Economie B
Universiteit Gent · 1ste Bachelor Handelswetenschappen
Selectie veelvoorkomende examenvragen 2015–2026 · Modelantwoorden · Discord examenrecaps
Examenfocus Economie B | Pagina 1
,Examenstructuur & Examenstrategie
THEORIE: Examenformaat
Totaal: 20 punten = 1 pt groepsopdracht + 19 pt schriftelijk examen
Schriftelijk: 40% open vragen (grafisch, redenering) + 60% multiple choice (30 vragen)
Standaardinstelling MC: 18,75/30 correct nodig om MC-deel te slagen (= 62,5%)
WAT KOMT ZEKER OP HET EXAMEN
OPEN VRAGEN (elk jaar terugkerend):
⭐⭐⭐ Gereduceerde vorm Y* voor open economie met overheid
⭐⭐⭐ Multiplicatoren ΔY/ΔG en ΔY/ΔT₀ berekenen + interpreteren
⭐⭐⭐ Keynes vs. klassiek: één meningsverschil over multiplicator
⭐⭐⭐ AV-AA-LAA grafiek (aanbodschok, beleid, Pigou-effect, rationele verwachtingen)
⭐⭐⭐ Onmogelijke driehoek (Mundell-Fleming) — elk examen!
⭐⭐ Lekken-injecties benadering
⭐⭐ Monetair transmissiemechanisme + liquiditeitsval
MC-VRAGEN (publiek geïnspireerd, H7/H19-H22):
⭐⭐⭐ Gini-coëfficiënt berekenen/vergelijken
⭐⭐⭐ Pigouviaanse belasting berekenen (MRK=MEK)
⭐⭐⭐ BTW-incidentie: wie draagt meer bij inelastische V of A?
⭐⭐⭐ Baumol/Wagner: overheidsuitgaven groeien sneller dan BBP → waarom?
⭐⭐⭐ Westeros/Hellaasland berekeningsvragen
⭐⭐ Rawls vs. Kaldor-Hicks
⭐⭐ Type goed: rivaal/uitsluitbaar classificeren
⭐⭐ Structurele vs. conjuncturele werkloosheid
⭐⭐ Obligatiekoers vs. intrestvoet (inverse relatie)
PROF ZEGT
"De open vraag is macro-geïnspireerd, de MC is publiek geïnspireerd." — Prof (Discord 2022)
"Onmogelijke driehoek vraagt hij elk examen." — Discord pre-exam 2026
"Open vraag sowieso over model met open economie + overheid." — Discord juni 2026
Examenfocus Economie B | Pagina 2
,H24 — BBP & Macro-economische Concepten
Definitie & Benaderingen
THEORIE: BBP
BBP = totale toegevoegde waarde geproduceerd binnen een geografische entiteit, gedurende een bepaalde
periode.
BRUTO = voor aftrek afschrijvingen. BINNENLANDS = geografisch principe (niet nationaliteit).
Drie gelijkwaardige benaderingen: productie-/TW-benadering, bestedingsbenadering, inkomensbenadering.
THEORIE: Bestedingsbenadering: BBP = C + I + G + (X − M)
C = particuliere consumptie gezinnen
I = bruto-investeringen (bedrijven + gezinnen + overheid)
G = overheidsbestedingen (NIET transfers zoals pensioenen, RVA!)
X − M = netto-export (handelsbalans)
Kringloopidentiteit: Y = C + I + G + NX (in evenwicht)
THEORIE: Van BBP naar BNI → NNI → NNBI
BBP + Netto factor-inkomen uit buitenland (NFI) = BNI (nationaliteitsprincipe)
BNI − Afschrijvingen (D) = NNI
NNI + Netto transfers (NTR) = NNBI
BNI > BBP → land ontvangt meer van buitenland dan het betaalt (bv. Vietnam met veel migranten)
THEORIE: Nominaal vs. Reëel BBP — BBP-deflator — CPI
Nominaal BBP = hoeveelheden × lopende prijzen. Stijgt door groei + inflatie.
Reëel BBP = hoeveelheden × basisjaarprijzen. Stijgt ENKEL door echte productiegroei.
BBP-deflator = (Nominaal BBP / Reëel BBP) × 100 [stijging = inflatie]
In basisjaar: deflator = 100 → nominaal BBP = reëel BBP.
CPI = prijsindex van vaste consumentenkorf (Laspeyres). Inflatie = (CPI_t − CPI_{t-1})/CPI_{t-1} × 100
VALKUIL: CPI = 108 betekent NIET automatisch 8% inflatie (tenzij vorig jaar CPI=100).
PPP-wisselkoers: goederenbundel kost in Mexico 824 MXN en in VS $54 → PPP = 824/54 = 15,26 MXN per dollar >
12.
MC-EXAMENVRAAG
MC 1: Stel het reëel BNI is groter dan het reëel BBP. Dit betekent...
A) Er is inflatie.
B) Er is meer export dan import.
C) Het land ontvangt meer voor de inzet van productiefactoren in het buitenland dan het betaalt aan buitenlandse
factoren in eigen land.
D) Het land heeft minder export dan import.
Juist antwoord: C
Toelichting: BNI = BBP + NFI. BNI>BBP ↔ NFI>0 ↔ Belgen verdienen meer in buitenland dan omgekeerd.
MC-EXAMENVRAAG
MC 2: Tussen 2016 en 2017 steeg de verhouding tussen nominaal en reëel BBP. Dit is...
Examenfocus Economie B | Pagina 3
, A) Een indicatie van economische groei.
B) Niet mogelijk; nominaal is altijd groter.
C) Een indicatie van inflatie.
D) Geen van de andere antwoorden.
Juist antwoord: C
Toelichting: BBP-deflator = nom/reëel × 100. Als die stijgt → prijspeil gestegen → inflatie.
MC-EXAMENVRAAG
MC 3: Op welke wijze wordt de TW van de overheid vastgesteld?
A) Opbrengst directe belastingen.
B) Opbrengst indirecte belastingen.
C) Som van overdrachtsuitgaven.
D) Som van salarissen van ambtenaren.
Juist antwoord: D
Toelichting: Overheid verkoopt niet op markt → kostenmethode = salarissen ambtenaren.
MC-EXAMENVRAAG
MC 4: Welke stelling over reëel BBP is FOUT?
A) In het basisjaar is reëel BBP = nominaal BBP.
B) Reëel BBP houdt enkel rekening met hoeveelheidswijzigingen.
C) Reëel BBP = BBP in constante prijzen.
D) Hogere BBP per capita betekent niet alleen hogere inkomens maar ook hoger welzijn.
Juist antwoord: D
Toelichting: Welzijn ≠ welvaart. BBP meet geen vrije tijd, ongelijkheid, duurzaamheid of geluk.
STUDIETIP / VALKUIL
BNI vs BBP: nationaliteitsprincipe vs. geografisch principe.
Deflator stijgt = inflatie (NIET = economische groei). Groei zie je in reëel BBP.
CPI-valkuil: CPI=108 is geen bewijs van 8% inflatie!
Examenfocus Economie B | Pagina 4