HIR en TEW 2025/26
,Hoofdstuk 16: Macro-economische analyse: wat en waarom?
Hoofdstuk 17: De nationale rekeningen
Hoofdstuk 18: Het bbp als maatstaf voor de economische activiteit
Hoofdstuk 28: Economische groei op lange termijn
Hoofdstuk 19: Geld en het bankwezen
Hoofdstuk 24: De vraagzijde en de reële sfeer
Hoofdstuk 25: Het IS-LM-model
Hoofdstuk 22: De overheid
Hoofdstuk 21: De arbeidsmarkt
Hoofdstuk 26: Het AA-AV-model
Hoofdstuk 27: Phillipscurve
Hoofdstuk 23: Wisselmarkten
Hoofdstuk 30: Globalisering en internationale handel
1
,Hoofdstuk 16: Macro-economische analyse: wat en waarom?
Macro-economie ≠ altijd optelsom van micro-economieën. Waarom niet?
1. Band tussen markten van finale goederen en markten van productiefactoren
- Economische kringloop en Wet Van Say
2. Gebruik van geld
3. Informatie- en coördinatieproblemen die economie impacteren
Motivatie voor overheidsinterventie
Macro-economie bestaat uit drie delen:
1. Lange-termijn groei
2. Korte-termijn fluctuaties in reële output en tewerkstelling
3. Verandering in nominale variabelen (bv. inflatie en nominaal BBP)
Op lange termijn: geen nominale variabelen ( geld neutraal) (geldt niet op korte termijn)
Wet van Say: ‘Elk aanbod creëert zijn eigen vraag’ ( sparen is niet mogelijk)
Productie leidt vanzelf tot vraag naar goederen en diensten
Identiteit van Fisher: P • Q = M • V goederenstroom = geldstroom
- P • Q = goederenstroom, M = geldhoeveelheid, V = omloopsnelheid van geld
- Geldwaarde van de goederenstroom = waarde van geldstroom
Er zijn ‘lekken’ van geld: alles dat geproduceerd wordt, wordt
verkocht aan gezinnen:
- Lek naar overheid: belastingen ( publieke goederen,
subsidies, inkomenstransfers …)
- Lek naar kapitaalmarkt: deel van productie machines
- Lek naar buitenland: export naar buitenland ( gezinnen
kunnen minder kopen in binnenland kopen uit
buitenland (import))
Som van alle groene pijlen moet gelijk zijn!
Op KT moeten niet alle tegengestelde pijlen gelijk
zijn, op LT wel (bv. op LT export = import, machines = interest + spaargeld)
Conclusie: macro-economie is één grote kringloop
Coördinatieproblemen:
Voorbeeld 1: investeringen
Motivatie voor investeringen:
- Verwachting dat toekomstige vraag zal stijgen, maar onzekerheid:
- Bedrijven kijken naar elkaar: investeringsboom met zelfvoedend karakter:
Bedrijf A investeert Bedrijf B investeert Bedrijf C,D,E… volgen
- Of omgekeerd: Investeringsdaling met zelfvoedend karakter:
Bedrijf A investeert minder Bedrijf B investeert minder Bedrijf C,D,E…
volgen recessie
Dit zijn ‘Animal spirits’: vlagen van optimisme en pessimisme kuddegedrag van bedrijven
Voorbeeld 2: Spaarparadox
Neiging tot meer sparen minder sparen:
Stel: er wordt meer gespaard minder vraag/consumptie, minder productie, inkomen men kan
minder sparen dan gepland: individuele rationaliteit (=sparen) collectief ongunstig resultaat
(=recessie) Samengevat: neiging tot meer sparen minder sparen door collectief effect van
toegenomen sparen
Cfr. slides Evolutie in macro-economisch denken (Adam Smith, Keynes, Grote Depressie)
2
,Hoofdstuk 17: De Nationale Rekeningen
Nationale rekeningen = heel kader statistieken dat alle aspecten van economie in kaart brengt
- Nationale rekeningen streven volledigheid en nauwkeurigheid na: de facto zeer
benaderend
- Sterktes:
1. Volledig – alle economische activiteit
2. Consistent kader: inkomen = toegevoegde waarde:
leidt tot drie zijden van dezelfde medaille: hoe BBP berekenen?
a. BBP (productiebenadering)
b. Nationaal inkomen (inkomensbenadering)
c. Bestedingen (bestedingsbenadering)
a. = b. = c.
