INLEIDING BESTUURSKUNDE
Overheid: Politici met hun ambtenaren
(hiërarchisch verband, de klassieke overheid).
Openbaar bestuur: Overheid + semi-overheid
(verzelfstandigde overheidsdiensten met een
eigen rechtspersoonlijkheid, op afstand van
politici en van de klassieke administratie met
een eigen responsabilisering op elk
bestuursniveau).
Publieke sector (bredere term): Openbaar
bestuur en maatschappelijke organisaties met
een publiek doel.
Particuliere organisaties met publieke taak: Organisaties opgericht door private personen
(mutualiteiten, welzijnsorganisaties, onderwijs, gezondheidszorg,…). Het is geleidelijk verweven met
de overheid, met een slecht indirecte politieke verantwoordelijkheid. Het vertrouwen in deze
sectoren ligt er hoog (rond de 90%).
DEEL 1: SITUERING VAN DE BESTUURSKUNDE
Hoofdstuk 2: De bestuurskunde als discipline
Bestuurskunde bestudeert:
- Het openbaar bestuur (publieke sector) als geheel van organisaties en activiteiten (beleid en
management) die gericht zijn op de besturing van de maatschappij.
- Binnen de maatschappelijke, politieke en juridische omgeving (tijd en ruimte)
- Met het oog op kennisintegratie (4 niveaus)
- Gericht op verbetering van de kwaliteit (rechtmatig, doelmatig, democratisch, integer) van
het openbaar bestuur (publieke sector).
Wat is een goede overheid?:
- Overheid moet efficiënt werken, ze moeten het belastinggeld op een juiste manier gebruiken.
- Overheid moet rechtvaardig zijn. Burgers moeten door de overheid op een gelijke manier
behandeld worden.
1. Inleiding
In dit hoofdstuk wordt weergegeven wat volgens de huidige opvattingen de essentie is van de
bestuurskunde als discipline. Het studieobject van de bestuurskunde (ook ‘kenobject’ genoemd) is
het openbaar bestuur. De bestuurskunde onderscheidt zich van andere disciplines door haar
specifieke invalshoek, nl de aandacht voor kennisintegratie en kwaliteit van het openbaar bestuur. Dit
noemen we het ‘kennisobject’.
2. Definities van bestuurskunde
1
,De volgende definities zijn afkomstig van gezaghebbende academici uit het Nederlandse taalgebied.
Ze zijn chronologisch gerangschikt en weerspiegelen in die zin de evolutie die de invulling van de
discipline in de voorbije decennia heeft ondergaan.
- Van poelje (1942): Bestuurskunde leert hoe men de openbare dienst het beste leidt en
inricht. Het is een toegepaste wetenschap die over het inrichten en leiden van de openbare
dienst kennis verzamelt en ordent.
- Brasz (1969): Bestuurswetenschappen is de wetenschap die zich bezighoudt met de wijze
waarop de openbare dienst is ingericht en functioneert, intern en naar buiten tegenover de
burgers.
- Rosenthal (1982): Bestuurswetenschappen is de wetenschap die zich uitsluitend bezighoudt
met de studie van de interne en externe werking van de structuren en processen van het
openbaar bestuur.
- Maes (1996): Bestuurskunde bestudeert, binnen de maatschappelijke omgeving en binnen
het politieke systeem die bepalend zijn voor het overheidsbeleid, het geheel van de
organisaties en van de processen van het openbaar bestuur vanuit het oogpunt van hun
kwaliteit.
- Korsten (2004-2005): Bestuurskunde richt zich op de beschrijving, de verklaring en de
oplossing van praktische vraagstukken die te maken hebben met het bestuur, de organisatie
en het beleid van organisaties in het openbaar bestuur, in relatie tot de omgeving.
In het begin ligt de focus vooral op interne vraagstukken van het openbaar bestuur, maar in latere
definities komt de externe dimensie meer aan bod. De wisselwerking met de omgeving wordt dus
meer benadrukt.
Een belangrijk aspect is welke mate de bestuurskunde een prescriptieve wetenschap is die
aanbevelingen moet formuleren voor kwalitatief goed bestuur. Deze prescriptieve benadering komt
zowel in de definitie van Van Poelje, als van Maes terug.
3. Case: de opvang van asielzoekers
In deze case zullen we bespreken hoe de procedure voor het verkrijgen van de vluchtelingenstatus er
uitziet en hoe de opvang van asielzoekers georganiseerd is.
