1.1 WAT IS PERSONENRECHT?
Onderdeel Burgerlijk Recht
Bepaalt in het algemeen wie een persoon is, welke zijn rechten en plichten zijn als enkeling/individu
Regelt de bescherming van personen
SAMENGEVAT: het regelt in welke mate personen mogen deelnemen aan het rechtsverkeer
alle algemene begrippen die u als persoon behandelen (rechten en plichten die jij hebt) het regelt in welke
mate personen mogen deelnemen aan het rechtsverkeer
1.2 WAT IS FAMILIERECHT
Onderdeel Burgerlijk Recht
Regelt het statuut van verhoudingen enerzijds gebaseerd op afstamming en anderzijds op
levensgemeenschap tussen volwassenen
Verticale en horizontale familiale relaties
is privaatrechtelijke vorm van recht voor personen (horizontaal: levensgemeenschappen en verticaal:
afstamming)
1.3 VINDPLAATS PERSONEN- EN FAMILIERECHT
Burgerlijk Wetboek (Personenrecht vind je vooraan)
o “BOEK 1 PERSONEN” (art. 3 tot art. 502 oud BW)
o Afzonderlijke wetgeving vb. bescherming personen met een psychiatrische aandoening (wet
26.06.1990), jeugdbeschermingswet (8.04.1965), rechten van de patiënt (wet 22.08.2002),
…
o Relatievermogensrecht (vermogensrechtelijke gevolgen die ontstaan als 2 mensen een
duurzame relatie aangaan)
o Internationaal recht speelt ook belangrijke rol
o EVRM (Rome, 4.11.1950) → artikel 8 (Recht op eerbiediging van het privé-,familie- en
gezinsleven)
o IVBPR (10.12.1968)
o IVRK (20.11.1989)
o Handvest van de Grondrechten van de EU
1.4 BELANG VAN RECHTSPRAAK
Leemte opvullen
1.5 RAAKVLAKKEN MET ANDERE RECHTSVAKKEN
Huwelijksvermogensrecht (zie art. 212-224 oud B.W. en 2.3.1 tot 2.3.88 B.W.) < Familiaal
vermogensrecht < Relatievermogensrecht
Het Erfrecht: “erfrechtelijke overgang van de goederen binnen de familie” ( Boek IV B.W. →
nalatenschappen, schenkingen en testamenten )
Het Gerechtelijk Privaatrecht:
o Familierechtbank binnen de Rechtbank van Eerste Aanlegà één dossier één Rechter
(opgericht door wet 30.07.2013)
o bemiddelen via KMS
o hoorrecht (art 1004/1 Ger.W. zoals gewijzigd door de Wet van 28.03.2024)
Het strafrecht:
o “familieverlating”, art. 391bis Sw
o “kindermisbruik”
Het fiscaal recht en het sociaalzekerheidsrecht:
o “ de familiale verhoudingen”
1.6 SAMENHANG TUSSEN PERSONENRECHT EN FAMILIERECHT
Naamrecht:
o Personenrecht (staat van persoon)
o Familierecht (afstamming, adoptie)
Jeugdbeschermingsrecht:
o Personenbeschermingsrecht: belang van het kind
o Familierecht: opvoeding
~1~
,2 PERSONENRECHT
2.1 PERSOONLIJKHEID
2.1.1 DE PERSOON
I. BEGRIP PERSONEN
= elke entiteit die drager kan zijn van rechten en plichten
rechtsbekwaamheid
II. WIE IS PERSOON? (SOORTEN PERSONEN)
A.
