Uitgebreide samenvatting
Deel I — Prof. Albers (business & instellingen) | Deel II — Prof. Van Gompel (macro-economie)
Het examen bestaat uit twee delen en is hoofdzakelijk meerkeuze (tussen 40 en 80 vragen, 2 uur). Veel
vragen testen definities en 'NIET/GEEN'-formuleringen. Deze samenvatting volgt de structuur van de cursus.
,DEEL I — Prof. Albers
1. Stabiliteit en verandering in de internationale economische omgeving
Leerdoel van dit hoofdstuk is het belang begrijpen van regels en internationale instellingen
voor de stabiliteit en betrouwbaarheid van economische activiteit, en herkennen waar de
gevoeligheden liggen die globalisering onder druk zetten.
1.1 Wat is globalisering?
Globalisering is de verschuiving naar een meer geïntegreerde en onderling afhankelijke
wereldeconomie: van onafhankelijke nationale economieën naar één onderling verweven
internationaal economisch systeem. Het is zowel een drijvende kracht achter als een resultaat
van economische groei.
Twee dimensies worden onderscheiden:
• Globalisering van de productie: bedrijven spreiden hun productie over de hele wereld en
betrekken inputs uit verschillende landen (globale waardeketens).
• Globalisering van de markten: nationale markten smelten samen tot grotere, geïntegreerde
markten waarop bedrijven wereldwijd verkopen.
Empirische vaststellingen: de waarde van de globale export stijgt sinds 1950 exponentieel; het
aantal mensen in armoede is zowel in relatieve als in absolute termen gedaald; en de
handelsbarrières (tarieven) zijn fors afgenomen — van hoge tarieven op veel goederen naar
gemiddeld ongeveer 4% begin jaren 2000. Niet enkel goederen, ook mensen verspreiden zich
(de coronapandemie, met oorsprong in China, illustreerde hoe een lokale gebeurtenis
wereldwijde gevolgen krijgt).
1.2 Drie internationale conflicten
Handelsconflict China–VS: de spanningen zijn voortgekomen uit wederzijdse
beschuldigingen van oneerlijkheid. De tarieven liepen wederzijds op. Het Amerikaanse
handelstekort met China bedroeg in 2018 ongeveer 419 miljard dollar. Het conflict illustreert
hoe diep verweven economieën toch in een handelsoorlog kunnen belanden (begin van
deglobalisering).
Airbus vs. Boeing bij de WTO: beide vliegtuigbouwers beschuldigen elkaar al jaren van
oneerlijke (overheids)subsidies. De WTO moest zich herhaaldelijk uitspreken en bevond zowel
de EU als de VS schuldig aan illegale staatssteun.
Bredere gevoeligheden: conflicten ontstaan ondanks het succesverhaal van globalisering
omdat landverschillen (1) kunnen leiden tot internationale conflicten (vaak tijdelijke externe
crisissen, soms blijvend zoals rond Palestina) en (2) een permanente bron van
managementcomplexiteit vormen voor internationaal opererende bedrijven (verschillende
regels inzake arbeid, en impact op werknemers, klanten en leveranciers).
1.3 De tragedy of the commons en multilateralisme
Het fundamentele conflict is dat tussen individuele kortetermijnbelangen en collectieve
langetermijnbelangen — de tragedy of the commons. Ieder land heeft er op korte termijn baat
,bij om eigen belangen voorop te stellen, maar dat ondermijnt op lange termijn de gezamenlijke
welvaart.
Landen kunnen hun economische belangen op drie manieren coördineren:
• Imperialisme: één macht legt de regels op (bv. het Romeinse Rijk).
• Bilateralisme: afspraken tussen twee landen.
• Multilateralisme: gezamenlijke regels via internationale instellingen (VN, WTO, EU).
De vorige periode van bilaterale/imperialistische coördinatie leidde tot verwoesting
(wereldoorlogen). Regels en multilateralisme bieden een manier om met uiteenlopende
belangen om te gaan: ze creëren stabiliteit en voorspelbaarheid, wat essentieel is omdat
economische activiteiten vertrouwen en betrouwbaarheid vereisen. Economische onzekerheid
beïnvloedt de groei immers negatief.
Examen-alert: Klassieke MC-val: 'Wat is GEEN voorbeeld van multilateralisme?' → het
Romeinse Rijk (= imperialisme). VN, WTO en EU zijn wél multilateraal.
2. De internationale business-omgeving en multinationale ondernemingen
Leerdoelen: definieer de multinationale onderneming en haar blootstelling aan landverschillen;
beschrijf de categorieën landverschillen; en ken de instrumenten en argumenten van
overheidsinterventie.
