Hoofdstuk 1: Structuur en Verdubbeling van Chromosomen
Dit hoofdstuk behandelt de chemische blauwdruk van het leven en hoe deze compact wordt
opgeborgen.
1. De Bouwstenen: Nucleotiden
DNA en RNA zijn polymeren van nucleotiden. Elk nucleotide bestaat uit:
Fosfaatgroep: Zorgt voor de zure eigenschap en de negatieve lading van
DNA.
Suikergroep (Pentose): Desoxyribose bij DNA en ribose bij RNA. Het
verschil zit in de 2’-positie (-H en -OH) wat RNA minder stabiel maakt.
Stikstofbasen:
o Purines (dubbele ring): Adenine (A) en Guanine (G).
o Pyrimidines (enkele ring): Cytosine (C), Thymine (T — enkel DNA) en
Uracil (U — enkel RNA)
2. De Dubbele Helix
Antiparallel verloop: De twee strengen lopen in tegengestelde richting: 5’-
>3’ en 3’->5’
Baseparing: A vormt altijd 2 waterstofbruggen met T; G vormt 3
waterstofbruggen met C (daarom is G-C stabieler).
Afmetingen: De helix is 2 nm breed; één volledige omwenteling bevat 10
basenparen en is 3,4 nm lang
3. Compactie: Van Draad naar Chromosoom
Nucleosoom: DNA gewikkeld rond 8 histonen (eiwitspoeltjes). Dit ziet eruit
als een kralensnoer.
Chromatine: Het complex van DNA en eiwitten.
o Euchromatine: Losser verpakt, genen staan aan (afleesbaar).
o Heterochromatine: Zeer compact, genen staan uit (niet afleesbaar).
Dit stuurt de celdifferentiatie.
Chromosoomstructuur: Bestaat uit een p-arm (kort), een q-arm (lang) en
een centromeer (knooppunt). De uiteinden heten telomeren
(beschermkapjes).
4. DNA-Replicatie (De Verdubbeling)
Dit proces is semi-conservatief: elke nieuwe helix bevat één oude en één nieuwe streng.
DNA-helicase: Rist de dubbele helix open (verbreekt waterstofbruggen).
Primase: Plaatst een primer (kort stukje RNA) als startpunt.
DNA-polymerase: Bouwt de nieuwe streng in de 5’-> 3’ richting.
o Leading strand (snelle streng): Wordt in één vloeiende beweging
opgebouwd.
o Lagging strand (trage streng): Wordt discontinu opgebouwd in
Okazaki-fragmenten.
DNA-ligase: Lijmt de Okazaki-fragmenten aan elkaar
Hoofdstuk 2: De Celcyclus bij Eukaryoten
Dit hoofdstuk beschrijft hoe een cel groeit en zich deelt (mitose).