Natuurlijke personen
Alleen mensen zijn personen (dieren niet genieten wél een zekere bescherming)
Elke mens heeft rechten en plichten
Kan goederen kopen, mag huwen, kan ervan, mag schenken …
Alleen de levende mens is een persoon (embryo, lijk, foetus hebben geen rechtspersoonlijkheid wel
bijzondere rechtsbescherming)
Zijn allen rechtsbekwaam en principieel in gelijke mate (art. 10 Gw. En art. 4 oud BW)
Er kan geen beslag gelegd worden op de’ handelswaarde’ van een mens o Hoe zit het met de verkoop
van een voetbalspeler?
o Voetballers worden verkocht voor hun waarde en niet voor hun persoon
Beperking subjectieve rechten
Wet of rechter ontneemt of ontzegt aan enkele personen een beperkt aantal subjectieve rechten
beperking rechtsbekwaamheid
Beperking rechtsbekwaamheid
Vreemdelingen hebben niet alle politieke rechten (stemrecht, bekleden van een politiek mandaat)
Bepaalde door wet opgesomde personen in relatie tot bepaalde andere personen (art. 4.142 oud BW
en art. 215 oud BW → echtgeno(o)t(e) kan de gezinswoning niet verkopen)
Door rechter (lees art. 4.6 BW→ onwaardigheid om te erven) en art. 32 Jeugdbeschermingswet →
ontzetting uit ouderlijk gezag)
B. Rechtspersonen
= Een groepering van mensen of rechtspersonen die drager zijn als groepering van rechten en
plichten
Gevolg: rechtspersonen kunnen, los van de samenstellende natuurlijke personen, aan het
rechtsverkeer deelnemen zoals een mens, als dragers van subjectieve rechten en plichten
Vb.: verenigingen (vzw’s), vennootschappen
III. ONTSTAAN EN BEËINDIGING VAN DE PERSOONLIJKHEID VAN DE NATUURLIJKE PERSOON
A. Ontstaan
a. Vangt aan met de geboorte
i. Levend: vanaf 24 weken (6 maanden), een doodgeboren kind verwerft geen
persoonlijkheid
ii. Levensvatbaar: dus niet in de onmogelijkheid verkeren om te overleven (bv extreme
vroeggeboorte niet)
b. Een verwekt kind: kan al titularis zijn van bepaalde rechten en plichten voor de geboorte in
zoverre het later levend en levensvatbaar geboren wordt.
(Vb. kind van Wouter Weylandt. ‘Infans conceptus pro iam nato habetur quotiens de
commodo eius agitur’ = Latijnse uitspraak Een verwekt kind wordt als geboren
beschouwd telkens als het er voordeel bij heeft)
c. Vermoeden van verwekking: 300 tot 180e dag voor geboorte
C. Beëindiging
a. Eindigt met overlijden
b. Bij euthanasie wordt geacht natuurlijke dood gestorven te zijn voor wat betreft uitvoering
overeenkomst waarbij hij partij was (vb. levensverzekering)
c. Verdacht overlijden? (Mogelijk dient gerechtsarts ingeschakeld te worden)
d. Faillietverklaring is mogelijk 6 maanden na overlijden
e. Geen definitie van ogenblik van dood. (Wanneer alle functies nodig voor handhaving
menselijk leven “volledig” en “onomkeerbaar” uitgevallen zijn) de tijd is van belang voor
bv erfeniskwesties.
f. Orgaanuitneming ‘ex mortuo’: het overlijden van de donor moet worden vastgesteld door
een college van drie geneesheren
~2~
, g. Commorientes-leer: indien de volgorde waarin twee of meer personen zijn overleden niet
kan worden bepaald, stelt de wet een vermoeden van gelijktijdig overlijden (onduidelijkheid
bij de erfenis) vb. vliegtuigramp, treinramp wie is eerst overleden? onmogelijk te vinden?
dan zegt de wet dat ze gelijktijdig zijn overleden, het is belangrijk voor erfrecht en de
families.
h. Uitzonderlijk kunnen ook postuum rechtshandelingen worden toegestaan (uit belang voor
derden) Vb. de erkenning van een overleden kind, betwisten van het vaderschap over een
overleden kind, adoptieprocedure die wordt voortgezet na het overlijden van de kandidaat-
adoptant.
