SOCIOLINGUÏSTIEK
INHOUD
Inleiding ................................................................................................................................................... 3
Definities .............................................................................................................................................. 4
Sociolinguïstiek = socio + linguïstiek ................................................................................................ 4
Coördinatieproblematiek ................................................................................................................. 5
Literatuur ......................................................................................................................................... 5
Ontstaan ........................................................................................................................................... 5
Afbakening ....................................................................................................................................... 6
1 Intersprekervariatie ......................................................................................................................... 7
1.1 Landmarks Labov ..................................................................................................................... 7
1.1.1 Martha’s Vineyard ............................................................................................................... 7
1.1.2 New York City ...................................................................................................................... 9
1.2 Ingrediënten variationeel onderzoek .................................................................................... 11
1.2.1 Basisclaims van variationele sociolinguïstiek .................................................................... 11
1.2.2 Ingrediënten van variationeel onderzoek (7) .................................................................... 12
1.3 Regionaal & sociaal dialect .................................................................................................... 17
1.3.1 Sociaal dialect .................................................................................................................... 17
1.3.2 Regionaal dialect ............................................................................................................... 21
1.3.3 Interactie regionale en sociale variatie ............................................................................. 22
1.4 Gender, leeftijd, cultuur en cognitie ..................................................................................... 23
1.4.1 Geslacht vs. Gender ........................................................................................................... 23
1.4.2 Formeel vs. Informeel........................................................................................................ 25
1.4.3 de gender paradox ............................................................................................................ 27
1.4.4 case studies Nederlands .................................................................................................... 27
2 Intrasprekersvariatie ...................................................................................................................... 29
2.1 Context beïnvloedt stijl ......................................................................................................... 29
2.2 Publiek ................................................................................................................................... 31
2.2.1 Leeftijd ............................................................................................................................... 31
2.2.2 Taalcompetentie................................................................................................................ 33
2.2.3 Doelgroep .......................................................................................................................... 35
2.2.4 Accommodatie .................................................................................................................. 36
2.3 Casestudie: kopiegedrag ....................................................................................................... 38
1
, 2.3.1 Kopiegedrag op verschillende niveaus .............................................................................. 39
2.3.2 Redenen voor kopiegedrag ............................................................................................... 42
3 Taalattitudes .................................................................................................................................. 44
3.1 Wat zijn attitudes? ................................................................................................................ 44
3.2 Hoe meet je attitudes? .......................................................................................................... 44
3.2.1 Societal treatment ............................................................................................................. 44
3.2.2 Directe methodes .............................................................................................................. 45
3.2.3 Indirecte methodes ........................................................................................................... 45
4 Multimodale variatie ...................................................................................................................... 49
4.1 Inleiding ................................................................................................................................. 49
4.2 Variatie in articulatoren ........................................................................................................ 50
4.3 Culturele/ regionale variatie ................................................................................................. 50
4.4 Gendervariatie ....................................................................................................................... 51
4.5 Eigen onderzoek .................................................................................................................... 51
2
,INLEIDING
VARIANTEN EN VARIËTEITEN:
Niet iedereen spreekt/ schrijft op dezelfde manier:
- Verschillende manieren om iets uit te drukken = TAALVARIANTEN
o Gij / jij
o Hallo / juuw
o /me:/ / /mei/ - mee/mej
- Er bestaan taalvarianten op verschillende talige niveaus
Een groep varianten kunnen samen 1 variëteit worden:
Nederlands van Nederland Nederlands van België
- Combinatie van taalvarianten vormen samen een TAALVARIËTEIT:
o Binnen een taalvariëteit kunnen subgroepen ontstaan
o Variatie is niet random. Het is systematisch en sterk, er kleeft een sociale betekenis
aan, via uitspraak geef je een stukje van jezelf kwijt
o Niet iedereen gebruikt in dezelfde context dezelfde varianten
o Veel vormelijke variatie, andere klanken, andere woorden
o Verschillende varianten samen vormen 1 variëteit, variëteiten zijn moeilijk te
benoemen
▪ Standaard
▪ Dialect
▪ Jongerentaal
▪ Vaktaal
▪ Tussentaal …
- Sociale betekenis van varianten
o Variatie is niet random, er zit systematiek aan en daardoor sociale betekenis
o Luidheid, klanken, uitspraak… zorgen ervoor dat je meteen een oordeel hebt
- Variatie
o Intersprekervariatie: variatie tussen (groepen) sprekers
▪ jongeren ≠ ouderen
▪ mannen ≠ vrouwen
▪ Vlamingen ≠ Nederlanders
o Intrasprekervariatie: variatie binnen taalgebruik van 1 spreker
▪ jongeren in de klas
3
, ▪ nieuwslezer aan de eettafel thuis
▪ advocaat bij zijn mama in het rusthuis
Conclusie
- Variatie is omnipresent, het is geen ‘uitzondering’
- Context (inclusief spreker en hoorder) bepaalt de variatie
- Sociale betekenis van varianten
Variatie is systematisch en wordt bepaald door context, context omvat ook spreker en luisteraar zelf
Variatie is niet keurig, er zit structuur in en hangt daarom samen met groepjes waarvan je wil tonen
dat je er bij hoort of net niet.
