Proefexamen: Basislessen 1 t/m 7 en Specialisatielessen 1 t/m 2 (= alle leerstof die gezien
werd voor de lesvrije week)
Algemene psychologie
Experiment lezen:
*= significant verschil
Factual= feitelijk
Conceptual= conceptueel
Hoofdstuk 1
Situering, geschiedenis en overzicht
Wat is psychologie?
Etymologisch betekenis: psyché = levensadem, geest, ziel
Logos= studie
Psychologie is een breed veld met veel specialisme in; het is de wetenschap van gedrag en
geestelijke processen.
Basisgebieden:
Sociale psychologie: mensen in relatie met hun omgeving
Persoonlijkheidspsychologie: wat een individu anders maakt dan een ander
Ontwikkelingspsychologie: doorheen de levensfase (baby,…)
Cognitieve psychologie: de psychische functies bv. geheugen
Biologische psychologie: vanuit de principes van de biologie
Methodenleer: de studie van de onderzoeksmethoden van empirisch onderzoek
Perspectieven psychologie
Moderne psychologie:
Oude Grieken zoals Socrates, Aristoteles en Plato speculeerden dat emoties en
bewustzijn ons denken verstoren en dat waarnemen interpretaties zijn.
, In Azië wordt er via meditatie (dit bij de boeddhisten en yoga) geprobeerd het bewustzijn
te beheersen.
In Afrika hebben ze andere verklaringen voor persoonlijkheid en psychische stoornissen
zoals bijvoorbeeld behandelingen (vb. lachtherapie). Deze zijn vaak met weinig
wetenschappelijk bewijs. Dit ontneemt de kans op iets dat wel werkt.
In middeleeuws Europa stond de rooms-katholieke kerk centraal en was de geest een
mysterie.
Na enkele eeuwen kwamen er nieuwe ideeën over geest en gedrag
6 belangrijke perspectieven
1. Biologisch perspectief:
R. Descartes ging uit van de scheiding van het fysieke lichaam en de spirituele geest. Hij
maakte gebruik van het rationalisme, waarbij denken het enigste middel is om aan
wetenschap te doen. Elk gedacht hoe onbetrouwbaar het ook mag zijn toont aan dat je
bestaat.
Hiertegen staat het empirisme. Die ging uit dat de enige ware bronnen van kennis onze
ervaringen en waarnemingen zijn.
Voorstanders empirisme:
Francis Bacon zegt net dat denken onze waarneming vertroebelt. Je hebt al bepaalde
verwachtingen bij iets en gaat die ook waarnemen. Bv. placebo-effect. Je verwacht dat
de pil gaat werken en dus gaat deze ook werken. Wetenschap moet zuiver zijn en zonder
verwachtingen.
John Locke ziet elk mens bij de geboorte als tabula rasa (een onbeschreven blad). Wat
wil zeggen dat een mens allerlei zaken leert door ervaringen.
Het moderne biologisch perspectief voegt lichaam en geest weer samen (vb. als je je
lichamelijk niet zo goed voelt, ga je je mentaal ook slechter voelen of omgekeerd). Men
ziet de geest als een product van de hersenen en gaat dus de oorzaken van gedrag
zoeken in het zenuwstelsel, endocriene stelsel en de genen. Hierop komen twee
variaties: de neurowetenschap en de evolutionaire psychologie ( natuurlijke selectie -
Charles Darwin)
2. Cognitieve perspectief:
W.Wundt (1832-1920) wou een systeem uitwerken met alle bouwstenen van het denken
(vb. periodiek systeem zoiets wou hij ontwerpen) = structuralisme. Hij heeft veel proeven
uitgevoerd via de methode introspectie (= binnen in kijken hoe mensen hun voelen).
Kritiek op introspectie: subjectief(afhankelijk persoon tot persoon), variatie tussen de
observatoren (vb. bij observeren: zoek hyperactieve kinderen uit een klas iedereen
ander idee van hyperactief onbetrouwbaarheid)
1879: eerste psychologisch labo
, W. James: functionalisme: zie geheel en de functie en het nut ervan(waarvoor dienen
die), niet alle delen apart (=een gestalt)
Moderne cognitieve psychologie: ontwikkeling van computers heeft hiertoe geleid.