4. Het studieobject van de bestuurskunde
Hiervoor werd het studieobject (ook ‘kenobject’ genoemd) van de bestuurskunde omschreven als
‘het openbaar bestuur’. Dat is het geheel van organisaties en activiteiten die primair zijn gericht op de
besturing van de maatschappij.
Op vlak van organisaties dekt openbaar bestuur een veelheid aan instellingen en diensten. In
beperkte zin denken we vooral aan organisaties die verbonden zijn met de uitvoerende macht zoals
ministeries of agentschappen. In ruime zin behoren tot het openbaar bestuur evenwel ook semi-
overheidsinstanties en particuliere organisaties die publieke taken opnemen.
Bestuurskunde legt zich minder toe op organisaties die behoren tot de wetgevende macht
(parlementen bijvoorbeeld) of de rechterlijke macht (justitie).
Bestuurskunde legt zich vooral toe op de inrichting en werking van openbare besturen. Naast als een
geheel van organisaties kunnen openbaar bestuur ook verstaan in termen van het (be)sturen van het
maatschappelijk bestel. Het besturen komt dan neer op een aaneenschakeling van verschillende
activiteiten om binnen de samenleving gewenste ontwikkelingen en effecten te bewerkstelligen.
2
,Openbare besturen zijn op verschillende niveaus georganiseerd: lokaal (gemeenten en OCMW’s),
provinciaal, regionaal (gemeenschappen en gewesten), federaal, Europees en internationaal. Goed
bestuur veronderstelt samenwerking over de bestuursniveau heen.
Samengevat kunnen we zeggen dat het openbaar bestuur zowel een horizontale als een verticale
dimensie heeft. De horizontale dimensie geeft aan dat het openbaar bestuur niet alleen bestaat uit
de overheid in strikte zin, maar ook uit andere organisaties die publieke taken opnemen. De verticale
dimensie verwijst naar de gelaagdheid van het openbaar bestuur op verschillende bestuursniveaus.
Om beide dimensies te vatten gebruiken we de term ‘multi-level governance’. Maatschappelijke
problematieken laten zich niet meer besturen door de overheid (government), maar vereisen
samenwerking tussen verschillende actoren op verschillende niveaus (multi-level governance).
De huidige asielprocedure kan als volgt worden samengevat:
De eerste stap is dat de asielzoeker een verzoek tot internationale bescherming indient. Deze
aanvraag gebeurt meestal in het aanmeldcentrum in Brussel (het Klein Kasteeltje), maar kan ook aan
de grens gedaan worden (bv. luchthaven). De Dienst VreemdelingenZaken DVZ controleert de
asielaanvraag en onderzoekt of België verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek (het
Dublin-onderzoek). België mag de asielzoeker doorverwijzen als een andere Europese lidstaat
verantwoordelijk is.
Als de registratie is gebeurd wordt de asielaanvrager in principe toegewezen aan een opvangcentrum.
Opvangcentra worden beheerd door het Federaal Agentschap voor de Opvang van Asielzoekers
Fedasil en door partnerorganisaties zoals het Rode Kruis en Croix Rouge. Ze krijgen geen financiële
hulp, wel voeding en huisvesting.
Het verzoek om internationale bescherming zelf wordt onderzocht door het Commisariaat-Generaal
voor de Vluchtelingen en de Staatlozen CGVS. De verzoeker krijgt de kans om zijn verhaal te vertellen
en de motieven voor zijn verzoek uit te leggen. CGVS onderzoekt of het verhaal overeenstemt met de
werkelijkheid en of de verzoeker het vluchtelingenstatuut of subsidiaire bescherming kan krijgen.
Tijdens de duur van het onderzoek krijgt de verzoeker een voorlopige verblijfsvergunning.
Subsidiaire bescherming: Wordt toegekend aan verzoekers die niet aan de criteria voor het
vluchtelingenstatuut voldoen, maar zich niettemin in zo’n situatie bevinden dat terugkeren naar hun
land van herkomst een reëel en ernstig risico zou inhouden.
CGVS kan dat het statuut toekennen of weigeren. De asielzoeker kan beroep aantekenen wanneer hij
niet akkoord gaat met de beslissing van het CGVS. Dit beroep gebeurt bij de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen RVV. Als de RVV een eindbeslissing heeft genomen, wordt de procedure
afgesloten. Er is evenwel ook de mogelijkheid om cassatieberoep in te dienen bij de Raad van State
RvS.