- Zwaktes:
a. Enkel markteconomie (vrijwilligerswerk, huishoudwerk,
onderwijskwaliteits … tellen allemaal niet mee)
b. Houdt geen rekening met uitputting natuurlijk kapitaal
c. Productie ≠ nut: bv. reparaties na storm verhogen BBP
Finale goederen, bv. brood.
Intermediaire goederen, bv. tarwe en meel (worden niet meegeteld in bbp, anders dubbeltelling)
BBP = som toegvoegde waarden = som inkomens = som bestedingen
- Bruto in BBP: geen correctie voor depreciatie van kapitaal
- Binnenlands in BBP: territoriaal begrip
- Product in BBP: toegevoegde waarde van productie = inkomen verdiend = bestedingen =
waarde finale goederen en diensten
BBP = stroomvariabele: dus: BBP = over een bepaalde periode ≠ momentopname
Overheidssector moeilijk meetbaar: inputs politie gekend, maar wat is de waarde van veiligheid?
We veronderstellen: Waarde overheidsproductie = lonen + waarde intermediaire inputs
Dus: toegevoegde waarde overheidssector = lonen + wedden ambtenaren ≠ overheidsuitgaven
Belangrijk:
- Transfers (bv. pensioenen) van overheid tellen niet mee in BBP!
- Huishoudelijke productie zit niet in BBP (kinderen opvoeden, eten maken …) niet op
markt verkocht geen waarde
- Toegerekende huur wél in BBP!
- Diensten veruit grootste speler
in BBP(+/- 80%) (en blijft )
- Belang industrie in BBP
- Belang landbouw in BBP is
klein
3
, - Verschil tussen landen is hoger
in tewerkstelling dan in BBP
Belgisch BBP in 2024: 620 miljard euro
Inkomensbenadering van BBP
- Yarb = arbeidsinkomen
- Yven = bruto-exploitatieoverschot (= vergoeding voor eigen en vreemd vermogen (noitioneel
inkomen, huur activa, rente op lening… = omzet – kosten – lonen) + gemengd inkomen (=
inkomen van zelfstandige = arbeid + kapitaal)
- Tind = Netto indirecte belastingen (bv. btw)
Dus: BBPink = Yarb + Yven + Tind
Loonaandeel in nationaal inkomen in veel landen (kleiner deel naar arbeidsinkomen, groter naar
kapitaalinkomen)
Bestedingsbenadering van BBP
BBPbest = som van waarde van alle finale goederen = C + G + I + X – Z
C = private consumptie, G = consumptie van overheid, I = investeringen, X = export, Z = import
netto-export = X – Z zegt niets over grootte van X of Z, wel over hun verschil.
In België in 2024: C ≈ helft van bbp, G en I ≈ 25% BBP, netto-export = X – Z : soms negatief, soms
positief, rond 0
Doorheen de jaren:
C , G
- I en X – Z (= netto-export) = volatiel
Let op: lijkt dat BBP daalt als import daalt: niet
het geval! We kunnen dezelfde formule
herschrijven met aparte variabelen voor
binnenlands geproduceerde (“Nat”) en
geïmporteerde bestedingen (“Z”)
Investeringen: twee vormen:
- Vaste kapitaalvorming
- Voorraadvorming: als voorraad op einde jaar hoger is dan in begin: niet-verkochte goederen
wordt als investering beschouwd: I
productiebandering BBP bevat toegevoegde waarde van niet-verkochte goederen
Bruto- vs netto-investeringen: depreciatie op kapitaalvoorraad:
Inetto = I – Dep of NBP = BBP – Dep = C + G + Inetto + X – Z
BBP – X – Z = C + G + I = binnenlandse absorptie = som alle binnenlandse consumptie en alle
binnenlandse investeringen.
Er moeten vaak correcties gemaakt om bbp te doen kloppen, want statistische discrepantie term (bv.
door meetfouten, verschillende timing, onvolledige gegevens …) anders BBP best ≠ BBPink ≠ BBPtgv. w.
