Waarover gaat het in boek 1?
• Evolutie, natuurlijke selectie en adaptaties
• Genetische verschijnselen op celniveau (kwalitatief en kwantitatief)
• Genetische verschijnselen op populatieniveau
• Evolutionaire dynamieken (bij primaten en de mens)
• De evolutie van de homininen / Het hominisatieproces
• De evolutie van sociaal gedrag
• De evolutie van moraliteit
Waarover gaat het in boek 2
• Geschiedenis biologische scholen
• Hedendaagse biosociale criminologie
• Neurocriminologie (brein + neurotransmitters) en antisociaal gedrag
• Antisociale gedragsstrategieën door de bril van Darwin
• Naar een integratief raamwerk?
EINDSCOREBEREKENING
Periodegebonden evaluatie telt voor 100% of 20/20
• Max 50 multiple choice examen (MCE) >>> 15/20
• 1 of 2 grote schriftelijke open vragen >>> 5/20
o Bv.: Geef de mechanismen van evolutie en leg deze uit.
• Of meerdere kleine open vragen (zoals kernbegrippen)
o Bv. Leg uit: seksueel dimorfisme, leg uit Ardipithecus
Ramidus, Out of Africa II – hypothese
o Zie de richtinggevende testvragen en de PPT (achteraan)
• Hogere cesuur voor MCE: afhankelijk van aantal vragen en
antwoordcategorieën
MC-EXAMENGEDEELTE
50 MC-vragen
• Verspreid over de boeken en hoofdstukken.
• Gemaakt op basis van PowerPoints, aangevuld met het boek (vooral als
het relevant was in de les en/of PowerPoint).
• Sterk gebaseerd op basis van vragen uit richtinggevende testvragen.
• De begrippenlijsten (Ufora) zijn aanvullend een goed hulpmiddel, zeker als
je gevraagd wordt om een begrip uit te leggen (wees niet te vaag).
• Geen andere namen kennen dan diegenen die in de namenregisters /
achteraan de dia’s staan.
1
,WELKE TYPES VAN STELLINGEN KAN IK
VERWACHTEN?
− Stellingen uit de (geschiedenis van de) evolutietheorie.
− Stellingen over genetica op niveau van de cel (kwalitatief en kwantitatief)
− Stellingen over populatiegenetica!
− Stellingen over evolutionaire dynamieken!
− Stellingen over het menswordingsproces, de soorten (genera) en de
‘groepen’ van
− menselijke voorouders
o (Voorbeeld: Australopithecus-groep, Ardipithecus-groep).
o Vanaf het genus Homo moet je nauwkeuriger zijn (H. habilis, H.
ergaster, H. erectus, neanderthaler, Denisova-mens, kruisbestuiving,
menselijke oorsprong.
o Ken het verschil tussen vroeg-archaïsche, laat-archaïsche en
anatomisch moderne mensen?
o Stellingen over de landbouwrevolutie en diens consequenties.
− Stellingen over de sociobiologische theorie (samenwerking en altruïsme)
− Stellingen over de evolutie van moraliteit (theoretische inzichten)
− Toepassingen van theoretische begrippen uit genetica, de hersenen,
neurocriminologie, de evolutie van sociaal gedrag vanuit de sociobiologie,
gedragsecologie en gen-cultuur co-evolutietheorie
− Stellingen over functie en structuur van het brein, de rol van
neurotransmitters en genvarianten en delinquent gedrag, tweelingstudies
en adoptiestudies, …
− Kritieken op biosociale criminologie.
− Herken je concrete situaties (theoriegestuurd).
− Beschrijvingen van definities van concepten (jargon).
− Grote namen uit het vakgebied!
− Vorm:
o Duid de juiste stelling aan,
o Vul aan,
o Geef aan of een uitspraak juist of fout is.
2
, VOORBEELDEN OVER DE
VRAAGFORMULERING
1. Welke van de volgende definieert een gen het best?
A. Een stukje DNA dat codeert voor een specifiek eiwit.
B. Een karyotype van cellulaire structuur.
C. Een onafhankelijke samenstelling van atomen.
D. De kleinste meeteenheid in het lichaam.
→ A : Een stukje DNA dat codeert voor een specifiek eiwit
2. Welke van de volgende is géén onderdeel van DNA?
A. Leucomine.
B. Thymine.
C. Cytosine.
D. Guanine.
→ A : Leucomine
3. ________ zijn DNA-sequenties die het aan- en uitzetten van andere
DNA-sequenties controleren.
A. Mutaties.
B. Alkaloïde verbindingen.
C. Regulatorgenen.
D. Alternatorgenen.
→ C : Regulatorgenen
4. Een ________ is een benige kam boven op de schedel waaraan
kauwspieren zich hechten.
A. Kies.
B. Wenkbrauwboog.
C. Sagittale kam.
D. Kaakbeen.
→ C : Sagittale kam
3