Onderzoeks‐
methodologie
Uitgebreide samenvatting voor het examen
Volledige bespreking van de drie hoofdstukken —
kenmerken van wetenschappelijk onderzoek, het
onderzoeksproces en de onderzoeksmethoden — met
definities, voorbeelden uit de lessen en gerichte
examenfocus-kaders voor het meerkeuze-examen.
Op basis van de slides, lesopnames, in-de-les besproken oefeningen en oude
examenreconstructies.
Studiedocument · gemaakt om actief te herkennen, niet om woordelijk te
memoriseren.
,Inhoud
1. Hoe gebruik je deze samenvatting?
Het examen: volledig meerkeuze
Legende van de kaders
2. Kenmerken van het wetenschappelijk onderzoek
Wat levert wetenschappelijk onderzoek op?
Inzichten uit de wetenschapsfilosofie
Drie niveaus van onderzoek
De negen kenmerken van goed onderzoek
Kwaliteit én relevantie van onderzoek
3. Het onderzoeksproces
De wetenschappelijke (deductieve) methode
Van probleem naar probleemstelling
Twee benaderingen & drie onderzoeksdoelen
Causaliteit en haar voorwaarden
Het literatuuroverzicht
Theoretisch kader & de soorten variabelen
Conceptueel model & hypothesen
Ethische bekommernissen
4. Onderzoeksmethoden in de bedrijfseconomie
Situering: twee basisdimensies
Observatie
Bevraging & survey
Experiment & manipulatie
Factorieel design: hoofd- en interactie-effecten
Kwalitatief onderzoek
Secundaire data
De econometrische methode
Wegwijs bij de keuze van de methode
5. Examenfocus: kernbegrippen & uitgewerkte voorbeelden
2
, Onderzoeksmethodologie — Samenvatting
HOOFDSTUK 0
1 · Hoe gebruik je deze samenvatting?
Deze samenvatting volgt de logica van de cursus: van wat is goed onderzoek?
(hoofdstuk 1), over hoe verloopt een onderzoek? (hoofdstuk 2), naar met welke methode
verzamel en analyseer je data? (hoofdstuk 3).
1.1 Het examen: volledig meerkeuze
Omdat het examen volledig uit meerkeuzevragen bestaat, ligt de nadruk op actieve
herkenning: je moet begrippen, definities en redeneringen herkennen en van elkaar kunnen
onderscheiden, niet woordelijk reproduceren. Uit de oude examens en de reconstructie van juni
2024 blijkt dat de vragen vooral peilen naar:
• het onderscheiden van begrippen die op elkaar lijken (theorie vs. hypothese; theoretisch
kader vs. conceptueel model vs. operationalisatie; precisie vs. betrouwbaarheid; moderator
vs. mediator);
• het classificeren van een beschreven onderzoek (fundamenteel / toegepast / in opdracht;
exploratief / descriptief / causaal; welke methode?);
• het lezen van een 2×2-tabel (hoofdeffect vs. interactie-effect);
• het interpreteren van regressie-output (procenten bij log, causaal of niet, significantie);
• het herkennen van oorzaken van niet-causaliteit (omitted variables, omgekeerde/
simultane causaliteit, endogeniteit, instrumentele variabelen);
• het beoordelen van veralgemeenbaarheid (externe validiteit) en van een goede
probleemstelling/hypothese.
1.2 Legende van de kaders
DEFINITIE
Een precieze omschrijving die je moet kunnen herkennen.
EXAMENFOCUS
Een typisch valstrik- of toetspunt, gebaseerd op de oude examens.
VOORBEELD
Een illustratie, vaak het concrete voorbeeld uit de les.
LET OP
Een veelgemaakte fout of subtiel onderscheid.
KERN
De essentie van een sectie, kort samengevat.
3