Bepaald accent kan als negatief of positief gezien worden.
DEFINITIES
SOCIOLINGUÏSTIEK = SOCIO + LINGUÏSTIEK
William: geboorte sociolinguïstiek: relatie tussen sociale factoren en taalgebruik
- Als we jong zijn gebruiken we ander taalgebruik dan wanneer we oud zijn
- Leeftijd kan een impact hebben op talige keuzes die we maken, omdat we tot een bepaalde
groep behoren maken we talige keuzes
SOCIO
Sociale context georganiseerd in netwerk van overlappende sociale groepen:
- De prof
- De papa
- De standardsupporter
- De Belg…
➔ Groepsaffilitatie uitdrukken/ prijsgeven door taalgebruik
Sociale betekenis die vasthangt aan de variëteit die je kiest wordt opgepikt door anderen
Soms kiezen om informatie bewust prijs te geven door bewust te kiezen voor varianten die
kenmerkend zijn dat je tot een bepaalde groep behoort
LINGUÏSTIEK
Taal is een combinatie van woorden en grammatica → zo mis je heel wat, er zijn oneindig veel
correcte/juiste zinnen
- Ontbreekt: pragmatische regels, verwachtingen die je hebt, ironie
o vb geen afgebakende lijst maken waarin 'plezant' leuk betekend of juist niet
o vb je hebt koud en wil dat het raam toegedaan wordt, je zegt ik heb koud en
verwacht dat iemand het raam toedoet
o vb woorden die binnen bepaald groepjes bepaalde betekenis hebben (paddenavond:
avond waar alleen lelijke vrouwen aanwezig zijn)
- Combinatie tussen woordenboek en spraakkunst is onvoldoende om te beschrijven wat taal
is, het is meer dan dat
4
INHOUD
Inleiding ................................................................................................................................................... 3
Definities .............................................................................................................................................. 4
Sociolinguïstiek = socio + linguïstiek ................................................................................................ 4
Coördinatieproblematiek ................................................................................................................. 5
Literatuur ......................................................................................................................................... 5
Ontstaan ........................................................................................................................................... 5
Afbakening ....................................................................................................................................... 6
1 Intersprekervariatie ......................................................................................................................... 7
1.1 Landmarks Labov ..................................................................................................................... 7
1.1.1 Martha’s Vineyard ............................................................................................................... 7
1.1.2 New York City ...................................................................................................................... 9
1.2 Ingrediënten variationeel onderzoek .................................................................................... 11
1.2.1 Basisclaims van variationele sociolinguïstiek .................................................................... 11
1.2.2 Ingrediënten van variationeel onderzoek (7) .................................................................... 12
1.3 Regionaal & sociaal dialect .................................................................................................... 17
1.3.1 Sociaal dialect .................................................................................................................... 17
1.3.2 Regionaal dialect ............................................................................................................... 21
1.3.3 Interactie regionale en sociale variatie ............................................................................. 22
1.4 Gender, leeftijd, cultuur en cognitie ..................................................................................... 23
1.4.1 Geslacht vs. Gender ........................................................................................................... 23
1.4.2 Formeel vs. Informeel........................................................................................................ 25
1.4.3 de gender paradox ............................................................................................................ 27
1.4.4 case studies Nederlands .................................................................................................... 27
2 Intrasprekersvariatie ...................................................................................................................... 29
2.1 Context beïnvloedt stijl ......................................................................................................... 29
2.2 Publiek ................................................................................................................................... 31
2.2.1 Leeftijd ............................................................................................................................... 31
2.2.2 Taalcompetentie................................................................................................................ 33
2.2.3 Doelgroep .......................................................................................................................... 35