Computer is zoals onze geest (input, verwerking, output).
3. Behavioristisch perspectief
J.B. Watson: behaviorisme: enkel kijken naar gedrag, hoe men reageert op prikkels.
Gedrag wordt volgens hem volledig gestuurd door externe prikkels. Hij maakt ook geen
onderscheid tussen mens en dier.
Baby Albert experiment: geen bang van rat luid geluid maken elke keer hij de rat ziet
of in contact komt met de rat wordt ineens wel bang van rat (typische angstreactie:
vermijden, vluchten) = conditionering kan veralgemenen bv. hij wordt nu ook ineens
bang van konijnen oplossing: veel blootstellen
Skinner:
Operante conditionering: vb. duiven pingpong krijgen eten als ze iets doen dat er wat
op lijkt in het begin en zo kan men hun gedrag vervormen naar hetgeen dat ze willen. Bij
ons is er ook veel gedrag zo geconditioneerd.
Pavlov:
Fysioloog die vertering bestudeerde en per toeval conditionering ontdekte.
4. Perspectief vanuit de gehele persoon:
Kijken naar meer dan enkel gedrag
Freud (een van de eerste): Ging uit van de psychodynamische theorie van de
persoonlijkheid dat wilt zeggen dat de onbewuste geest (psyché) een reservoir van
energie (dynamica) is voor de persoonlijkheid. Hierop kwam kritiek, omdat deze niet
toetsbaar was aan realiteit en moeilijk te weerleggen (vb. onderzoek of iets mooi is is
moeilijker dan onderzoeken of iets snel is)
Maslow: Als reactie op behaviorisme en psychoanalyse. Een mens heeft behoeftes en dus
overstijgt de menselijke natuur zijn omgeving. De hoogste behoeften zijn best te
bereiken als de onderste voldaan zijn. Het is een humanistische psychologie omdat het
de nadruk legt op de vrije wil van de mens en keuzes kan maken.
Oude Grieken:
Hippocrates: hoeveelheid sappen beïnvloedt onze persoonlijkheid: veel zwarte gal=
droeve persoonlijkheid; veel gele gal= boosaardig persoon; veel slijm= kalme persoon;
veel bloed= optimisme
5. Ontwikkelingsperspectief:
Piaget: bestudeerde ontwikkeling van kennis in kinderen en de fasen in de ontwikkeling.
, 6. Socioculturele perspectief:
Individu wordt niet alleen bekeken, maar in context. Sociale invloed staat centraal en
verschilt van cultuur tot cultuur.
Onderzoeksmethoden
Wetenschappelijke methode:
Voor de wetenschappelijke methode gebruiken we een empirisch cyclus. Deze bestaat
uit een theorie, hypothese, dataverzameling, beschrijvende analyse van data of
inductieve analyse van data en het publiceren.
1. Theorie:
= toetsbare verklaring voor een verzameling feiten of waarnemingen
Het toetsen gebeurt in 4 stappen:
1. Hypothese stellen
2. Objectieve data verzamelen
3. Resultaten analyseren
4. Resultaten publiceren en bekritiseren
Eigenschappen: kan worden getest/getoetst, kan feiten verklaren geen vaststaand
feit
2. Hypothese
= voorspelling van de uitkomst van een wetenschappelijk onderzoek. Het beweert
iets over de relatie tussen 2 variabelen. Vb. Blondines zijn minder slim dan brunettes.
Goede hypotheses zijn weerlegbaar en moet getoetst kunnen worden.
H0= geen verband vb. Blondines en brunettes zijn even slim wordt verworpen als
verschil in scores op variabelen tussen verschillende condities groot genoeg is
(=significant)
H1= wel verband vb. Brunettes zijn slimmer dan blondines
Vb.: experiment: Maakt suiker kinderen actiever?
Ene groep suiker geven en controlegroep geen suiker en hierna observeren.
gelijke groepen! (niet alle jongens daar en alle meisjes daar)
Problemen:
-Kind ziet dat andere iets krijgt en hij/zij niet opl. Zonder ze het weten (ene drank
suiker andere niet maar zelfde uitzien)
-Observator kan verwachtingen hebben opl. Weet niet welk kind suiker heeft
ingenomen en welke wel (blind onderzoek dubbelblind = als kinderen ook van
niets weten)
Op schaal aanduiden hoe actief men elk kind vond
werd voor de lesvrije week)
Algemene psychologie
Experiment lezen:
*= significant verschil
Factual= feitelijk
Conceptual= conceptueel
Hoofdstuk 1
Situering, geschiedenis en overzicht
Wat is psychologie?