Als het verzoek definitief is afgewezen, krijgt de uitgewezen verzoeker een bevel om het grondgebied
te verlaten. Dit kan op vrijwillige basis gebeuren, of gedwongen. Voor asielzoekers die erkend
worden, kan integratie in de samenleving verder uitgebouwd worden. In Vlaanderen is het
Agentschap Integratie en Inburgering een belangrijke speler in het integratiebeleid.
De bestuurskundige zal over de instellingen die hierboven zijn aangehaald, informatie inwinnen om
zicht te krijgen op hun inrichting en werking.
Fedasil is een instantie die instaat voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming. Ze
is een voorbeeld van interne verzelfstandiging. Dit betekent dat de instelling een zeker mate van
3
, autonomie heeft, maar nog steeds deel uitmaakt van de centrale overheid en nog steeds rechtstreeks
onder het hiërarchisch gezag valt van de minister. De belangrijkste reden voor de oprichting van
Fedasil als aparte instelling was het creëren van een meer slagkrachtige opvanginstantie met meer
rationele autonomie.
Naast collectieve opvangcentra bestaat het opvangnetwerk ook uit individuele opvangplaatsen,
georganiseerd door lokale besturen en ngo’s. Dit zijn individuele woningen waar asielzoekers kunnen
verblijven. Het merendeel hiervan zijn Lokale Opvanginitiatieven LOI’s, die opgericht worden door de
OCMW’s.
De betrokkenheid van niet-gouvernementele organisaties en lokale besturen bij het opvangbeleid is
een illustratie van wat hierboven benoemd werd met de term ‘multi-level governance’. Het openbaar
bestuur heeft zowel een horizontale, als een verticale dimensie, en het besturen van de samenleving
vergt samenwerking over organisaties en bestuurslagen heen.
Processen: Management (intern) en beleid (extern), gaat om ‘actie’, om ‘activiteiten’.
Management: Het beheer van de organisatie (personeel, financiën, gebouwen,…).
Beleid: Het op de samenleving gericht handelen van de organisatie(s).
5. De omgeving van het openbaar bestuur
Met omgeving van het openbaar bestuur bedoelen we alle aspecten die een grote impact hebben op
de inrichting en de werking van het openbaar bestuur. In eerste instantie denken we aan een aantal
politiek-institutionele aspecten, waardoor het openbaar bestuur in België zich onderscheidt van
bestuursstelsels in andere staten. Enkele voorbeelden:
- België is een constitutionele monarchie, d.w.z. dat de Koning het staatshoofd is en dat hij
handelt conform de Grondwet.
- België is een parlementaire democratie, dat betekent dat de bevolking rechtstreeks het
hoogste besluitvormende orgaan kiest, waaraan de regering verantwoording verschuldigd is.
- Ministers zijn verantwoordelijk voor het doen en laten van hun ambtenaren. Dat is het
principe van ministeriële verantwoordelijkheid.
- Politieke partijen zijn niet unitair maar regionaal georganiseerd.
- Politieke partijen vertegenwoordigen een sterke macht. Belangrijke beslissingen komen tot
stand in het kader van overleg tussen de partijvoorzitters. In die zin spreken van een
particratie.
Het belang van deze politiek-institutionele aspecten voor het openbaar bestuur kan men duiden door
een vergelijking te maken met een ander bestuursstelsel. I.t.t. een presidentieel regime, zal het
openbaar bestuur in ons land vooral afhangen van de regering. Deze regering zal i.t.t. een
meerderheidssysteem bestaan uit meerdere partijen. Besluitvorming verloopt daardoor moeizamer.
Particratie maakt dat de besluitvorming in belangrijke mate plaatsvindt buiten de formele structuren
en dat compromissen over de partijgrenzen heen een wezenlijk deel uitmaken van het openbaar
bestuur.
Het feit dat we in een rechtstaat leven is een zeer belangrijk gegeven voor het openbaar bestuur. De
wetgevende macht kan zelf uitmaken in hoever het openbaar bestuur in de samenleving kan
ingrijpen. Voor het bestuursoptreden moet een wettige machtiging voorhanden zijn en er kan
uitsluitend conform deze machtiging worden opgetreden. Dit noemen we rule of law of het
legaliteitsbeginsel. De overheid mag dus niet naar willekeur handelen. Een ander element van de
4
Overheid: Politici met hun ambtenaren
(hiërarchisch verband, de klassieke overheid).