2.2.4 Accommodatie .................................................................................................................. 36
2.3 Casestudie: kopiegedrag ....................................................................................................... 38
1
, 2.3.1 Kopiegedrag op verschillende niveaus .............................................................................. 39
2.3.2 Redenen voor kopiegedrag ............................................................................................... 42
3 Taalattitudes .................................................................................................................................. 44
3.1 Wat zijn attitudes? ................................................................................................................ 44
3.2 Hoe meet je attitudes? .......................................................................................................... 44
3.2.1 Societal treatment ............................................................................................................. 44
3.2.2 Directe methodes .............................................................................................................. 45
3.2.3 Indirecte methodes ........................................................................................................... 45
4 Multimodale variatie ...................................................................................................................... 49
4.1 Inleiding ................................................................................................................................. 49
4.2 Variatie in articulatoren ........................................................................................................ 50
4.3 Culturele/ regionale variatie ................................................................................................. 50
4.4 Gendervariatie ....................................................................................................................... 51
4.5 Eigen onderzoek .................................................................................................................... 51
2
,INLEIDING
VARIANTEN EN VARIËTEITEN:
Niet iedereen spreekt/ schrijft op dezelfde manier:
- Verschillende manieren om iets uit te drukken = TAALVARIANTEN
o Gij / jij
o Hallo / juuw
o /me:/ / /mei/ - mee/mej
- Er bestaan taalvarianten op verschillende talige niveaus
Een groep varianten kunnen samen 1 variëteit worden:
Nederlands van Nederland Nederlands van België
- Combinatie van taalvarianten vormen samen een TAALVARIËTEIT:
o Binnen een taalvariëteit kunnen subgroepen ontstaan
o Variatie is niet random. Het is systematisch en sterk, er kleeft een sociale betekenis
aan, via uitspraak geef je een stukje van jezelf kwijt
o Niet iedereen gebruikt in dezelfde context dezelfde varianten
o Veel vormelijke variatie, andere klanken, andere woorden
o Verschillende varianten samen vormen 1 variëteit, variëteiten zijn moeilijk te
benoemen
▪ Standaard
▪ Dialect
▪ Jongerentaal
▪ Vaktaal
▪ Tussentaal …
- Sociale betekenis van varianten
o Variatie is niet random, er zit systematiek aan en daardoor sociale betekenis
o Luidheid, klanken, uitspraak… zorgen ervoor dat je meteen een oordeel hebt
- Variatie
o Intersprekervariatie: variatie tussen (groepen) sprekers
▪ jongeren ≠ ouderen
▪ mannen ≠ vrouwen
▪ Vlamingen ≠ Nederlanders
o Intrasprekervariatie: variatie binnen taalgebruik van 1 spreker
▪ jongeren in de klas
3
, ▪ nieuwslezer aan de eettafel thuis
▪ advocaat bij zijn mama in het rusthuis
Conclusie
- Variatie is omnipresent, het is geen ‘uitzondering’
- Context (inclusief spreker en hoorder) bepaalt de variatie
- Sociale betekenis van varianten
Variatie is systematisch en wordt bepaald door context, context omvat ook spreker en luisteraar zelf
Variatie is niet keurig, er zit structuur in en hangt daarom samen met groepjes waarvan je wil tonen
dat je er bij hoort of net niet.
Bepaald accent kan als negatief of positief gezien worden.
DEFINITIES
SOCIOLINGUÏSTIEK = SOCIO + LINGUÏSTIEK
William: geboorte sociolinguïstiek: relatie tussen sociale factoren en taalgebruik
- Als we jong zijn gebruiken we ander taalgebruik dan wanneer we oud zijn
- Leeftijd kan een impact hebben op talige keuzes die we maken, omdat we tot een bepaalde
groep behoren maken we talige keuzes
SOCIO
Sociale context georganiseerd in netwerk van overlappende sociale groepen:
- De prof
- De papa
- De standardsupporter
- De Belg…
➔ Groepsaffilitatie uitdrukken/ prijsgeven door taalgebruik
Sociale betekenis die vasthangt aan de variëteit die je kiest wordt opgepikt door anderen
Soms kiezen om informatie bewust prijs te geven door bewust te kiezen voor varianten die
kenmerkend zijn dat je tot een bepaalde groep behoort
LINGUÏSTIEK
Taal is een combinatie van woorden en grammatica → zo mis je heel wat, er zijn oneindig veel
correcte/juiste zinnen
- Ontbreekt: pragmatische regels, verwachtingen die je hebt, ironie
o vb geen afgebakende lijst maken waarin 'plezant' leuk betekend of juist niet
o vb je hebt koud en wil dat het raam toegedaan wordt, je zegt ik heb koud en
verwacht dat iemand het raam toedoet
o vb woorden die binnen bepaald groepjes bepaalde betekenis hebben (paddenavond:
avond waar alleen lelijke vrouwen aanwezig zijn)
- Combinatie tussen woordenboek en spraakkunst is onvoldoende om te beschrijven wat taal
is, het is meer dan dat
4