Betalingsbalans = waarde van economische transacties in een jaar tussen land en rest van de wereld
= Lopende rekening + Kapitaalrekening + Financiële rekening
1. Lopende rekening (= handelsbalans + primaire en secundaire inkomens) = X - Z + NFIB +
NTRA = netto ‘inkomen’ uit het buitenland Hoe groter de LR, hoe groter de netto
instroom van geld uit het buitenland
Horizontaal:
a. Handelsbalans:
- Export (X)
- Import: (Z)
b. Primair inkomen:
- Bijvoorbeeld: arbeidsinkomens van pendelarbeiders of vermogensinkomens
4
, - Saldo inkomende en uitgaande stromen: netto factorinkomens (NFIB)
c. Secundair inkomen:
- Bijvoorbeeld: geldzendingen van migranten naar thuisland, ontwikkelingshulp
- Netto-inkomenstransfers uit buitenland (NTRA)
Verticaal:
a. Credit: transactie instroom van middelen vanuit buitenland: export goederen en
diensten, primaire en secundaire inkomensrekening
b. Debet: transactie uitstroom van middelen naar buitenland: invoer goederen en
diensten, primair en secundair inkomen dat wij aan buitenland betalen
2. Kapitaalrekening
a. aankopen en verkopen van niet-geproduceerde, niet-financiële activa
b. Transfers en (vermogens) overdrachten: bv. schuldkwijtscheldingen of kapitaalgiften
Credit: geld komt ons land binnen
Debet: geld verlaat ons land
3. Financiële rekening (= veranderingen in tegoeden (activa) en verplichtingen (passiva)) (deze
drie zijn stroomvariabelen):
Netto-tegoeden = tegoeden – verplichtingen:
- Positief: toename onze bezittingen in buitenland > buitenlandse bezittingen in
ons land
- Negatief: toename onze bezittingen in buitenland < buitenlandse bezittingen
in ons land
5
,Financiële rekening volledig bepaald door saldo op LR en KR saldo FR bevat geen nieuwe info
balans altijd in evenwicht: FR + LR + KR = 0
- Overschot op LR + KR (credits > debits):
- Netto-tegoed middelen stromen land binnen bv. internationale reserves,
investeringen/beleggingen in buitenland…
- Tekort op LR + KR (debits > credits):
- Netto-tegoed middelen stromen land uit bv. compenseren via buitenlands
kredieten
Overschot in één land tekort in ander land
Nationaal inkomen
Nationaal inkomen = inkomen waarover ‘Belgen’ beschikken
Bruto nationaal inkomen = BBP + instroom buitenlandse factorinkomens – uitstroom buitenlandse
factorinkomen BNI = BBP + FIBin - FIBuit = BBP + NFIB
NFIB is…:
- Negatief: BBP > BNI: veel buitenlandse investeringen dividenden en interesten
buitenland (bv. Luxemburg, Ierland), dus: buitenlanders investeren
meer in bv. Ierland dan Ierlanders in buitenland.
- Positief: BBP < BNI (bv. Zwitserland) Zwitsers investeren meer in
buitenland dan buitenlanders in Zwitserland
BNI naar NNI: NNI = BNI - Dep
Netto nationaal beschikbaar inkomen = NNBI = NNI + NTRA
Dan: NNBI = NNI + (TRAin - TRAuit) = NNI + NTRA = BBP + NFIB - Dep + NTRA = wat het land
binnenkomt = beschikbaar inkomen
Dus: LR = NNBI – (C+G+Inetto) NNBI = LR + (C+G+Inetto)
- Deficit op LR NNBI < netto binnenlandse
vraag: land geeft meer uit dan binnenkomt
tekort financieren: buitenlandse leningen,
internationale reserves verkopen…
- Surplus op LR NNBI > neto binnenlandse
vraag:
Land geeft minder uit dan zijn beschikbaar inkomen
overschot reserves opbouwen, schulden
afbetalen….
Als er meer middelen (geld) van het buitenland naar het binnenland dan van het binnenland naar het
buitenland gaan, dan is LR > 0. En omgekeerd. Hoe groter de LR, hoe groter de netto instroom van
geld uit het buitenland.
