Examen van meerkeuze vragen met verhoogde censuur 45 vragen met elk 5 mogelijkheden.
Minimum 27/45 om te slagen. Weinig tijd.
Er mag geschreven worden in het boek (geen essays maar kleine nota’s mogen)
H1 Marketing en consumentengedrag
1.1 Marketing voor beginners
1.2 Inleiding in consumentengedrag
Consumentengedrag = omvat alle activiteiten die te maken hebben met het verkrijgen,
consumeren en zich ontdoen van producten en diensten
Brede definitie voor breed vakgebied
Een studie over veel aspecten van ons dagelijkse leven
Alle activiteiten: gevoel, emoties, gebruik, …
Verkrijgen: kopen, krijgen, lenen, …
Consumeren: eten, gebruiken, benuttigen, …
Zich ontdoen: weggooien, recycleren, verkopen, …
Producten en diensten: producten, diensten, belevingen, activiteiten, reizen, …
1.2.2 de betekenis van consumeren
Utilitaire consumptie = Functionele, praktische consumptie
De consument koopt iets omdat het een probleem oplost of een nuttige functie vervult.
Voorbeelden: boodschappen, laptop voor school, winterjas.
Voordelen:
Efficiënt: voldoet aan een directe behoefte.
Rationeel: minder risico op impulsieve fouten.
Makkelijk te vergelijken (prijs, kwaliteit, functies).
Hedonistische consumptie = Consumptie voor plezier, genot en emotie
De consument koopt iets omdat het leuk, ontspannend of emotioneel bevredigend is.
Voorbeelden: vakantie, chocolade, games, luxeproducten.
Voordelen:
Verhoogt plezier en welzijn.
Geeft motivatie, ontspanning of beloning.
Creëert positieve ervaringen en herinneringen.
1
,Sociaal-expressieve consumptie = Consumptie om identiteit en sociale status uit te drukken.
De consument koopt iets omdat het past bij hun imago of omdat het sociale erkenning
oplevert.
Voorbeelden: merkkledij, duurzame producten, sportteams merch.
Voordelen:
Helpt om jezelf te uiten (stijl, waarden, groep).
Versterkt sociale verbondenheid of status.
Kan zelfvertrouwen verhogen.
1.2.3 wie is er bezig met consumentengedrag
Economie
o In consumentengedrag kijkt economie naar hoe consumenten rationele keuzes
maken op basis van prijs, inkomen en schaarste om hun nut te maximaliseren.
Het veronderstelt vaak dat consumenten logisch en weloverwogen beslissen.
Psychologie
o Psychologie richt zich op interne processen zoals motivatie, perceptie,
attitudes en emoties die het koopgedrag van consumenten beïnvloeden. Het
verklaart waarom consumenten soms irrationele of emotionele keuzes maken.
Behavioral economics (gedragseconomie)
o Gedragseconomie combineert economie en psychologie en laat zien hoe
cognitieve biases, emoties en heuristieken leiden tot systematische
afwijkingen van rationeel gedrag. Het verklaart bijvoorbeeld impulsaankopen
en het effect van framing.
Sociologie
o Sociologie bekijkt consumentengedrag in een sociale context, waarbij normen,
cultuur, sociale klasse en referentiegroepen centraal staan. Het verklaart hoe
gedrag wordt beïnvloed door anderen en door maatschappelijke structuren.
Neuromarketing
o Neuromarketing onderzoekt consumentengedrag door hersenactiviteit en
fysiologische reacties te meten. Het probeert onbewuste voorkeuren en
emoties te begrijpen die traditionele vragenlijsten niet altijd blootleggen.
1.2.4 Nut van consumentengedrag voor marketing:
Marketeers willen klanten beïnvloeden.
o Dit kan enkel als ze inzicht hebben in waarom klanten doen wat ze doen?