Etymologisch betekenis: psyché = levensadem, geest, ziel
Logos= studie
Psychologie is een breed veld met veel specialisme in; het is de wetenschap van gedrag en
geestelijke processen.
Basisgebieden:
Sociale psychologie: mensen in relatie met hun omgeving
Persoonlijkheidspsychologie: wat een individu anders maakt dan een ander
Ontwikkelingspsychologie: doorheen de levensfase (baby,…)
Cognitieve psychologie: de psychische functies bv. geheugen
Biologische psychologie: vanuit de principes van de biologie
Methodenleer: de studie van de onderzoeksmethoden van empirisch onderzoek
Perspectieven psychologie
Moderne psychologie:
Oude Grieken zoals Socrates, Aristoteles en Plato speculeerden dat emoties en
bewustzijn ons denken verstoren en dat waarnemen interpretaties zijn.
, In Azië wordt er via meditatie (dit bij de boeddhisten en yoga) geprobeerd het bewustzijn
te beheersen.
In Afrika hebben ze andere verklaringen voor persoonlijkheid en psychische stoornissen
zoals bijvoorbeeld behandelingen (vb. lachtherapie). Deze zijn vaak met weinig
wetenschappelijk bewijs. Dit ontneemt de kans op iets dat wel werkt.
In middeleeuws Europa stond de rooms-katholieke kerk centraal en was de geest een
mysterie.
Na enkele eeuwen kwamen er nieuwe ideeën over geest en gedrag
6 belangrijke perspectieven
1. Biologisch perspectief:
R. Descartes ging uit van de scheiding van het fysieke lichaam en de spirituele geest. Hij
maakte gebruik van het rationalisme, waarbij denken het enigste middel is om aan
wetenschap te doen. Elk gedacht hoe onbetrouwbaar het ook mag zijn toont aan dat je
bestaat.
Hiertegen staat het empirisme. Die ging uit dat de enige ware bronnen van kennis onze
ervaringen en waarnemingen zijn.
Voorstanders empirisme:
Francis Bacon zegt net dat denken onze waarneming vertroebelt. Je hebt al bepaalde
verwachtingen bij iets en gaat die ook waarnemen. Bv. placebo-effect. Je verwacht dat
de pil gaat werken en dus gaat deze ook werken. Wetenschap moet zuiver zijn en zonder
verwachtingen.
John Locke ziet elk mens bij de geboorte als tabula rasa (een onbeschreven blad). Wat
wil zeggen dat een mens allerlei zaken leert door ervaringen.
Het moderne biologisch perspectief voegt lichaam en geest weer samen (vb. als je je
lichamelijk niet zo goed voelt, ga je je mentaal ook slechter voelen of omgekeerd). Men
ziet de geest als een product van de hersenen en gaat dus de oorzaken van gedrag
zoeken in het zenuwstelsel, endocriene stelsel en de genen. Hierop komen twee
variaties: de neurowetenschap en de evolutionaire psychologie ( natuurlijke selectie -
Charles Darwin)
2. Cognitieve perspectief:
W.Wundt (1832-1920) wou een systeem uitwerken met alle bouwstenen van het denken
(vb. periodiek systeem zoiets wou hij ontwerpen) = structuralisme. Hij heeft veel proeven
uitgevoerd via de methode introspectie (= binnen in kijken hoe mensen hun voelen).
Kritiek op introspectie: subjectief(afhankelijk persoon tot persoon), variatie tussen de
observatoren (vb. bij observeren: zoek hyperactieve kinderen uit een klas iedereen
ander idee van hyperactief onbetrouwbaarheid)
1879: eerste psychologisch labo
, W. James: functionalisme: zie geheel en de functie en het nut ervan(waarvoor dienen
die), niet alle delen apart (=een gestalt)
Moderne cognitieve psychologie: ontwikkeling van computers heeft hiertoe geleid.
Computer is zoals onze geest (input, verwerking, output).