- Surpluslanden: China, Duitsland, Japan
- Deficitlanden: VS, VK
- België: lange tijd groot overschot op LR, niet langer het geval
Som van LR van alle landen samen = 0 (transactie op LR wordt omgekeerd geboekt in twee landen)
NNBI gezinnen en overheid: consumptie gezinnen C en consumptie overheid G
Niet-geconsumeerde deel van NNBI = (netto) nationaal sparen (S)
Dus: NNBI = C + G + S S = NNBI – C – G = Inetto + LR (want NNBI = C + Inetto + G + LR)
T = netto belastingen = beschikbaar inkomen overheid
Dus: sparen van…:
- Gezinnen: Spri
- Overheid: Spub (deficit is ontsparen: D = -Spub)
S = Spri + Spub NNBI = C + G + Inetto + LR = C + G + Spri + Spub
Inetto + LR = Spri + Spub (verband tussen sparen en investeren)
6
,Drie interpretaties van Inetto + LR = Spri + Spub
1. Gesloten economie (LR = 0)
Inetto = Spri + Spub sparen financiert investeringen kapitaalstock
Spri = Inetto - Spub = Inetto + overheidsdeficit
2. In open economie (dus incl. buitenland) met overschot op LR (LR > 0):
Nationaal sparen financiert investeringen + vorderingen op buitenland
Privaat sparen financiert investeringen + overheidsdeficit + vorderingen op buitenland
- Spri = Inetto + LR – Spub
3. In open economie (dus incl. buitenland) met tekort op LR (LR < 0):
Netto-investeringen gefinancierd door:
- Buitenlands sparen
- Buitenlandse leningen (krediet vanuit buitenland)
- Stel: -LR = Sbui Inetto = Spri + Spub – LR Inetto = Spri + Ssub + Sbui
Twin deficits: LRbinnenlands onevenwicht = - buitenlands onevenwicht:
Inetto = S - LR Inetto – S = – LR
Inetto = I – Dep > 0 kapitaalstock , Inetto = I – Dep < 0 kapitaalstock
m.a.w. als de investeringen in kapitaal groter (resp. kleiner) zijn dan de depreciatie van het
kapitaal kapitaalstock (resp. )
Tekort op lopende rekeningen is niet per se slecht:
- Per definitie kan ook niet elk land positief saldo hebben
- Bv. economisch jong land met lage spaarcapaciteit + nood aan veel kapitaal
Langdurige tekorten kunnen wél problematisch zijn:
- Uitgeputte reserves
- Lage instroom van buitenlandse middelen
- Evenwicht herstellen deficit op LR terugdringen = LR : LR = S – Inetto
Dus: Inetto en/of S
7
,Hoofdstuk 18: Het bbp als maatstaf van de economische activiteit
Reëel bbp te bepalen op drie manieren! (cfr. hoofstuk 17)
Veranderingen in prijzen, hoeveelheden verandering in bbp
- Nominaal bbp = bbp tegen lopende prijzen = waarde-indicator
neemt prijs- en hoeveelheidswijzigingen in beschouwing
- Reëel bpp = bbp tegen constante prijzen uit een gekozen basisjaar = hoeveelheidsindicator
neemt enkel hoeveelheidswijzigingen in beschouwing
Maar, praktisch probleem: constante prijzen raken steeds verder achterop in de tijd
methode van kettingprijzen:
1. In jaar t, prijzen van jaar t-1 gebruiken (reëel bbp)
2. Groeivoet reëel bbp berekenen
3. Groeivoet toepassen op reëel bbp van jaar t-1 voor reëel bbp jaar t
Merk op: in basisjaar: nominaal bbp = reëel bbp
Link tussen nominaal en reëel bbp:
- Bbp-deflator Pt: bbpreëel•Pt= bbpnom
Bbp-deflator Pt (= Paasche index) = nominaal/reëel bbp:
- Teller: nominaal bbp gewogen gemiddelde van prijzen pt in jaar t
- Noemer: reëel bbp gewogen gemiddelde van prijzen p0 in basisjaar
- qti : Wegingsfactoren in teller en noemer
- Inflatie: t = (Pt – P0)/P0 (in % procentuele verandering van de prijzen)
Consumptieprijsindex (CPI) (= Laspeyres-index):
- indexkorf maandelijks gemeten
- gebruikt voor indexatie van lonen
- CPI = kost prijs winkelkar jaar 1/kost prijs winkelkar jaar 0 constante hoeveelheden, maar
veranderende prijzen
- Wordt ook gebruikt voor aparte sectoren: gezondheid, onderwijs …
De facto is verandering van bbp interessant, niet per se niveau zelf.
