- Les abominables
- Les expressions idiomatiques
Les abominables
La direction n’a convaincu personne. De directie heeft niemand overtuigd.
Aucun employé ne s’est inscrit. Geen enkele werknemer heeft
ingetekend.
J’ai changé de traval il y a trois mois. Ik ben drie maand geleden van werk
Je ne dois plus parler allemand, mais veranderd. Ik moet nu geen Duits
cela me manque. meer spreken, maar ik mis het wel.
Elle voudrait suivre des cours du soir Zou ze avondlessen Spaans willen
d’espagnol ? Cette année ces cours volgen ? Dit jaar worden die lessen
sont organisés le lundi soir. georganiseerd op maandagavond.
Il y avait plusieurs étudiants qui Er waren meerdere studenten die dit
avaient remarqué ce probléme. probleem hadden opgemerkt.
Au premier étage, tu retrouves tous Op de eerste verdieping vind je alle
les vieux articles de presse. oude krantenartikels terug.
Vous dites toujours la même chose, Jullie zeggen altijd hetzelfde maar
mais finalement vous ne faites rien. doen uiteindelijk niets.
J’aime travailler comme vendeur Ik werk graag als autoverkoper. Het is
automobile. C’est un secteur een boeiende sector, je kan de
passionnant, vous pouvez suivre les nieuwigheden volgen en ik vind het
nouveautés et j’adore le contact avec contact met de klanten erg leuk.
les clients.
Je ne sais pas ce qu’elle leur a dit et si Ik weet niet wat ze hen verteld heeft
elle a été honnête. en of ze eerlijk is geweest.
En ce moment, il y a plusieurs actions Momenteel lopen er in onze winkels
dans nos magasins. La plupart des verschillende acties. De meeste
produits sont en promotion, il y a des producten zijn in promotie, er zijn
réductions juqu’à 50%. Profitez-en ! kortingen to 50%. Geniet ervan !
Comment est-ce que je peux améliorer Hoe kan ik mijn Frans verbeteren ?
mon français ? En écoutant beaucoup Door veel te luisteren naar de Franse
la radio française et en regardant des radio en door naar Franse series te
séries françaises à la télé. kijken.
Tu parles souvent de tes problèmes ? Spreek je vaak over je problemen ?
- Non, je n’en parle plus. - Nee, ik spreek er niet meer over.
Qu’est-ce qu’elle veut devenir plut Wat wil ze later worden ?
tard ? - Ze wil secretaresse worden.
- Elle veut devenir secrétaire.
Je ne danse plus, et toi ? Ik dans niet meer, en jij ?
- Moi non plus, mais je cours - Ik ook niet, maar ik loop nu wel
régulièrement. regelmatig.
Tu as vu son dernier film ? Heb je zijn laatste film gezien ?
- Non, je ne l’ai pas encore vu. - Nee, ik heb hem nog niet gezien.
Comment est-il devenu si riche ? Hoe is hij zo rijk geworden ?
- En investissant énormément dans - Door enorm veel te investeren in
plusieurs projets. verschillende projecten.
,Pourquoi ne vas-tu pas à cette fête ? Waarom ga je niet naar dit feest ?
- Personne n’y va. - Niemand gaat er naartoe.
Qu-est-ce qu’il trouve important ? Wat vindt hij belangrijk ?
- En fait, je ne sais pas ce qu’il - Eigenlijk weet ik niet wat hij
trouve important. belangrijk vindt.
Serge est déjà là ? Is Serge er al ?
- Je ne sais pas s’il vient aujourd’hui. - Ik weet niet of hij vandaag komt.
Qu’est-ce qu’il a fait ce matin ? Wat heeft hij deze morgen gedaan ?
- Il n’a encore rien fait. - Hij heeft nog niets gedaan.
Comment a-t-elle obtenu son Hoe heeft ze haar diploma bereikt ?
diplôme ? - Door hard te werken.
- En travaillant dur.
Tu suis quelques séries ? Volg je een aantal series ?
- J’adore regarder des séries sur - Ik kijk erg graag naar series op
Netflix. Netflix.
Tu as déjà visité le Musée d’Orsay ? Heb je het Musée d’Orsay la bezocht ?
- Non, pas encore. - Nee, nog niet.
Il regarde souvent la télé ? Kijkt hij vaak TV ?
- Non, il ne regarde jamais la télé, il - Nee, hij kijkt nooit TV, hij heeft
n’a pas le temps. geen tijd.
Tu joues encore au tennis ? Speel je nog tennis ?
- Non, je n’en fais plus. - Nee, ik doe het niet meer.
Quand est-ce que tu voudrais partir ? Wanneer zou je willen vertrekken ?
- Il vaut mieux que je parte tout de - Het zou beter zijn dat ik meteen
suite. vertrek.
Margot n’est pas venue. Et Michèle ? Margot is niet gekomen. En Michèle ?
- Elle n’est pas venue non plus. - Ze is ook niet gekomen.
Quel métier veut-il faire ? Welk beroep wil hij uitoefenen ?
- Il ne sait pas encore ce qu’il veut - Hij weet niog niet wat hij wil
devenir. worden.
Et toi, qu’est-ce que tu en penses ? En jij, wat denk jij erover ?
- La même chose que Maxime. - Hetzelfde als Maxime.
Tout le monde y était / était là ? Was iedereen er ?
- Non, toutes les filles étaient là, - Nee, alle meisjes waren er, maar
mais aucun garçon. geen enkele jongen.
Et le travail, ça va ? En het werk, lukt het ?
