → uit kliereptiheel
Benigne;
Papilloom → plaveisephiteel
Adenoom → kliereptiheel.
Kleuring; hematoxyline en eosine.
Hematoxyline is een basische kleurstof; bindt aan zure
structuren in de cel, zoals DNA en RNA. Daarom kleurt de
celkern blauw/paars (basofiel).
Eosine is een zure kleurstof; bindt aan basische eiwitten
in het cytoplasma roze tot rode (eosinofiel).
Collageenvezels kleuren ook sterk roze met eosine.
Tumorcellen liggen vaak Same gegroepeerd in nestjes of
strengen. Elke tumorcel bevat;
• een celkern,
• vaak zichtbaar nucleolus
• een hoeveelheid cytoplasma
Nucleolus; plaats waar ribosomen, worden geproduceerd vaak duidelijk zichtbaar in tumorcellen door
verhoogde eiwitproductie.
Tumorstroma: rond de tumorcellen bevindt zich vak stroma; bindweefsel, bloedvaten en immuun cellen.
Dit stroma kan bleker kleuren op H&E (door collageen en minder cellen). Meer cellen bevatten dan
normaal bindweefsel.
Daarom spreekt men van reactief tumorstroma. Het lichaam reageert op de tumor → vorming van
bindweefsel en ontstekingscellen.
, Tumor met veel stroma dat vooral bestaat uit
collageenvezels;
De blauwe bolletjes die je onder de microscoop ziet,
zijn de celkernen. In de celkernen kan je vaak de
nucleolus zien. Rond de kern bevindt zich het
cytoplasma (meestal roze gekleurd met eosine).
Tumoren met veel stroma;
Sommige tumoren bevatten;
• veel stoma
• weining tumorcellen
• veel collageenvezels
• weining cellen in het bindweefselc
Dit noemt men een desmoplastische of stromarijke tumor. De stroma ontstaat als reactie van het
lichaam op de tumor (reactief tumorstroma).
Goedaardige en kwaadaardige tumoren:
Goedaardige tumor:
• Groeit niet agressief,
• blijft gelokaliseerd op de plaats van ontstaan.
• Dringt niet binnen in omliggende weefsels (geen invasie).
• Geen metastasen.
• Vaak goed afgrensbaar.
Belangrijk; goedaardiger tumoren kunnen toch ernstige symptomen geven afhankelijk van de locatie.
Bijvoorbeeld in de hersenen; weinig ruimte → snel klachten, moeilijk chirurgisch te verwijderen.
Kwaadaardige tumor;
• Groeit agressief
• Tumorcellen infiltreren tussen de normale cellen
• Veroorzaken weefseldestructie
• Kunnen metastasen vormen (uitzaaiingen)
• Dit is het belangrijkste kenmerk van kanker.
Betekenis kanker; de term kanker wordt alleen gebruikt voor maligne tumoren. Het woord komt van het
latijn cancer = krab; omdat de tumor zich vastgrijp in het omliggende weefsel zoals een krab met zijn
poten.
Prognose van kwaadaardige tumoren; een kwaadaardige tumor is niet altijd fataal, als kanker vroeg
wordt ontdekt, kan de prognose goed zijn, vroege detectie is zeer belangrijk.
Proces van weefselonderzoek (histologie);