Doorgronden van consumentengedrag
= Basis voor klantgerichte marketing
Marktkansen benutten
Duidelijkere en betere segmentatie
Marketingmix optimaliseren
1.3 Psychologie voor beginners
Psychologie bestudeert hoe mensen zich gedragen, hoe ze zich voelen en hoe ze denken
2
,1.3.1 Kernconcepten psychologie
Bestudeert alle vormen van gedrag
o Inwendig gedrag: denken
o Uitwendig gedrag: doen
Psychologen willen gedachten, emoties en gedrag begrijpen
Belangrijke termen:
Term Betekenis
Cognitie Cognitie verwijst naar alles wat te maken
heeft met hoe consumenten informatie
waarnemen, verwerken, onthouden en
gebruiken. Het menselijk denkvermogen.
Cognitief proces Het mentale proces waarmee een consument
informatie verwerkt, zoals denken,
interpreteren en beslissen.
Cognitieve vaardigheden De mentale capaciteiten die consumenten
gebruiken om informatie te begrijpen,
analyseren en problemen op te lossen.
Cognitive load De hoeveelheid mentale inspanning die een
consument moet leveren om informatie te
verwerken.
Cognitive ease De mate waarin informatie gemakkelijk en
zonder veel mentale inspanning wordt
verwerkt door een consument.
Affect De positieve of negatieve emotionele reactie
die een consument ervaart bij een product,
merk of situatie.
Arousal De mate van emotionele opwinding of
alertheid die een consument voelt, variërend
van kalm tot zeer actief.
Stimulus Een prikkel uit de omgeving, zoals reclame
of verpakking, die een reactie bij de
consument uitlokt.
Respons De gedragsmatige, emotionele of cognitieve
reactie van de consument op een stimulus.
Term Betekenis
Attributies De oorzaken die mensen toeschrijven aan
hun eigen of andermans gedrag
Attributietheorie Proberen te begrijpen hoe mensen hun
gedrag, succes en falen in termen van
oorzaak en gevolg, en of zij dit toeschrijven
aan factoren in of buiten hun eigen
invloedssfeer
Interne attributie Succes en falen komen door wat de persoon
zelf goed of minder goed gedaan heeft
Bv: geslaagd op het examen want goed
gestudeerd
3
, Externe attributie Succes en falen liggen buiten de eigen
invloed
Bv: niet geslaagd op examen want
leerkracht had een pik op mij
Fundamentele attributiefout De denkfout waarbij consumenten het
gedrag van anderen vooral verklaren vanuit
iemands persoonlijkheid of intenties
(bijvoorbeeld “die verkoper is
onvriendelijk”), terwijl ze de invloed van de
situatie of omstandigheden (zoals tijdsdruk
of regels van het bedrijf) onderschatten.
Term Betekenis
Betrokkenheid Geeft aan hoe belangrijk en relevant een
product is voor de consument en hoeveel
moeite hij wil doen bij de aankoop.
Hoge betrokkenheid Consumenten denken lang na en vergelijken
opties bij aankopen met een hoog risico of
hoge impact (bijv. auto, studie, duur
cadeau).
Lage betrokkenheid Consumenten maken snelle, routinematige
keuzes bij aankopen met weinig risico (bijv.
dagelijkse boodschappen zoals koffie of
fruit).
H2 Besluitvorming
We gaan er meestal vanuit dat mensen rationeel denken, maar is dat echt zo?
Neen, vaak maken consumenten irrationele keuzes.
2.1 De consument als ‘rationele probleemoplosser’
Het klassieke beslissingsmodel in marketing ziet consumenten als rationele
probleemoplossers. Dit model beschrijft hoe mensen stap voor stap tot een aankoop komen.
Deze stappen vormen de vijf fasen van het consumentenbesluitvormingsproces:
1. Probleemherkenning
De consument merkt dat er een probleem of behoefte is (bv. honger, kapotte
smartphone).
2. Informatieverzameling
De consument zoekt actief informatie over mogelijke oplossingen.
4