- Non, pas vraiment, j’ai toujours - Nee, niet echt, ik heb nog altijd
autant de travail qu’il y a un mois, evenveel werk als een maand
beaucoup trop donc. geleden, teveel dus.
Vous vous promenez souvent ? Maken jullie vaak een wandeling ?
- Non, on ne se promène jamais, on - Nee, we wandelken nooit, we
préfère le vélo. fietsen liever.
Comment est-ce que tu trouves / Hoe vind je zo snel mogelijk nieuwe
Comment trouver au plus vite de ideeën ?
nouvelles idées ? - Door samen na te denken.
- En réfléchissant ensemble.
Tu as bien mangé ? Heb je goed gegeten ?
- Oui, mais beacoup trop. - Ja, maar veel te veel !
Ton fils lit beaucoup ? Leest je zoon veel ?
- Il lit énormément de BD. - Hij leest enorm veel strips.
Tu aimes les films romantiques ? Hou je van romantische films ?
- Bien sûr ! Toutes les femmes - Natuurlijk. Alle vrouwen houden
aiment les films romantiques. van romantische films !
,Comment éviter des accidents ? Hoe ongevallen vermijden ?
- En roulant / conduisant lentement. - Door traag te rijden.
Tu connais la copine de Vianney ? Ken je de vreindin van Vianney ?
- Non, je ne l’ai pas encore - Nee, ik heb haar nog niet ontmoet.
rencontrée.
Alors, qu’est-ce qu’on fait Wat doen we nu ?
maintenant ? - We moeten wachten op de gids.
- Il faut / Nous devons attendre le
guide.
Tu bois souvent du vin ? Drink je vaak wijn ?
- J’en bois parfois, mais je préfère la - Ik drink er soms, maar ik drink
bière. liever bier.
Ils ont des problèmes ? Hebben ze problemen ?
- Oui, ils ont de grands problèmes - Ja, ze hebben grote financiële
financiers. problemen.
Hier matin, je me suis levé(e) très tôt Gisterenmorgen ben ik heel vroeg
pour aller / me rendre à Anvers. opgestaan om naar Antwerpen te
gaan.
Elle adore le beau temps. C’est Ze houdt enorm van mooi weer.
pourquoi elle est allée en Corse, il y Daarom is ze naar Corsica geweest,
fait toujours chaud en été. het is er altijd warm in de zomer.
Son fils ainé aura 27 ans cette année. Haar oudste zoon zal dit jaar 27
worden.
Nous espérons pouvoir gagner le We hopen de match te kunnen
match. winnen.
La secrétaire l’a appelée pour (lui) De secretaresse heeft haar opgebeld
demander son adresse. om haar adres te vragen.
Je ne sais pas encore ce que je Ik weet nog niet wat ik graag zou
voudrais faire à l’avenir / dans le futur. willen doen in de toekomst.
Il y a deux semaines, il est allé chez le Hij is 2 weken geleden naar de dokter
médecin / il est allé voir le médecin. geweest.
Pour nos vacances en Suisse, j’ai Voor onze vakantie in Zwitserland heb
choisi un bon hôtel avec un excellent ik een goed hotel gekozen met een
service. excellente service.
Je suis désolé(e), je n’ai plus faim. J’ai Het spijt me, ik heb geen honger
mangé beacoup trop de bonbons cet meer. Ik heb veel te veel gesnoept
après-midi. deze namiddag.
Tu n’as rien fait de toute la journée. Je hebt de hele dag niets gedaan. Je
Pourtant tu avais promis de tout had nochtans beloofd om alles op te
ranger. ruimen.
Expressions idiomatiques
La préposition « MET »
adresser par la poste met de post verzenden
vendre à perte met verlies verkopen
majorer de 10% met 10% verhogen
se contenter d’un petit bénéfice zich met kleine winst tevreden stellen
s’occuper de l’expédition zich bezighouden met, zorgen voor de
verzending
, tenir compte de la situation rekening houdend met de toestand
La préposition « OP »
à la première page du catalogue op de eerste bladzijde van de
catalogus
à cette date op die datum
payer à l’échéance op de vervaldag betalen
payable de 26 juin te betalen op 16 juni
payable dans 30 jours te betalen binnen de 30 dagen
à ce moment op dat ogenblik / dan
en ce moment op het ogenblik / op dit ogenblik / nu
de cette façon op die manier
acheter à op krediet kopen
à vos risques et périls op uw risico
à la recommandation de op aanbevelen / aanraden van
s’abonner à une revue zich op een tijdschrift abonneren
faire appel aux employeurs beroep doen op de ondernemers
évaluer la perte à €2500 het verlies op €2500 schatten
à la demande de la direction op verzoek van de directie
répondre à un mail op een mail antwoorden
se charger des assurances de verzekeringen op zich nemen
La préposition « NAAR »
aller à Anvers naar Antwerpen gaan
aller en Allemagne naar Duitsland gaan
à mon avis / selon moi / d’après moi naar mijn mening
au choix naar keuze / naar wens
à votre goût naar uw smaak, naar (uw) wens
La préposition « BIJ »
chez Louis, chez le boulanger bij Louis, bij de bakker
c’est à la frontière franco-allemande het ligt bij de frans-duits grens
se renseigner auprès de qqn bij iemand inlichtingen inwinnen
de préférence bij voorkeur
vendre aux enchères op opbod verkopen
en cas d’absence bij afwezigheid
par procuration bij volmacht
à l’ocassion bij gelegenheid
par hasard bij toeval
La préposition « TEGEN »
à grands frais tegen grote kosten
être gentil avec qqn vriendelijk zijn tegen iemand
à tout prix tegen elke prijs