3. Behavioristisch perspectief
J.B. Watson: behaviorisme: enkel kijken naar gedrag, hoe men reageert op prikkels.
Gedrag wordt volgens hem volledig gestuurd door externe prikkels. Hij maakt ook geen
onderscheid tussen mens en dier.
Baby Albert experiment: geen bang van rat luid geluid maken elke keer hij de rat ziet
of in contact komt met de rat wordt ineens wel bang van rat (typische angstreactie:
vermijden, vluchten) = conditionering kan veralgemenen bv. hij wordt nu ook ineens
bang van konijnen oplossing: veel blootstellen
Skinner:
Operante conditionering: vb. duiven pingpong krijgen eten als ze iets doen dat er wat
op lijkt in het begin en zo kan men hun gedrag vervormen naar hetgeen dat ze willen. Bij
ons is er ook veel gedrag zo geconditioneerd.
Pavlov:
Fysioloog die vertering bestudeerde en per toeval conditionering ontdekte.
4. Perspectief vanuit de gehele persoon:
Kijken naar meer dan enkel gedrag
Freud (een van de eerste): Ging uit van de psychodynamische theorie van de
persoonlijkheid dat wilt zeggen dat de onbewuste geest (psyché) een reservoir van
energie (dynamica) is voor de persoonlijkheid. Hierop kwam kritiek, omdat deze niet
toetsbaar was aan realiteit en moeilijk te weerleggen (vb. onderzoek of iets mooi is is
moeilijker dan onderzoeken of iets snel is)
Maslow: Als reactie op behaviorisme en psychoanalyse. Een mens heeft behoeftes en dus
overstijgt de menselijke natuur zijn omgeving. De hoogste behoeften zijn best te
bereiken als de onderste voldaan zijn. Het is een humanistische psychologie omdat het
de nadruk legt op de vrije wil van de mens en keuzes kan maken.
Oude Grieken:
Hippocrates: hoeveelheid sappen beïnvloedt onze persoonlijkheid: veel zwarte gal=
droeve persoonlijkheid; veel gele gal= boosaardig persoon; veel slijm= kalme persoon;
veel bloed= optimisme
5. Ontwikkelingsperspectief:
Piaget: bestudeerde ontwikkeling van kennis in kinderen en de fasen in de ontwikkeling.
, 6. Socioculturele perspectief:
Individu wordt niet alleen bekeken, maar in context. Sociale invloed staat centraal en
verschilt van cultuur tot cultuur.
Onderzoeksmethoden
Wetenschappelijke methode:
Voor de wetenschappelijke methode gebruiken we een empirisch cyclus. Deze bestaat
uit een theorie, hypothese, dataverzameling, beschrijvende analyse van data of
inductieve analyse van data en het publiceren.
1. Theorie:
= toetsbare verklaring voor een verzameling feiten of waarnemingen
Het toetsen gebeurt in 4 stappen:
1. Hypothese stellen
2. Objectieve data verzamelen
3. Resultaten analyseren
4. Resultaten publiceren en bekritiseren
Eigenschappen: kan worden getest/getoetst, kan feiten verklaren geen vaststaand
feit
2. Hypothese
= voorspelling van de uitkomst van een wetenschappelijk onderzoek. Het beweert
iets over de relatie tussen 2 variabelen. Vb. Blondines zijn minder slim dan brunettes.
Goede hypotheses zijn weerlegbaar en moet getoetst kunnen worden.
H0= geen verband vb. Blondines en brunettes zijn even slim wordt verworpen als
verschil in scores op variabelen tussen verschillende condities groot genoeg is
(=significant)
H1= wel verband vb. Brunettes zijn slimmer dan blondines
Vb.: experiment: Maakt suiker kinderen actiever?
Ene groep suiker geven en controlegroep geen suiker en hierna observeren.
gelijke groepen! (niet alle jongens daar en alle meisjes daar)
Problemen:
-Kind ziet dat andere iets krijgt en hij/zij niet opl. Zonder ze het weten (ene drank
suiker andere niet maar zelfde uitzien)
-Observator kan verwachtingen hebben opl. Weet niet welk kind suiker heeft
ingenomen en welke wel (blind onderzoek dubbelblind = als kinderen ook van
niets weten)
Op schaal aanduiden hoe actief men elk kind vond