2.1.2 DE STAAT VAN DE PERSOON
I. ALGEMEEN
A. Begripsbepaling
= Geheel van persoonlijke en persoonlijke relatiegebonden hoedanigheden van een persoon die zijn
juridische plaats in de maatschappij en de familie bepalen Bv Belg zijn, gehuwd zijn, …
Het is de rechtstoestand van een persoon die zijn rechten en plichten bepalen
Zie art. 6, § 2 oud BW “De staat van een persoon is het geheel van bepaalde hoedanigheden
van een persoon die zijn rechtspositie in de familie en in de maatschappij bepalen en die hem
onderscheiden van de andere personen wat het bezit en de uitoefening van bepaalde rechten
betreft.”
Volgens elementen van de staat van de persoon worden onderscheiden;
De overheid (nationaliteit, Belgische nationaliteit, vreemde nationaliteit, staatloze,…)
De familie (verwantschap of gehuwd of niet)
De enkeling (geslacht, leeftijd, psychische geestestoestand,…)
Deze individuele aspecten van de persoon worden aangeduid als elementen van staat
D. Verkrijging van de staat
Gezien het belang van deze staat kan deze enkel voortvloeien uit of krachtens een wet
De verkrijging is afhankelijk van;
o Rechtsfeiten (geboorte, overlijden, leeftijd)
o Materiële rechtshandelingen (huwelijk, erkenning)
o Gerechtelijke uitspraken: (echtscheiding, adoptie, onbekwaamverklaring)
o Een wet: de naturalisatie (Belg worden)
E. Kenmerken van de staat
De staat bepaalt iemands rechtspositie en moet dus tegenstelbaar zijn aan iedereen. Zowel het
verkrijgen, verliezen als wijzigen van de elementen van de staat moet gebeuren volgens wettelijke
regels. Hiervan mag men niet afwijken omdat deze regels de openbare orde aanbelangen.
1. De staat is niet vatbaar voor autonome wijziging: geen wijziging door autonome wilsuiting
betrokkenen. (bv als gehuwde kan je niet beslissen om opeens niet meer gehuwd te zijn.) Wettelijke
regels moeten gevolgd worden. Je kunt niet simpelweg beslissen dat je vanaf morgen "geen kind
meer bent" van je ouders. Zelfs als je geen contact meer hebt, blijft de juridische band (de
afstamming) bestaan tot een rechter daar via een wettelijke procedure (zoals adoptie) over beslist.
2. De staat is onbeschikbaar: elke overeenkomst, dading of afstand die tot voorwerp of oogmerk zou
hebben een element van de staat te wijzigen, is nietig. Je kunt geen contract sluiten met je partner
waarin je afspreekt: "voor 500 euro per maand doen we alsof we niet getrouwd zijn voor de wet."
Zo’n overeenkomst is ongeldig (nietig); je kunt je burgerlijke staat niet verkopen of weggeven.
3. De staat is universeel tegenstelbaar. Als jij officieel getrouwd bent, moet iedereen (de bank, de
fiscus, je werkgever) daar rekening mee houden. Je bent niet "een beetje getrouwd" voor de één en
"vrijgezel" voor de ander.
4. De staat is niet vatbaar voor verjaring: het tijdsverloop blijft zonder invloed op iemands
rechtstoestand. Als je officieel de Belgische nationaliteit hebt, verlies je die niet plotseling omdat je
tien jaar lang je paspoort niet hebt gebruikt of in het buitenland hebt gewoond. De tijd die verstrijkt,
verandert je status niet automatisch.
5. De staat is enkelvoudig: kan niet gelijktijdig m.b.t. een welbepaald element van zijn staat twee
verschillende hoedanigheden hebben. Je kunt niet tegelijkertijd "gehuwd" en "ongehuwd" zijn. Je
bent het ene of het andere. Ook kun je (in België) niet tegelijkertijd de juridische vader van twee
verschillende gezinnen zijn voor hetzelfde kind.