Openbaar bestuur: Overheid + semi-overheid
(verzelfstandigde overheidsdiensten met een
eigen rechtspersoonlijkheid, op afstand van
politici en van de klassieke administratie met
een eigen responsabilisering op elk
bestuursniveau).
Publieke sector (bredere term): Openbaar
bestuur en maatschappelijke organisaties met
een publiek doel.
Particuliere organisaties met publieke taak: Organisaties opgericht door private personen
(mutualiteiten, welzijnsorganisaties, onderwijs, gezondheidszorg,…). Het is geleidelijk verweven met
de overheid, met een slecht indirecte politieke verantwoordelijkheid. Het vertrouwen in deze
sectoren ligt er hoog (rond de 90%).
DEEL 1: SITUERING VAN DE BESTUURSKUNDE
Hoofdstuk 2: De bestuurskunde als discipline
Bestuurskunde bestudeert:
- Het openbaar bestuur (publieke sector) als geheel van organisaties en activiteiten (beleid en
management) die gericht zijn op de besturing van de maatschappij.
- Binnen de maatschappelijke, politieke en juridische omgeving (tijd en ruimte)
- Met het oog op kennisintegratie (4 niveaus)
- Gericht op verbetering van de kwaliteit (rechtmatig, doelmatig, democratisch, integer) van
het openbaar bestuur (publieke sector).
Wat is een goede overheid?:
- Overheid moet efficiënt werken, ze moeten het belastinggeld op een juiste manier gebruiken.
- Overheid moet rechtvaardig zijn. Burgers moeten door de overheid op een gelijke manier
behandeld worden.
1. Inleiding
In dit hoofdstuk wordt weergegeven wat volgens de huidige opvattingen de essentie is van de
bestuurskunde als discipline. Het studieobject van de bestuurskunde (ook ‘kenobject’ genoemd) is
het openbaar bestuur. De bestuurskunde onderscheidt zich van andere disciplines door haar
specifieke invalshoek, nl de aandacht voor kennisintegratie en kwaliteit van het openbaar bestuur. Dit
noemen we het ‘kennisobject’.
2. Definities van bestuurskunde
1
,De volgende definities zijn afkomstig van gezaghebbende academici uit het Nederlandse taalgebied.
Ze zijn chronologisch gerangschikt en weerspiegelen in die zin de evolutie die de invulling van de
discipline in de voorbije decennia heeft ondergaan.
- Van poelje (1942): Bestuurskunde leert hoe men de openbare dienst het beste leidt en
inricht. Het is een toegepaste wetenschap die over het inrichten en leiden van de openbare
dienst kennis verzamelt en ordent.
- Brasz (1969): Bestuurswetenschappen is de wetenschap die zich bezighoudt met de wijze
waarop de openbare dienst is ingericht en functioneert, intern en naar buiten tegenover de
burgers.
- Rosenthal (1982): Bestuurswetenschappen is de wetenschap die zich uitsluitend bezighoudt
met de studie van de interne en externe werking van de structuren en processen van het
openbaar bestuur.
- Maes (1996): Bestuurskunde bestudeert, binnen de maatschappelijke omgeving en binnen
het politieke systeem die bepalend zijn voor het overheidsbeleid, het geheel van de
organisaties en van de processen van het openbaar bestuur vanuit het oogpunt van hun
kwaliteit.
- Korsten (2004-2005): Bestuurskunde richt zich op de beschrijving, de verklaring en de
oplossing van praktische vraagstukken die te maken hebben met het bestuur, de organisatie
en het beleid van organisaties in het openbaar bestuur, in relatie tot de omgeving.
In het begin ligt de focus vooral op interne vraagstukken van het openbaar bestuur, maar in latere
definities komt de externe dimensie meer aan bod. De wisselwerking met de omgeving wordt dus
meer benadrukt.
Een belangrijk aspect is welke mate de bestuurskunde een prescriptieve wetenschap is die
aanbevelingen moet formuleren voor kwalitatief goed bestuur. Deze prescriptieve benadering komt
zowel in de definitie van Van Poelje, als van Maes terug.
3. Case: de opvang van asielzoekers
In deze case zullen we bespreken hoe de procedure voor het verkrijgen van de vluchtelingenstatus er
uitziet en hoe de opvang van asielzoekers georganiseerd is.
