KRACHTLIJN BOUWSTENEN VAN TALEN
MODULE 1: TAALBOUWSTENEN IN HET NEDERLANDS
VOLOP TAAL: PG 306-315 (TAALBESCHOUWING)
WAT IS TAALBESCHOUWING
= Nadenken over al haar aspecten. Lln gaan actief op onderzoek om aspecten van de taal te ontdekken.
(Onbewust bouwen ze kennis op over allerlei aspecten)
Die taalaspecten zijn:
1) Taalsysteem: Letters & klanken, woordsoorten, hoe zinnen gebouwd zijn. (meetbaar)
2) Taalgebruik en taalgedrag: Hoe mensen taal gebruiken en waarom ze dat doen. (bedoeling)
Lln ontwikkelen taalgevoel.
WAAROM INZETTEN OP TAALBESCHOUWING?
3 doelen:
1) Inzicht krijgen in hoe het Nederlands in elkaar zit:
- Taal ‘kunnen’: taalvaardigheid (lezen, schrijven, luisteren en spreken)
- Taal ‘weten’: nadenken over taal en weten hoe die in elkaar zit. Kan dienen om vreemde talen te
leren
2) Nadenken over het eigen taalgebruik en dat van anderen :
- Denken en reflecteren over taal helpt om de taal steeds beter te beheersen
- Taalsturing = leren zichzelf te sturen wnr ze taal gebruiken
3) De algemene culturele kennis vergroten:
- Conceptualiserende functie = taal bepaalt hoe we communiceren en is het product vd culturele
omgeving waarin we opgroeien en leven (vroeger: middeleeuwen bril = zwarte magie)
- Metataal = taal om over taal te spreken à helpt ons om onze inzichten en kennis over taal te
expliciteren (‘vat’ de werkelijkheid)
- Lln laten kennis maken met vreemde talen à talige en culturele identiteiten vd lln in de klas
integreren
- Meertalige kinderen à meer zelfvertrouwen
POWERPOINT SESSIE 1
TAALCOMPETENTIE
het geheel van talige kennis, vaardigheden en attitudes die nodig zijn om geschreven, gesproken en
multimodale teksten te begrijpen, te evalueren en te gebruiken, zodat:
- Volwaardige deelname aan de samenleving mogelijk wordt
- De eigen doelen gerealiseerd kunnen worden
- De eigen kennis en mogelijkheden levenslang en duurzaam kunnen worden ontwikkeld.
,Vaardigheden: kunnen schrijven, lezen, schrijven, gesprekken voeren, luisteren.
Kennis over taal: woordenschat, grammatica, strategieën en taalbeschouwing
Attitudes/houdingen van lln die we verwachten
Conceptualiserende functie Je gebruikt taal om de werkelijkheid om je heen te ordenen, benoemen…
en zo krijg je vat op de werkelijkheid.
Bv: je gaat met je oma praten om verschillen in het dagelijks leven tussen
vroeger en nu te zoeken.
(taalcompetentie en informatie)
Communicatieve functie Taal als communicatiemiddel, zo ontstaat de interactie tussen mensen.
Bv: om jezelf te verdedigen: dat is mijn bal!
(taalcompetentie en communicatie )
Expressieve functie Taal als middel om je persoonlijke emoties uit te drukken.
Om jezelf op een creatieve manier te uiten. (gedicht)
Bv: Zen is opgelucht wanneer hij te horen krijgt dat alles goed gaat met
zijn oma.
(taalcompetentie en identiteit)
Sociale functie In de huidige samenleving is taal een belangrijke uiting van de sociale
groep waartoe je behoort of wil behoren.
Bv: Hayat en Myriam creëren onderlinge band door hoe ze samen praten
over Tiktok, zo praten ze duidelijk niet met hun grootouders.
(taalcompetentie en cultuur)
WAT IS TAAL?
Taal produceert betekenis
Taal is arbitrair (meestal) = het is ooit afgesproken, iedereen zegt hetzelfde, elk woord betekenis
Het aantal klanken van een taal is gelimiteerd = je kan niet zomaar alle klanken gebruiken (totaal 500
klanken), bepaalde talen verliezen klanken
Taal kan ideeën/personen/voorwerpen buiten de huidige tijd en ruimte benoemen en ernaar
verwijzen
Taal is generatief: letters, woorden kunnen een ongelimiteerd aantal zinnen genereren
WAT ZIJN DE BOUWSTENEN VAN TAAL?
,
, SYLLABUS PG 177-260
1.1 WOORDSOORTEN
Doordat je weet wat voor soort een woord is, kan je de mogelijkheden van het woord bekijken.
BV: een woord dat een zelfstandig naamwoord is -> heeft een meervoud en een verkleinwoord.
ZELFSTANDIG NAAMWOORD (SUBSTANTIEF, ZN)
= Woord dat een zelfstandigheid aanduidt. We onderscheiden twee soorten.
1. Eigennamen: Gent, Josefien…
2. Soortnamen: stoel, appel… (lidwoord, geslacht)
Zelfstandige naamwoorden hebben:
Enkelvoud
Meervoud
Verkleinwoord
Met ZN kan je samenstellingen (bv: berggeit) en afleidingen (bv: bergachtig) maken.
LIDWOORD
Een lidwoord staat voor een ZN.
Bepaald -> de (mannelijk of vrouwelijk) / het (onzijdige woorden)
Onbepaald -> een
Ontkennend -> geen
BIJVOEGLIJK NAAMWOORD (ADJECTIEF, BN)
= Duiden een eigenschap aan van een ander zelfstandig gebruikt woord.
Verbuiging: de grote kast (=aanpassen aan het ZN een buiging -e of s)
Attributief, predicatief of zelfstandig gebruik:
o Attributief gebruik: een rode bloem
o Predicatief gebruik: de bloem is rood (= BN bij koppelwerkwoord ‘zijn)
o Zelfstandig gebruik: de rode bloemen en de gele
Trappen van vergelijking:
o Stellende trap: even groot als…
o Vergrotende trap: groter dan
o Overtreffende trap: het grootst
Deelwoorden als BN:
o Voltooid deelwoord als BN: de gegrilde tonijn
o Tegenwoordig (onvoltooid) deelwoord als BN: zingende kinderen
WERKWOORD (WW)
= woord dat een actie of toestand uitdrukt. Je kunt een WW vervoegen (=aanpassen).
Infinitief: lopen
Stam (infinitief min -en): loop
Uitgang (d, t, en): hij loopt
Persoonsvorm: stam + uitgang: hij loopt
Imperatief / gebiedende wijs: loop!
Persoon en getal