~3~
, F. Vorderingen van de staat
Het geheel van de rechtsvorderingen die de vaststelling of wijziging van een element van de staat
van de persoon betreffen
o Vorderingen tot vaststelling van staat: deze zijn van declaratieve aard (= de rechter zegt dat
een persoon een bepaalde reeds vooraf bestaande staat heeft)
Inroeping van staat: een moeder komt kind inschrijven op school zonder dat dit kind
op paspoort vermeld is, onderzoek naar vaderschap,...
betwisting van staat: betwisting vaderschap, nietigverklaring van het huwelijk,...
o Vorderingen tot wijziging van staat: deze zijn van constitutieve aard (= schept een nieuwe
rechtstoestand)
een vordering tot echtscheiding, verzoek tot ontvoogding, verzoek tot adoptie…
Kenmerken van declaratieve aard en constitutieve aard
A. onbeschikbaar: eens gesteld is het niet meer van jou
B. onverjaarbaar: Zoals eerder, als je het niet gebruikt kan het niet verjaren, er zijn uitzonderingen!
C. hoogst persoonlijk en toegewezen: enkel betrokken personen kunnen deze stellen
D. altijd en allemaal moeten deze gesteld worden bij de familierechtbank
G. Bezit van staat
= De feitelijke toestand waarin men zich bevindt m.b.t. een bepaald element van zijn staat
Inhoud: de wet geeft geen algemene omschrijving van het bezit van staat
o Nomen: het dragen van een naam die overeenstemt met de staat waarvan met het bezit
inroept
o Fama: erkent worden door familie en samenleving
o Tractatus: behandeld worden als …
In het afstammingsrecht voegt men er een vierde component aan toe namelijk het feit dat de
openbare overheid de betrokkene beschouwt als hebbend de staat waarop hij zich beroept
Om van een deugdelijk bezit van staat te kunnen spreken is alleen vereist:
o Voldoende betekenisvolle feiten aangevoerd worden
o Dat alle aanwijzingen convergerend zijn (niet tegensprekelijk)
o Dat het bezit dat door aangevoerde feiten wordt aangetoond, voortdurend is
II. DE BEKWAAMHEID
A. Soorten bekwaamheid
1. Feitelijke bekwaamheid = je kan iets bv. schrijven
a. Materiële handelingen te stellen (verrichtingen) auto besturen, te schrijven
b. Rechtshandelingen te stellen (wilsbekwaamheid) om een contract opstellen heb je een wil
nodig
c. De schuldbekwaamheid of toerekeningsvatbaarheid bv. Farid Le Fou, Kim De Gelder
2. Rechtsbekwaamheid = over de mogelijkheid beschikken om bepaalde rechten en plichten te hebben.
a. Principe: elke persoon bezit dezelfde volledige rechtsbekwaamheid en is dus volledig
rechtsbekwaam.
b. Gedeeltelijke rechtsbekwaamheid: vreemdelingen, strafrechtelijk veroordeelden
(onderzoeksrechter Jespers, jaren ‘70)
c. Specifieke rechtsonbekwaamheden uit de wet bv. onbekwaamheid om te huwen met naaste
bloed- en aanverwanten, onbekwaamheid doctoren bij testamentaire aanduiding door
patiënt
d. De regel dat een gehuwd persoon geen overeenkomst mag sluiten met zijn echtgenoot werd
afgeschaft!
3. Handelingsbekwaamheid = de juridische mogelijkheid om de rechten en plichten waarvan men
drager is, zelf en zelfstandig uit te voeren
a. In beginsel is iedere persoon handelingsbekwaam
b. Uitzonderingen voor bepaalde categorieën van personen: niet iedere rechtsbekwamen is
tevens handelingsbekwaam
i. Volledige handelingsonbekwaamheid (vertegenwoordiging)
ii. Beperkte handelingsonbekwaamheid (bijstand, toestemming, verzet)
c. In regel zijn beschermingsstatuten voor individuen (zie titel 2 personenbeschermingsrecht),
zo werd er een bijzonder statuut ingesteld voor de persoon die geneigd is al zijn bezittingen
weg te geven, er is een bewindvoerder over hem aangesteld door de bevoegde vrederechter
~4~