4. Het studieobject van de bestuurskunde
Hiervoor werd het studieobject (ook ‘kenobject’ genoemd) van de bestuurskunde omschreven als
‘het openbaar bestuur’. Dat is het geheel van organisaties en activiteiten die primair zijn gericht op de
besturing van de maatschappij.
Op vlak van organisaties dekt openbaar bestuur een veelheid aan instellingen en diensten. In
beperkte zin denken we vooral aan organisaties die verbonden zijn met de uitvoerende macht zoals
ministeries of agentschappen. In ruime zin behoren tot het openbaar bestuur evenwel ook semi-
overheidsinstanties en particuliere organisaties die publieke taken opnemen.
Bestuurskunde legt zich minder toe op organisaties die behoren tot de wetgevende macht
(parlementen bijvoorbeeld) of de rechterlijke macht (justitie).
Bestuurskunde legt zich vooral toe op de inrichting en werking van openbare besturen. Naast als een
geheel van organisaties kunnen openbaar bestuur ook verstaan in termen van het (be)sturen van het
maatschappelijk bestel. Het besturen komt dan neer op een aaneenschakeling van verschillende
activiteiten om binnen de samenleving gewenste ontwikkelingen en effecten te bewerkstelligen.
2
,Openbare besturen zijn op verschillende niveaus georganiseerd: lokaal (gemeenten en OCMW’s),
provinciaal, regionaal (gemeenschappen en gewesten), federaal, Europees en internationaal. Goed
bestuur veronderstelt samenwerking over de bestuursniveau heen.
Samengevat kunnen we zeggen dat het openbaar bestuur zowel een horizontale als een verticale
dimensie heeft. De horizontale dimensie geeft aan dat het openbaar bestuur niet alleen bestaat uit
de overheid in strikte zin, maar ook uit andere organisaties die publieke taken opnemen. De verticale
dimensie verwijst naar de gelaagdheid van het openbaar bestuur op verschillende bestuursniveaus.
Om beide dimensies te vatten gebruiken we de term ‘multi-level governance’. Maatschappelijke
problematieken laten zich niet meer besturen door de overheid (government), maar vereisen
samenwerking tussen verschillende actoren op verschillende niveaus (multi-level governance).
De huidige asielprocedure kan als volgt worden samengevat:
De eerste stap is dat de asielzoeker een verzoek tot internationale bescherming indient. Deze
aanvraag gebeurt meestal in het aanmeldcentrum in Brussel (het Klein Kasteeltje), maar kan ook aan
de grens gedaan worden (bv. luchthaven). De Dienst VreemdelingenZaken DVZ controleert de
asielaanvraag en onderzoekt of België verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek (het
Dublin-onderzoek). België mag de asielzoeker doorverwijzen als een andere Europese lidstaat
verantwoordelijk is.
Als de registratie is gebeurd wordt de asielaanvrager in principe toegewezen aan een opvangcentrum.
Opvangcentra worden beheerd door het Federaal Agentschap voor de Opvang van Asielzoekers
Fedasil en door partnerorganisaties zoals het Rode Kruis en Croix Rouge. Ze krijgen geen financiële
hulp, wel voeding en huisvesting.
Het verzoek om internationale bescherming zelf wordt onderzocht door het Commisariaat-Generaal
voor de Vluchtelingen en de Staatlozen CGVS. De verzoeker krijgt de kans om zijn verhaal te vertellen
en de motieven voor zijn verzoek uit te leggen. CGVS onderzoekt of het verhaal overeenstemt met de
werkelijkheid en of de verzoeker het vluchtelingenstatuut of subsidiaire bescherming kan krijgen.
Tijdens de duur van het onderzoek krijgt de verzoeker een voorlopige verblijfsvergunning.
Subsidiaire bescherming: Wordt toegekend aan verzoekers die niet aan de criteria voor het
vluchtelingenstatuut voldoen, maar zich niettemin in zo’n situatie bevinden dat terugkeren naar hun
land van herkomst een reëel en ernstig risico zou inhouden.
CGVS kan dat het statuut toekennen of weigeren. De asielzoeker kan beroep aantekenen wanneer hij
niet akkoord gaat met de beslissing van het CGVS. Dit beroep gebeurt bij de Raad voor
Vreemdelingenbetwistingen RVV. Als de RVV een eindbeslissing heeft genomen, wordt de procedure
afgesloten. Er is evenwel ook de mogelijkheid om cassatieberoep in te dienen bij de Raad van State
RvS.
