Leerdoelen:
• De student weet wat fundamenteel en praktijkgericht (wetenschappelijk)
onderzoek is en kan dit omschrijven en herkennen in de praktijk.
• De student begrijpt het verschil tussen fundamenteel en praktijkgericht
onderzoek en kan dit omschrijven en herkennen in de praktijk.
• De student kan het nut van praktijkgericht onderzoek binnen de toegepaste
psychologie omschrijven.
• De student kan de verschillende grondvormen (of: soorten onderzoek)
omschrijven en onderscheiden in bestaand onderzoek.
• De student kan bestaand onderzoek aftoetsen aan de praktische,
wetenschappelijke en ethische eisen waaraan onderzoek moet voldoen.
1. Wat is wetenschappelijk onderzoek
• Doelgericht proces: het is duidelijk wat we als doel hebben om de onderzoeksvraag
te gaan beantwoorden.
• Systematisch:
o Nadenken over hoe aan het proces te beginnen
o Plan van aanpak
o Structureel
o Systematisch
o Welke zoektermen?
o Welke databases gebruiken?
• Betrouwbare & geldige gegevens
• Verzamelen & analyseren
• Onderzoeksvraag beantwoorden
• Vertrekkende vanuit een probleemstelling
• Uitspraak over de werkelijkheid
De student weet wat fundamenteel en praktijkgericht (wetenschappelijk)
onderzoek is en kan dit omschrijven en herkennen in de praktijk.
1.1. Fundamenteel onderzoek
Fundamenteel of theoriegericht onderzoek is gericht op wetenschappelijke
theorievorming, ofwel het vergroten van de algemene kennis over hoe de wereld en het
menselijke gedrag in elkaar zitten (Roose & Meuleman, 2018).
• Gebrek aan kennis → kennis verwerven
• Kennis over een onderwerp i.p.v. oplossing voor een probleem
o Maar… er kunnen wel probleemoplossingen uit voortvloeien
, • Doelpubliek = academisch
• Kan uitmonden in een nieuwe theorie
(theorie = systematische verklaring voor hoe een bepaald verschijnsel of proces
werkt)
1.1 Praktijkgericht onderzoek
Praktijkgericht onderzoek heeft als doel om via kennis bij te dragen aan het oplossen van
praktische (maatschappelijke) problemen (Roose & Meuleman, 2018).
• Vertrekt vanuit de praktijk (een praktijkprobleem)
• Vaak in samenwerking met een opdrachtgever uit het werkveld
• Doelpubliek = personen uit het werkveld
• Valorisatie houdt in dat wetenschappelijke kennis en ervaring een meerwaarde
creëert buiten de onderzoeksomgeving (bv. voor de maatschappij).
• Bedoeling is om zaken te veranderen in de praktijk
De student begrijpt het verschil tussen fundamenteel en praktijkgericht onderzoek
en kan dit omschrijven en herkennen in de praktijk.
Verschil:
• Fundamenteel onderzoek = kennisgericht
• Praktijkgericht onderzoek = oplossingsgericht
Gemeenschappelijk:
Allebei wetenschappelijk onderzoek!
De student kan de verschillende grondvormen (of: soorten onderzoek) omschrijven
en onderscheiden in bestaand onderzoek.
2. Soorten onderzoek
2.1. Literatuur- versus empirisch onderzoek
Literatuuronderzoek
Systematisch verzamelen en bestuderen van bestaande informatie en publicaties over
een bepaald onderwerp om een overzicht te krijgen van wat er al bekend over is.
• Bestaande (wetenschappelijke of vak-) literatuur of bronnen over een
onderzoeksonderwerp verzamelen en in kaart brengen
o Bron = document of werk dat informatie bevat over een bepaald onderwerp
• Bestaande (wetenschappelijke) literatuur omtrent het onderzoeksonderwerp
grondig bestuderen
• Resultaat = literatuurstudie
o Eén tekstueel geheel dat eerder onderzoek samenbrengt en positioneert ten
opzichte van elkaar.
, o Géén samenvatting van elk artikel apart, maar een synthese van meerdere artikels
in functie van jouw onderzoeksvraag.
• Hoe aan de slag?
o Slim zoeken via databanken en moet goede zoektermen.
o Kwaliteitsvolle en bruikbare bronnen? Wees kritisch!
▪ Actueel, relevant en betrouwbaar
o Correct verwijzen naar bronnen.
▪ Lijstreferenties (bibliografie) en tekstreferenties
Empirisch onderzoek
Het doelgericht en systematisch verzamelen en/of analyseren van betrouwbare en
valide gegevens (of data) die rechtstreeks uit de werkelijkheid komen, om een
onderzoeksvraag te beantwoorden.
• Onderzoeker verzamelt & analyseert data over de empirische werkelijkheid
o Nieuwe data/gegevens – zelf verzamelen
o Bestaande data – niet zelf verzamelen, wel analyseren
• Dataverzamelingsmethoden (zie Hoofdstuk 6)
o Interviews
o Focusgroepsgesprek
o Survey
o …
o Voor het vinden van meetinstrumenten, nodig om gegevens te bepalen of te
meten, doet de onderzoeker vaak beroep op literatuur.
▪ Denk maar aan het meten van IQ waarvoor verschillende meetinstrumenten
(i.c. IQ-tests) zijn ontwikkeld (en beschreven in de literatuur).
, 2.2. Kwantitatief versus kwalitatief onderzoek
2 grondvormen van empirisch onderzoek die erg van elkaar verschillen
Kwantitatief onderzoek
• Gegevens verzamelen die in cijfers zijn uit te drukken
• Grote groepen
• Beschrijven– Hoeveel? Hoe? Wat? - en Verklaren (verband – samenhang)
• Meten via een gestructureerd of gestandaardiseerd meetinstrument (bv. survey of
observatieschema)
• Analyse via berekeningen of statistieken
• Steekproef – populatie
▪ Populatie: grote groep waarover men uitspraken wil doen
▪ Steekproef: een deel van die groep – steekproef moet voldoende groot en
representatief zijn om uitspraken te kunnen doen over de achterliggende
populatie.
➢ Representativiteit van een steekproef: de mate waarin een steekproef een
nauwkeurige afspiegeling is van de populatie.
▪ Generaliseren: hoewel de resultaten strikt genomen enkel op de steekproef en
niet op de populatie van toepassing zijn - men heeft de populatie immers niet
volledig onderzocht - is het vaak de bedoeling toch uitspraken over de volledige
populatie te doen, ook wel te generaliseren of te veralgemenen genoemd.
Zoals we nog verder in de cursus zullen zien, is dit mits een voldoende grote en
representatieve steekproef mogelijk.
Oorsprong in positivisme: uitgangspunt dat er één objectief waarneembare en
onafhankelijk te meten werkelijkheid is.