Bart Raymaekers | KU Leuven | Academiejaar 2025-2026 | Per hoofdstuk geordend
H0 – WAT IS ETHIEK? BASISCONCEPTEN
Term Uitleg Filosoof/Stroming
Ethiek Systematisch-kritische reflectie over moraal en moraliteit. Algemeen
Behoort tot de praktische filosofie, gericht op de werkelijkheid
zoals ze zou moeten zijn.
Praktische filosofie Filosofie die handelt over de werkelijkheid zoals ze zou Aristoteles
moeten zijn: weten om het handelen. Gericht op het nemen van
de juiste beslissing en het goede leven.
Theoretische filosofie Filosofie die handelt over de werkelijkheid zoals ze is: weten Algemeen
om het weten. Gericht op kennis van de werkelijkheid zelf.
Moraal / Moraliteit Verwijst naar het niveau van handelen en Algemeen
handelingsbewustzijn; het geheel van normen, waarden en
gedragsregels.
Ethos Grieks begrip: oorspronkelijk verblijfplaats, dan gewoonte, Algemeen
zede, gebruik; geheel van gedragsvormen eigen aan een groep.
Ook: karakter, gezindheid, grondhouding.
Descriptieve ethiek Beschrijft de moraal historisch en hedendaags en zoekt Kohlberg
verklaringen, maar evalueert morele systemen niet. Ook
moraalwetenschap. Voorbeeld: Kohlbergs typologie.
Normatieve ethiek Probeert morele normen te legitimeren door op het morele te Algemeen
reflecteren. Studeert fundamentele ideeën die ons handelen
structureren.
Meta-ethiek Analyseert de semantische (betekenis van begrippen) en Algemeen
logische aspecten van ethiek, zoals de verificatie van ethische
uitspraken. Tweedeordemoraalfilosofie.
Algemene ethiek Zoekt naar algemene principes en fundamentele grondslagen Algemeen
voor het menselijk handelen in het algemeen.
Bijzondere ethiek Bestudeert bijzondere situaties en tracht algemene principes te Algemeen
verbinden met concrete gevallen.
Individuele ethiek (micro- Gericht op de mens als individu, zijn individueel geluk en goed Algemeen
ethiek) leven.
Sociale ethiek (macro- Gericht op de mens als gemeenschapswezen, levend in relatie Algemeen
ethiek) tot anderen en in groepsverbanden.
Teleologische ethiek Grondtype waarbij de morele kwaliteit van handelingen Aristoteles,
beoordeeld wordt vanuit het resultaat of het nagestreefde doel Utilitarisme
(telos). Extreme vorm: louter resultaatsethiek.
Deontologische ethiek Grondtype waarbij handelingen of regels in zichzelf moreel Kant, Levinas
moeten zijn, beoordeeld op basis van gezindheid of intentie,
niet resultaat. Extreme vorm: louter intentie-ethiek.
Deugdenethiek De klemtoon ligt op het ontwikkelen van een deugdzaam Aristoteles
karakter en de juiste houding om in concrete situaties de juiste
beslissing te nemen.
Stadia van morele Empirisch onderbouwde typologie: (1) preconventioneel Kohlberg
ontwikkeling (Kohlberg) (straffen vermijden), (2) conventioneel (sociale conformiteit),
(3) postconventioneel (rationele universele principes).
, H1 – PROBLEMEN VAN DE NORMATIEVE ETHIEK
Term Uitleg Filosoof/Stroming
Legitimeringscrisis De moeilijkheid om een betrouwbaar fundament te vinden voor Algemeen /
opvattingen over hoe we moeten handelen. Geassocieerd met moderniteit
het verzwakken van de overtuigingskracht van overgeleverde
normen; leidt tot ethisch vacuüm.
Disjunctie feit-waarde Typisch probleem van de moderniteit (ingevoerd door Hume): Hume
waarden en normativiteit kunnen geen logische gevolgtrekking
zijn van een objectief feit. Om een normatieve uitspraak te
doen is reeds een normatieve uitspraak vereist.
Doelrationaliteit Rationaliteit gericht op het bereiken van doelen via efficiënte Habermas / Weber
middelen; behoort tot de objectieve, wetenschappelijke sfeer.
Technologie steunt hierop. Contrasteert met
waarderationaliteit.
Waarderationaliteit Rationaliteit beheerst door een geloof aan de objectiviteit van Weber
ethische of religieuze waarheden. Wordt in de moderniteit in de
irrationele sfeer geplaatst.
Technocratie Fenomeen waarbij technische oplossingen als de enige geldige Habermas
beschouwd worden en de doelrationaliteit de ethische
waarderationaliteit verdringt. Uitdrukking van de kolonisering
van de leefwereld.
Ethisch relativisme Opvatting waarbij objectieve, universele waarheid in de ethiek Sofisten
niet mogelijk wordt geacht. Morele normen zijn altijd relatief
ten opzichte van de context. Geassocieerd met de sofisten.
Paradox van Apel De feit-waarde disjunctie impliceert dat ethiek nooit volledig Apel
intersubjectief kan zijn, want een waarde kan nooit met
absolute logische zekerheid worden afgeleid uit feiten.
Mensenrechten worden soms gezien als een antwoord hierop
via de brede consensus die ze genieten.
Legitimeringscrisis als De paradox voor een actuele ethiek: er is nood aan ethische Algemeen
paradox fundering, maar de traditionele grondslagen zijn uitgehold
zonder dat een bevredigend alternatief gevonden is.
H2 – GELUK ALS NORM: ARISTOTELES EN UTILITARISME
Term Uitleg Filosoof/Stroming
Eudaimonia Het geslaagde leven of geluk als hoogste goed bij Aristoteles; Aristoteles
niet louter genot maar de optimale realisering van de eigen
geschiktheid via de rede. Teleologisch: het is het hoogste goed
dat we nastreven om zichzelf.
Phronesis (praktische Het vermogen om goed te overwegen en te bepalen wat een Aristoteles
wijsheid) handeling in een specifieke situatie goed maakt. Het criterium
voor de ethische deugd.
Mesotis (het juiste De ethische deugd houdt het midden tussen twee ondeugden: Aristoteles
midden) teveel (overmaat) en te weinig (gebrek). Geen middelmatigheid
maar hoogtepunt; bepaald door de rede en de phronimos.
Phronimos De verstandige mens die als norm dient voor het juiste midden Aristoteles
in de deugdenethiek.
Hexis Een door gewoonte verworven en blijvende karakterdispositie; Aristoteles
de deugd als houding, niet als eenmalige handeling.
Bios politikos Het leven als actief burger in de polis; essentieel voor een Aristoteles
waardevol leven naast het contemplatieve leven gericht op de
rede.