Als het verzoek definitief is afgewezen, krijgt de uitgewezen verzoeker een bevel om het grondgebied
te verlaten. Dit kan op vrijwillige basis gebeuren, of gedwongen. Voor asielzoekers die erkend
worden, kan integratie in de samenleving verder uitgebouwd worden. In Vlaanderen is het
Agentschap Integratie en Inburgering een belangrijke speler in het integratiebeleid.
De bestuurskundige zal over de instellingen die hierboven zijn aangehaald, informatie inwinnen om
zicht te krijgen op hun inrichting en werking.
Fedasil is een instantie die instaat voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming. Ze
is een voorbeeld van interne verzelfstandiging. Dit betekent dat de instelling een zeker mate van
3
, autonomie heeft, maar nog steeds deel uitmaakt van de centrale overheid en nog steeds rechtstreeks
onder het hiërarchisch gezag valt van de minister. De belangrijkste reden voor de oprichting van
Fedasil als aparte instelling was het creëren van een meer slagkrachtige opvanginstantie met meer
rationele autonomie.
Naast collectieve opvangcentra bestaat het opvangnetwerk ook uit individuele opvangplaatsen,
georganiseerd door lokale besturen en ngo’s. Dit zijn individuele woningen waar asielzoekers kunnen
verblijven. Het merendeel hiervan zijn Lokale Opvanginitiatieven LOI’s, die opgericht worden door de
OCMW’s.
De betrokkenheid van niet-gouvernementele organisaties en lokale besturen bij het opvangbeleid is
een illustratie van wat hierboven benoemd werd met de term ‘multi-level governance’. Het openbaar
bestuur heeft zowel een horizontale, als een verticale dimensie, en het besturen van de samenleving
vergt samenwerking over organisaties en bestuurslagen heen.
Processen: Management (intern) en beleid (extern), gaat om ‘actie’, om ‘activiteiten’.
Management: Het beheer van de organisatie (personeel, financiën, gebouwen,…).
Beleid: Het op de samenleving gericht handelen van de organisatie(s).
5. De omgeving van het openbaar bestuur
Met omgeving van het openbaar bestuur bedoelen we alle aspecten die een grote impact hebben op
de inrichting en de werking van het openbaar bestuur. In eerste instantie denken we aan een aantal
politiek-institutionele aspecten, waardoor het openbaar bestuur in België zich onderscheidt van
bestuursstelsels in andere staten. Enkele voorbeelden:
- België is een constitutionele monarchie, d.w.z. dat de Koning het staatshoofd is en dat hij
handelt conform de Grondwet.
- België is een parlementaire democratie, dat betekent dat de bevolking rechtstreeks het
hoogste besluitvormende orgaan kiest, waaraan de regering verantwoording verschuldigd is.
- Ministers zijn verantwoordelijk voor het doen en laten van hun ambtenaren. Dat is het
principe van ministeriële verantwoordelijkheid.
- Politieke partijen zijn niet unitair maar regionaal georganiseerd.
- Politieke partijen vertegenwoordigen een sterke macht. Belangrijke beslissingen komen tot
stand in het kader van overleg tussen de partijvoorzitters. In die zin spreken van een
particratie.
Het belang van deze politiek-institutionele aspecten voor het openbaar bestuur kan men duiden door
een vergelijking te maken met een ander bestuursstelsel. I.t.t. een presidentieel regime, zal het
openbaar bestuur in ons land vooral afhangen van de regering. Deze regering zal i.t.t. een
meerderheidssysteem bestaan uit meerdere partijen. Besluitvorming verloopt daardoor moeizamer.
Particratie maakt dat de besluitvorming in belangrijke mate plaatsvindt buiten de formele structuren
en dat compromissen over de partijgrenzen heen een wezenlijk deel uitmaken van het openbaar
bestuur.
Het feit dat we in een rechtstaat leven is een zeer belangrijk gegeven voor het openbaar bestuur. De
wetgevende macht kan zelf uitmaken in hoever het openbaar bestuur in de samenleving kan
ingrijpen. Voor het bestuursoptreden moet een wettige machtiging voorhanden zijn en er kan
uitsluitend conform deze machtiging worden opgetreden. Dit noemen we rule of law of het
legaliteitsbeginsel. De overheid mag dus niet naar willekeur handelen. Een ander element van de
4