1. Verbes en -ER `
è e wordt è
Lever Ophe'en Mener Leiden
Peser Wegen Achever Beëindigen
Acheter Kopen Amener Meebrengen
Emmener Meenemen Se lever Opstaan
Geler Vriezen Peler Pellen
Se promener Wandelen Semer Zaaien
Voorbeeld: acheter (kopen) à geen verandering bij nous en vous vorm
- J’ achète Nous achetons
- Tu achtètes Vous achetez
- Il/elle achète Ils/elles achètent
è é wordt è
Répéter Herhalen Espérer Hopen
Recupérer Exagérer Overdrijven
Compléter Vervolledigen S’ inquiéter Zich zorgen maken
Pénétrer Indringen Précéder Voorafgaan
Préférer Verkiezen Protéger Beschermen
Révéler Openbaren Sécher Drogen
Succéder à Opvolgen
Voorbeeld: espérer (hopen) à geen verandering bij nous en vous vorm
- J’ espère Nous espérons
- Tu espères Vouw espérez
- Il/elle espère Ils/elles espèrent
è y wordt i
Aboyer Bla'en EKrayer Doen schrikken
Employer Gebruiken S’ ennuyer Zich vervelen
Essayer Proberen S’ essuyer Zich afdrogen
Nettoyer Schoonmaken Se noyer Verdrinken
Payer Betalen Appuyer Steunen
1
,Voorbeeld: appuyer (steunen) à geen verandering bij nous en vous vorm
- J’ appuie Nous appuyons
- Tu appuies Vous appuyez
- Il/elle appuie Ils/elles appuient
è c wordt ç + a/o/u
Annoncer Aankondigen Avancer Vooruitgaan
Commencer Beginnen Se déplacer Zich verplaatsen
EKacer Uitwisselen S’exercer Zich oefenen
Lancer Werpen Menacer Bedreigen
Placer Plaatsen Prononcer Uitspreken
Voorbeeld: avancer (vooruitgaan ) à enkel verandering bij nous vorm door a/o/u
- J’avance Nous avaçons
- Tu avances Vous avancez
- Il/elle avance Ils/elles avancent
è g wordt ge + a/o/u
Manger Eten Changer Veranderen
Se changer Zich omkleden Corriger Verbeteren
Déménager Verhuizen Encourager Aanmoedigen
Exiger Eisen Mélanger Mengen
Nager Zwemmen Neiger Sneeuwen
Partager Delen Protéger Beschermen
Ranger Ordenen
Voorbeeld: manger (eten) à enkel verandering bij nous vorm door a/o/u
- Je mange Nous mangeons
- Tu manges Vous mangez
- Il/elle mange Ils/ elles mangent
2
, è Medeklinker verdubbelen (t wordt tt, l wordt ll)
Appeler Roepen S’appeler Heten
Se rappeler Zich herinneren Renouveler Vernieuwen
Jeter Werpen Feuilleter Doorbladeren
Projeter Projecteren Rejeter Verweropen
Voorbeeld: jeter (werpen) à geen verandering bij nous en vous vorm
- Je jette Nous jetons
- Tu jettes Vous jetez
- Il/elle jette Ils/elles jettent
è L’indicatif présent: uitgangen
- e, es, e, ons, ez, ent
3