hoofdstuk 1: 16e eeuw
1517: Maarten Luthers stellingen
1536: Calvijns Instutionio Christianae Religionis
1563: besluit Concilie van Trente
1558: Filips II, Spaanse koning
1568: Tachtigjarige Oorlog
1585: Paus Sixtus V
1590: heraanleg Rome
de (Contra-)Reformatie
1517: Maarten Luthers stellingen
- Maarten publiceert 95 stellingen waarin hij zegt dat de katholieke kerk volledig corrupt
is
- Gotiek: licht, geld, goud (luxe) -> manier om God op aarde te krijgen -> christendom
krijgt materialistische kant
- aflaat: kwijtschelding van straffen voor vergeven zonden (gunst die kerk verleent om
straf op andere manier uit te zitten -> geld betalen) (boetedoening) -> gelinkt aan
goede daden (goede daden verrichten, zoveel bidden als straffen)
- kerk gaat beginnen met aflaten te verkopen -> heeft niks meer te maken met
goede daden doen (Johann Tetzel gaat op markt staan om aflaten te
verkopen)
- corruptie: verkoop, enkel burgerij/rijken en adel kunnen aflaten kopen -> kerk
genereert enorme bron van inkomsten <-> loskoppeling boetedoening want is
enkel manier om mensen geld te laten betalen
- voor financiering bouw
- navolging Luther: Nederlanden (niet hetzelfde als Nederland)/Lage Landen (zie
Johannes Calvijn), Heilig Roomse Rijk, Baltische staten (Estland, Letland, Litouwen)
en Scandinavië (Zweden, Noorwegen) (Germaans-sprekenden) zijn fan van Luther
- geen toeval dat landen waar Luther impact heeft gehad Germaans-sprekend
zijn
- Luther wordt verkettert (ketter = tegenstander van het christendom)
1536: Calvijns Instutionio Christianae Religionis
- Johannes Calvijn (1509-1564): Frans-Zwitserse theoloog
- 1536: over de Christelijke leer
- radicale opvatting geloof: mens is afhankelijk van Gods genade, verlossing ligt in
Christus, God is soeverein in redding, het hele leven moet gericht zijn op Gods eer
(geen heiligen of beelden meer die vereerd worden)
- nadruk op soberheid en discipline: goede werken als teken van godsvrucht (niet
zodat maar omdat), het dagelijks leven is religieus leven (hard werken, zuinigheid,
wantrouwen luxe)
- vooraf bepaalde gedachtegang: hoe ik handel is wat voor persoon ik ben
(determinisme) -> elke dag even hard werken, geen dingen doen omdat we
dingen verwachten maar omdat we zo zijn als persoon
- hij benadrukt soberheid en discipline
- Adolf Loos: Ornament und Verbrechen (= ornamentiek is een misdaad) (1910): hard
werken, zuinigheid, wantrouwen luxe gaat in de toekomst leiden tot modernisme
, - wegwerken met alles wat met ornament te maken heeft
- hij vind Le Corbusier een egoïst
1563: besluit Concilie van Trente
Reformatie: grotendeels afstappen van heiligenverering, nadruk op soberheid, discipline, …,
gemeeschapszin: verbinding en het collectieve - taal, niet paus meer horizontale hiërarchie
architectuur van de Reformatie: alles is wit -> soberheid/rijnheid, verhoogd altaar =
preekstoel, grote open ruimte
- nieuwe idee: katholieke kerk is elitair, houdt te veel afstand van het volk want mis
wordt volledig in het Latijn gegeven -> protestanten doen dit in de volkstaal
- preekstoel heeft afdak voor betere akoestiek waardoor geluid beter naar voor gaat
Rooms-Katholieke uitvinding: transept voor meer
plaats vooraan, omgang voor pelgrims, straalkapellen -> focus op relikwieën en
pelgrimskerken
Protestants: nadruk niet meer op heiligen maar op de preek in volkstaal, transept en omgang
verdwijnen (transept is niet meer nodig want enkel mis -> ultra simpele basilica vorm) -> wel
nog koor en preekstoel, bij de naam van de kerk wordt ‘St.’ weggelaten
1545-1563: Concilie van Trente = vergadering van de Katholieke Kerk
ontstaan Contra-Reformatie (als reactie op Reformatie): hervormingen in de Kerk als
weerwoord en regels en leer duidelijker gemaakt
- na 20 jaar discussiëren komen ze tot 3 pijlers
- herbevestiging Latijn als liturgische taal, wel volkstaal voor uitleg
- veel meer focussen op opleiding priesters - seminaries
- regelmatige prediking/preken geven
ontstaan Jezuiëten (sociëteit van Jezus)
- ontstaan 1534, rond Ignatius van Loyola
- hebben dezelfde standaardgeloftes: kuisheid, armoede, gehoorzaamheid -> volgen
volledig het Pauselijk gezag
- prediken, onderwijs (veel belangrijke mensen in onze context komen van scholen van
Jezuiëten -> vaak in politiek), missies (missionaris)
- vb. oud-leerlingen Jezuiëtenschool: Leo (bouwmeester), Elisabeth en de
premier -> vertolken een belangrijke functie in onze leefwereld
- Jezuiëten hebben een groot netwerk, beschaven de rest van de wereld/in het
westen hebben we het idee dat we de beschaving moeten brengen
- macht van deze ordes blijft doorgaan