Exponentiële en logaritmische functies benadering groei
Vuistregel: tijd om bbp te verdubbelen: t ≈ 70/g (g = groeivoet)
Dus: groei van 2% per jaar t = 35 jaar nodig voor verdubbeling van bbp
Conjunctuur = korte en middellange schommelingen rond de lange termijn groei
- Potentieel bbp: wat we denken dat mogelijk is om op lange termijn te produceren
Hoe bepalen we die?
1. Via statistische techniek: regressie (trend-bbp genoemd)
2. Volledige kapitaalstok en volledige terwerkstelling potentieel bbp bepalen
Outputkloof = afwijking van trend = bbp – potentieel bbp:
8
, - Positief: bbp > potentieel bbp: hoogconjunctuur (feitelijke groei > langetermijn
gemiddelde) ~ lage werkloosheid
- Negatief: bbp < potentieel bbp: laagconjunctuur (langetermijn gemiddelde >
feitelijke groei) ~ hoge werkloosheid
Recessie: twee opeenvolgende kwartalen met negatieve groei (≠ laagconjunctuur)
Great moderation: internationale handel vaak gelijktijdig wel/geen recessies in (buur)landen
Reële groei = nominale groei – inflatie
(deflatie = negatieve inflatie)
De euro heeft niet gezorgd voor stijgende prijzen, velen hebben die verandering wel zo gepercipieerd
Waarom kritiek op bbp als welvaartsparameter?
1. Bbp neemt bepaalde activiteiten die welvaartsverhogend zijn niet op: huishoudelijk
werk, goed onderwijs, mooie omgeving…
2. Bbp neemt bepaalde activiteiten die niet welvaartsverhogend zijn op:
verkeersongevallen, reparatie van vandalisme, waterzuivering… hoger bbp, maar
welvaart blijft ongewijzigd
3. Vrije tijd niet in rekening gebracht: waar ligt de prioriteit? Meer werken of meer vrije
tijd?
4. Zegt niets over verdeling: (0,1,1,2,6) ≠ (2,2,2,2,2) (Ginicoëfficiënt = mogelijke parameter)
5. Duurzaamheid: bbp houdt geen rekening met uitputting van resources:
Overmatige productie vandaag huidig bbp ,bbp in de toekomst
Human Development Index (HDI) is een andere (betere?) welvaartsparameter
Twee kleine toepassingen:
- Inflatie of verandering in relatieve prijzen:
Baumol effect: productiviteitsstijgingen hoog in nijverheid, maar laag in diensten
gelijkaardig loon voor werknemers en diensten relatieve prijs diensten t.o.v. producten
hoog want amper geen productiviteitsstijgingen bij diensten
- ‘Huizen worden onbetaalbaar!’ Dit moeten we relativeren! Redelijk gelijke groei van prijzen
als in andere sectoren.
Hoofdstuk 28: Economische groei op lange termijn
Economische groei = toename bbp per capita
Verklaringen van groei:
- Instituties: Zie bv. Noord- vs Zuid-Korea: communisme vs kapitalisme ofwel planeconomie
vs markteconomie instituties zijn belangrijk wat economische groei betreft
- Geografie: landen in gelijke klimaatzones gelijkaardige evoluties
- Technologie
Pre-industriële periode: periodes van groei en achteruitgang (booms en busts) Malthusiaanse val:
dalende meeropbrengsten in landbouw miserie en zonde (bv. kindersterfte, hongersnood,
oorlogen …) plafond op groei en bevolking
Interantionale vergelijking van BBP gebeurt in PPP: corrigeert voor verschillen in binnenlandse prijzen
welvaart vergelijken tussen landen met andere munteenheden (PPP niet o.b.v. wisselkoersen)
- Op basis van wisselkoers (bbp per capita): VS = grootste economie
- Op basis van koopkracht ( bpp at PP): China = grootste economie
Land waarbij bbp per capita < bbp at PPP: overgewaardeerde wisselkoers (bv. Noorwegen, Australië)
‘Big Mac Index’: identieke producten in lokale munten converteren naar USD via wisselkoers:
- (Omgezette prijs in USD)/(prijs in VS in USD) > 1: overgewaardeerde munt
- (Omgezette prijs in USD)/(prijs in VS in USD) < 1: ondergewaardeerde munt
9