2.1 De multinationale onderneming (MNO)
Een MNO is elk bedrijf dat productieve activiteiten in twee of meer landen heeft. Het gaat echt
om de productieve activiteit, niet enkel om financiële belangen. Zodra je in andere landen
actief bent, moet je met andere regelgeving overweg kunnen.
Sinds de jaren 1960 is de MNO een groot succes. Het aantal niet-Amerikaanse multinationals
(o.a. Chinese) is gestegen, net als het aantal mini-multinationals. Bijzondere vormen:
• Born globals: bedrijven die zeer snel (bv. binnen drie jaar) een multinational worden. Dit
hangt samen met een vaak kleinere thuismarkt en het zijn meestal hoogtechnologische
bedrijven.
• MNO's uit opkomende markten (bv. Brazilië): hun thuismarkten zijn vaak minder efficiënt;
deze bedrijven kunnen goed omgaan met onvolledige regulering en bieden soms zelf
voorzieningen aan (bv. scholing) die op hun thuismarkt ontbreken.
Het succes van de MNO hangt samen met de globalisering van productie en markten: door
activiteiten te spreiden kan een bedrijf de goedkoopste of meest geschikte locatie kiezen voor
elke schakel van de waardeketen en tegelijk wereldwijd afzetten. Daar staat tegenover dat de
MNO permanent moet omgaan met landverschillen — andere culturen, niveaus van
economische ontwikkeling en politiek-legale systemen — die zowel kansen (nieuwe markten,
lagere kosten) als risico's (politieke instabiliteit, andere regelgeving, valutarisico) inhouden. De
analyse van die landverschillen is dan ook de kern van de internationale bedrijfsomgeving: ze
bepaalt of en hoe een bedrijf in een land actief wordt.
, Voorbeeld: Toyota concurreert wereldwijd met Volkswagen om de grootste te zijn en is in zeer
veel landen actief.
3. Landverschillen: cultuur, economische ontwikkeling en politieke economie
De drie hoofdcategorieën van landverschillen zijn cultuur, economische ontwikkeling en
politieke economie (waaronder het legale systeem).
3.1 Cultuur
Cultuur is de collectieve programmering van de geest die de leden van een groep of
categorie mensen onderscheidt van een andere. Het is moeilijk eenduidig te omschrijven,
maar het betreft patronen van gedachten, gevoelens, gedragingen en symbolen die
terugkomen in een groep, betekenis geven aan acties en interpretaties van situaties bepalen.
Cultuur is zichtbaar, wordt openbaar gedeeld en als vanzelfsprekend genomen. Ook bedrijven
hebben culturen.
De culturele dimensies van Hofstede (gebaseerd op bevragingen binnen een grote MNO):
• Machtsafstand: in welke mate aanvaardt men ongelijke machtsverdeling? Sommige
culturen aanvaarden autoriteit, andere willen gelijkwaardigheid.
• Individualisme vs. collectivisme: staat de autonomie van het individu centraal of het belang
van de groep?
• Onzekerheidsvermijding: in welke mate voelt men zich bedreigd doordat niet alles
voorspelbaar is?
• Masculiniteit vs. femininiteit: bepaalde waarden werden destijds aan een geslacht
gekoppeld (samenwerking als 'vrouwelijke' waarde).
• Lange- vs. kortetermijnoriëntatie: kijkt men naar het succes van morgen of naar
duurzaamheid op langere termijn?
In de 'sampling mapping' situeren de Angelsaksische landen zich meer in het individuele
kwadrant (overheid moet beperkt zijn), terwijl bv. Zuid-Amerika hoger scoort op familie en
machtsafstand. Cultuurverschillen hebben concrete gevolgen voor bedrijven: namen en
slogans kunnen na vertaling iets negatiefs betekenen (vb. de Ford Pinto).
Determinanten van cultuur: de groep en het gebied waarin men geboren wordt, religie
(christelijke waarden verschillen van andere en bepalen mede de rol van de economie), taal
(sommige talen hebben woorden zonder equivalent) en de sociale structuur (de stratificatie
van de samenleving). Dit alles beïnvloedt hoe beleid in een bedrijf wordt gevoerd.
Examen-alert: 'Zekerheidsvermijding is GEEN culturele dimensie van Hofstede' is FOUT —
onzekerheidsvermijding hoort er wél bij. Inkomensongelijkheid is daarentegen géén Hofstede-
dimensie.
3.2 Economische ontwikkeling