D4 H1sociale ongelijkheid
Microsociologie = hoe individuen sociaal functioneren in directe relaties met
anderen
Mesosociologie = hoe individuen sociaal functioneren binnen instituties,
netwerken, organisaties, groeperingen, enz.
Macrosociologie = hoe individuen sociaal functioneren binnen de ruime sociale
werkelijkheid (samenleving)
Laagste niveau (micro): het niveau van interpersoonlijke relaties
Middenniveau (meso): het niveau van organisaties, groeperingen, netwerken …
Hoogste niveau (macro): het niveau van de samenleving (als sociaal systeem)
1.1 inleiding
Maatschappij = geheel van verschillende klassen, standen en rangen
MAAR… 1789: Franse revolutie – is er sindsdien meer ‘égalité’?
(gelijkwaardigheid)
Conclusie: sociale ongelijkheid = nog steeds kenmerk van de huidige
samenleving
1.2 terminologie
Sociale ongelijkheid:
= verschillen tussen individuen die een maatschappelijke betekenis hebben,
omdat ze aanleiding geven tot verschillende mogelijkheden op allerlei
maatschappelijke domeinen en hierdoor een sociaal-structurerende kracht
hebben
Maatschappelijk ‘relevante’ verschillen:
- Sekse
- Nationaliteit, herkomst en/of huidskleur
- Sociaal milieu
- Gender
- Seksuele voorkeur
- Fysieke of mentale paraatheid
- Activiteitsstatus
- Verblijfsstatus
1
, - …
Sociale differentiatie:
= verscheidenheid aan posities die onze samenleving kenmerkt (sociale posities)
Sociale stratificatie:
= ordening van die verschillende posities in termen van rang
= Boven- of ondergeschikte posities
- Sociale differentiatie + hiërarchisch mechanisme waardoor ene positie
hoger of lager dan andere positie wordt gewaardeerd
- Voor- of nadelen voor de positiebekleder op allerhande maatschappelijke
domeinen
Gevolg: sociale ongelijkheid
Sociale stratificatie - 4 basisprincipes:
1 - Kenmerk van een samenleving, niet van een individu
- Waardering aan sociale positie door samenleving
2 - Universeel
- In elke samenleving, maar criteria variëren
3 - Verantwoording voor ordening
- Verklaring
4 - Sociale mobiliteit
- Toelaten of uitsluiten
2
, 1.3 sociale mobiliteit
= beweging van een persoon van de ene positie naar de andere
Horizontale sociale mobiliteit
= tussen posities op hetzelfde niveau in de sociale hiërarchie
Verticale sociale mobiliteit
= tussen hogere en lagere posities in de sociale hiërarchie
= de opwaartse of neerwaartse trend
- Individugewijs: intergenerationeel of intergenerationeel
- Positiegewijs
4 mechanismen van sociale mobiliteit:
1- economische activiteit
2- partnerschap
3- opleiding
4- politieke activiteit
Traditionele samenleving = gesloten moderne samenleving = open
Toegenomen sociale mobiliteitskansen door:
- Automatisering van het productieproces
- Democratisering van het onderwijs
- Demografische aspecten inzake geboorten
Klassenbewustzijn en strijdbaarheid neemt af (Marx)
Individuele competitie neemt toe (Dahrendorf)
Sociale mobiliteit is GEEN bedreiging voor het maatschappelijk evenwicht, eerder
een “veiligheidsklep” die de kans op doorgedreven solidariteitsgevoel binnen een
klasse en bijgevolg de kans op klassenconflicten vermindert
Nuancering!!
3